Joop en Geppy Posthumus schreven een boek over Joops grootvader Jeep, bekend en berucht handelaar in het noorden. Hulst speelt een rol in het verhaal.

Kleinzoon schrijft boek over de sluwe streken van koopman Opa Jeep

Joop en Geppy Posthumus schreven een boek over Joops grootvader Jeep, bekend en berucht handelaar in het noorden. Hulst speelt een rol in het verhaal. FOTO RENS HOOYENGA

Grillig en sluw, onhebbelijk en geniaal: koopman Jeep Posthumus werd gevreesd en bewonderd. Zijn kleinzoon schreef er een boek over.

Allemachtig, dacht Jeep Posthumus die koude decemberdag in 1933. Dát is een mooi exemplaar.

Hij stond voor een politiebureau in een verder onbenoemd Fries dorp. In de tuin pronkte een weelderige hulstboom, vol ruw donker blad en vuurrode kralen.

Posthumus rook handel, zoals hij in zoveel zaken koopwaar zag. Als hij zijn snoeimes nu eens in die hulst mocht zetten, dan konden die takken hem pal voor kerst een flinke zakcent opleveren.

Maar toen hij de veldwachter van dienst om toestemming vroeg, weigerde die. Zelfs na waarschuwingen van Posthumus dat er de laatste tijd veel hulst gestolen werd, ,,en dan blijft er niet veel van de boom over.’’

De handelaar droop af, maar broedde op een plan.

Het verhaal van de hulstboom bij het politiebureau is één van de grappigste, maar ook meest illustratieve anekdotes uit het boek Jeep. Van kamp tot kamp , over Jeep Posthumus (1892-1963).

Onderzoek naar ‘Opa Jeep’

Auteur en kleinzoon Joop Posthumus uit Zevenhuizen deed samen met echtgenote Geppy tweeënhalf jaar lang onderzoek naar ‘Opa Jeep’. De koopman die in het grensgebied tussen Friesland, Groningen en Noord-Drenthe berucht was om zijn streken en diepe afkeer tegen het gezag, waardoor hij zich herhaaldelijk in de nesten werkte.

Toen de schrijvers krantenarchieven naplozen, op zoek naar sporen van Opa Jeep, stuitten ze op een baaierd aan politieberichten en rechtbankverslagen. Soms was Joop Posthumus bang dat het boek over zijn opa alleen maar slechte verhalen zou bevatten.

Maar steeds meer openbaarde zich tijdens het onderzoek ook een andere kant van zijn grootvader. Het beeld van een man die werd bewonderd om zijn inventiviteit, zijn kennis van mens en dier en om zijn onverschrokken inborst.

Waar anderen terugdeinsden voor een op hol geslagen paard, sprong hij er juist voor en redde zo het leven van de knul op de wagen die werd meegesleurd. Hij schonk geitenvlees aan minderbedeelden.

‘Ik ben er trots op een Jeep te zijn’

Joop Posthumus: ,,Eigenlijk heet ik Jeep Jan. Mijn ouders noemden mij Jopie, omdat ze dachten dat ‘Jeep’ een slechte naam had. Maar ik ben er trots op een Jeep te zijn.’’

De kampen in de boektitel hebben betrekking op de woonwagenkampen, her en der in het Noorden, waar de handelsreiziger en zijn gezin jarenlang tussen pendelden.

Maar ze slaan ook op de kampen in Amersfoort en Vught waar Jeep Posthumus tijdens de Tweede Wereldoorlog belandde en bijna het leven liet. Hij was door de bezetter opgepakt, omdat hij zich niet aan het slachtverbod hield - natuurlijk niet, hij deed wat hem goeddunkte, onder welk bewind dan ook.

Smeuïge verhalen van ‘Opoe Marie’

De schrijvers maakten voor hun biografie dankbaar gebruik van de smeuïge verhalen die ‘Opoe Marie’, Jeeps vrouw, over haar echtgenoot opdiste. Verhalen die in familiekringen als immaterieel erfgoed gekoesterd werden, maar nooit te schrift werden gesteld.

Tot Joop en Geppy Posthumus een paar jaar geleden op hun beurt opa en oma werden van een ‘nieuwe�� Jeep Jan. Juist voor hem wilden ze de levensgeschiedenis van zijn illustere voorvader met dezelfde naam optekenen. ,,Nu zijn er nog mensen die hem gekend hebben.’’

Terug naar de hulstboom voor het politiebureau:

In de nacht keerde Jeep Posthumus terug met een makker, om heimelijk de groene handelswaar te snoeien en op een wagen te laden. Omdat het stormde, moest hij de schitterende taken bovenin ongemoeid laten.

Een paar dagen later reed Posthumus opnieuw langs de door hemzelf toegetakelde boom. Brutaal belde hij nogmaals aan. ,,Had ik u vorige week niet gewaarschuwd?’’, beet hij de verbouwereerde politieman toe. ,,Jammer van deze mooie boom.’’

Maar, zo stelde hij poeslief voor, hij was als snoei-expert best bereid er kosteloos weer wat model in te brengen, als hij dan takken kreeg. Dat mocht.

Zo belandden zelfs die begeerde bovenste hulstloten in Posthumus wagen.

Als het december wordt, leggen Joop en Geppy Posthumus traditiegetrouw een bosje hulst op het graf van Opa Jeep. Al een jaar of veertig.

Joop Posthumus, besmuikt: ,,Je zou die hulst natuurlijk kunnen kopen. Maar dat doen wij niet. Wij snoeien het ergens illegaal. Bij wijze van eerbetoon.’’

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct