,,Ik ben er van overtuigd dat ouders bijna altijd het beste voor hun kinderen willen, en dan is het misschien lastig als iemand anders voor jouw kind beslist’’, zegt kinderrechter Tilly van der Hoeven. FOTO NIELS WESTRA

Ook de kinderrechter heeft wel eens twijfel

,,Ik ben er van overtuigd dat ouders bijna altijd het beste voor hun kinderen willen, en dan is het misschien lastig als iemand anders voor jouw kind beslist’’, zegt kinderrechter Tilly van der Hoeven. FOTO NIELS WESTRA

Tilly van der Hoeven (57) is sinds 2008 kinderrechter bij de rechtbank in Leeuwarden en neemt in die functie besluiten over de ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing van een kind. Een hele verantwoordelijkheid, beseft zij. En ja, soms is er twijfel. ,,De ene beslissing is makkelijker dan de andere, maar als ik eenmaal beslis sta ik daar helemaal achter. Toch ben ik blij dat er hoger beroep mogelijk is.’’

Aanleiding voor het gesprek is kritiek van zowel ouders als professionals op de machtige positie van kinderrechters die het eindoordeel vellen in een langlopend proces.

De kinderrechter buigt zich over een zaak op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, die adviseert om een kind onder toezicht van een gezinsvoogd te stellen (OTS) of uit huis te laten plaatsen (UHP). Hoe komt u tot uw oordeel?

,,Op de zitting is iemand van de Raad aanwezig, de ouders, soms met een advocaat, het kind als het boven de twaalf is en, als er een OTS komt, een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling zal uitvoeren. Ik heb dan al apart met het kind gesproken. Dat doe ik in een kindvriendelijke setting, zonder toga. Ik leg uit wat de maatregel betekent, informeer hoe het gaat, thuis en op school en ik vraag naar de zorgen uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming. Soms zegt een kind dat het wel goed is dat iemand komt helpen.

Ik heb het rapport van de Raad van tevoren gelezen en weet welke zorgen er zijn. Ik heb dus één kant van het verhaal gehoord en daar kunnen ouders op reageren. Het is echt een kwestie van hoor en wederhoor. Alles wat ik hoor telt mee in de afweging die ik maak. De kernvraag is: zijn er genoeg gronden aangevoerd om aan de wettelijke criteria voor een OTS of UHP te voldoen?

Lees ook:  'Mijn grootste fout is dat ik hulp heb gezocht voor mijn kind'

Rapporten van instellingen vormen een belangrijke informatiebron voor de rechter. Critici oordelen dat de kwaliteit hiervan soms rammelt doordat informatie klakkeloos wordt overgenomen en dat er soms waardeoordelen in staan. Hoe oordeelt u over de kwaliteit hiervan?

,,In het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming staat precies waar het advies op gebaseerd is, waar de informatie vandaan komt en van welke informanten. Dat is heel transparant. Daarnaast zijn er de verzoeken van de gecertificeerde instellingen (GI). Bij zo’n verzoek zit een rapportage van wat de reden was voor de OTS en wat er het afgelopen jaar is gebeurd en gedaan om de situatie te verbeteren. Ouders klagen er wel over dat daar oude informatie in staat, maar voor de kinderrechter is het toch belangrijk dat te weten. Soms is informatie die in de rapportages staat onjuist of achterhaald, bijvoorbeeld een gestelde diagnose waarvan later is gezegd dat die toch niet klopt. Of vermoedens van een aandoening of stoornis, waarvan later is vastgesteld dat die persoon daar niet aan lijdt. Dan vragen we de gezinsvoogd of GI inderdaad wel om dat uit de rapportages te halen.’’

Hebben kinderrechters voldoende kennis van pedagogische inzichten?

Als er wordt gezegd dat we weinig pedagogische kennis hebben, herken ik me daar niet in. We doen van alles om op de hoogte te blijven.

,,Daar worden we voortdurend in bijgeschoold. Iedere rechter die kinderrechter wordt, moet cursussen volgen op het gebied van wetenschappelijke opvattingen over de ontwikkeling van kinderen: ontwikkelingspsychologie, de omgang met deskundigen, praten met kinderen, hechtingsprocessen etcetera. Dat is heel belangrijk voor ons. Dus als er wordt gezegd dat we weinig pedagogische kennis hebben, herken ik me daar niet in. We doen van alles om op de hoogte te blijven.’’

Vertegenwoordigers van instellingen zouden niet altijd inhoudelijk op de hoogte zijn van dossiers. Wat is uw ervaring hiermee?

,,In Leeuwarden hebben we over het algemeen de eigen gezinsvoogd op de zitting. Daar zijn we heel blij mee omdat die het best op de hoogte is. Als deze persoon verhinderd is, vraagt hij of zij een collega. Het is de bedoeling dat de informatie wordt overgedragen maar soms gebeurt dat niet. Dat kan aanleiding zijn om een nieuwe zitting te plannen. Rechters zijn zich er heel erg van bewust dat ze iedereen moeten horen. Ik probeer alle betrokkenen de kans te geven te zeggen wat hij of zij wil.’’

In zijn publicatie ‘Keteninfantiliteit in de jeugdzorg’ stelde sociaal pedagoog Harry Berndsen vorig jaar dat kinderrechters de zwakste schakel zijn in de jeugdzorgketen en tegelijkertijd de meeste macht hebben; omdat ze als jurist vooral naar de procedure kijken en minder naar gevolgen voor het kind. Ze moeten dus kunnen vertrouwen op de kwaliteit van het advies.

,,Natuurlijk zijn wij afhankelijk van de informatie die we krijgen aangeleverd. Maar als wij twijfelen, of niet genoeg informatie denken te hebben om te beslissen, kunnen we zelf deskundigen inschakelen of rapporten opvragen. Dan schakelen we vaak het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) in, dat zelf een onderzoek gaat doen. Dat gebeurt een paar keer per jaar, het zijn heel dure onderzoeken.

Natuurlijk twijfel ik wel eens wat ik moet beslissen, maar als ik eenmaal beslis, sta ik daar helemaal achter.

En macht? We nemen natuurlijk wel het uiteindelijke besluit, en de ene beslissing is makkelijker dan de andere. Natuurlijk twijfel ik wel eens wat ik moet beslissen, maar als ik eenmaal beslis, sta ik daar helemaal achter. Toch ben ik blij dat er hoger beroep mogelijk is, want een andere/hogere rechter kan er natuurlijk anders over denken dan ik, en dan heeft degene die niet zijn zin heeft gekregen nog een kans om het voor te leggen. En als het heel moeilijk is, overleg ik met mijn collega’s. Ik moest bijvoorbeeld een keer oordelen over een OTS voor een kind in een gezin waar ontzettend veel weerstand was tegen de gezinsvoogd. In principe was aan alle criteria voldaan, maar ik vroeg mij sterk af, vanwege de problematiek van dat kind: zou het in dit geval geen averechtse werking hebben? Ik heb een leerplichtambtenaar en een hulpverlener geraadpleegd en de OTS uiteindelijk afgewezen.’’

Lees ook:  PvdA Leeuwarden wil gesprek over jeugdbescherming

Ouders die zich bij de krant melden, hebben nogal eens slechte ervaringen met voogden. Wat is uw indruk van de kwaliteit van gezinsvoogden?

,,In de eerste plaats dat ze zich heel erg bewust zijn van hun verantwoordelijkheid, in de tweede plaats dat ze zich uit de naad werken. Het is een hele zware baan, en er is heel veel verloop. Iedere gezinsvoogd moet geregistreerd zijn in het Kwaliteitsregister Jeugd en valt onder de werking van het tuchtrecht. Er worden nu veel jonge mensen opgeleid tot gezinsvoogd. Dat die zelf nog geen kinderen hebben, vind ik niet bezwaarlijk. Ze hebben een goede opleiding en kunnen soms met een heel frisse, open blik tegen dingen aankijken. Ik vind het kwalijker dat er veel wisselingen zijn, waardoor gezinnen weer aan een nieuw iemand moeten wennen.

Kijk, een voogd heeft natuurlijk een hele andere positie dan de ouder. Ik ben ervan overtuigd dat ouders bijna altijd het beste voor hun kinderen willen, en dan is het misschien lastig als iemand anders voor jouw kind beslist. Ik moet wel zeggen dat een ondertoezichtstelling het meeste effect heeft als er een goede samenwerking is met de voogd.’’ Soms is het best lastig te bepalen in hoeverre er sprake is van zaken die kinderen ernstig in hun ontwikkeling bedreigen, vindt Van der Hoeven, zelf moeder. ,,Toen ik dit werk net deed, dacht ik wel eens bij het lezen van een dossier: oeps, dat doe ik ook wel eens thuis. Bijvoorbeeld uitvallen naar je kind als je gestrest bent. Dat geldt voor elke ouder. Maar het is net de mate waarin dingen gebeuren die bepalen of een kind daardoor beschadigd kan worden of in zijn ontwikkeling bedreigd.’’

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 4,99 per maand. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct