In de overlevingsstand

'Als ze het te gevaarlijk vonden, schoven ze de boel aan de kant en stopten mij onder de vloer.'

Jarenlang bekeek hij de wereld van een afstand. Van binnen naar buiten. Van achter het raam. Of sterker nog: door een luchtrooster in de kruipruimte. David Sealtiel overleefde de Tweede Wereldoorlog bij de familie Bronger in Leeuwarden. Een peutertje dat in geval van nood onder de vloer of in een regenton werd verborgen.

,,Ik zat onder het huis’’, vertelt David Sealtiel (uit te spreken als Sjealtiel) vanuit zijn woonplaats Rishon LeZion in Israël. ,,Dan kroop ik als ik de Duitsers boven me hoorde naar het huis van de buren. Daar verstopte ik me achter een muurtje. Als er buiten op straat veel lawaai was ging ik bij het roostertje in de buitenmuur zitten. Daar was frisse lucht. En licht. Ik kon zien wat er op straat gebeurde.’’

Urenlang zit hij er in het donker tussen spinrag en muizenkeutels. Slaapt soms zelfs onder de vloer op een strozakje.

Op 18 maart is hij 80 geworden. Nog net een vooroorlogse Joodse baby uit 1940. Net 2 is hij, als hij bij de familie Bronger in de Gysbert Japicxstraat in Leeuwarden belandt. Een peuter die door zijn eigen ouders al Robbie wordt genoemd, omdat David te Joods klinkt.

loading  

Lykele en Trijntje Bronger vertellen de buitenwereld dat Robbie hun kleinzoon is. Maar zijn zwarte haren en donkere ogen vertellen een ander verhaal. En omdat er in de Oranjewijk voortdurend Duitsers op de been zijn, vanwege de nabijgelegen zuivelfabriek aan het voeteneind, de gevangenis aan het hoofdeind en daartussenin de spoorlijn Leeuwarden-Groningen, moet de kleine Robbie zoveel mogelijk ongezien blijven.

,,Ik herinner me nog heel goed hoe dat ging. Het huis had een voordeur en een lange gang in het midden. Rechts zat de zondagse kamer. Daar lag een kleed met een tafel en stoelen erop. Eronder zat een luikje in de vloer. Als ze het te gevaarlijk vonden, schoven ze de boel aan de kant en stopten mij onder de vloer. Het luik ging dicht, het kleed er weer overheen.’’

Onder schot

,,Of ik dat eng vond? Natuurlijk, vooral de eerste keer. Maar je wordt snel groot hoor in zo’n situatie. Door het rooster zag ik dat Duitsers mensen bij elkaar dreven, ze hielden ze onder schot. Nou dan snap je al heel snel dat je je stil moet houden. Niet moet huilen. Niet moet schreeuwen. Onbewust weet je dat je je kindzijn achter je moet laten. Ik stond in de ovelevingsstand. ’’

Als mensen hem vragen hoe hij zich dit zo goed kan herinneren, hij was immers nog zo jong, zegt hij: ,,Stop thuis je kind van 2, 3 jaar in een donkere kast. Doe deur op slot en laat het een uurtje of zo zitten voordat je die kast weer open doet. Wedden dat hij of zij die ene keer zijn hele leven niet meer vergeet?’’

De familie Bronger is wel wijs met het kleine mannetje, dat aan hun zorgen is toevertrouwd. ,,Ze waren heel lief voor me. Ik noemde Lykele pappe en Trijntje was moeke.’’

loading

Robbie wordt in augustus 1942 in een koffer uit de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam gesmokkeld. Zijn vader David is dan al afgevoerd naar Westerbork. Zijn moeder Clara is hoogzwanger en mag de bevalling afwachten, samen met haar moeder. Ook Robbie blijft bij haar. Na de bevalling worden ze alsnog opgepakt en in de schouwburg ondergebracht in afwachting van deportatie.

Leden van het studentenverzet vragen Clara om de twee kinderen mee te geven. Ze wil baby Joop niet afgeven maar Robbie wel. ,,Toen ben ik dus in een koffier naar de creche aan de overkant gebracht. Ik was daar nog niet geregistreerd dus het viel niet op dat ik verdween. Ze hebben me er twee dagen later warm aangekleed en ’s avonds in de achtertuin over de schutting doorgegeven.’’

Op de fiets wordt hij naar het IJ gebracht en daarna gaat het aan boord van een stoomschip van de Stanfries richting Lemmer. ,,Jaren later, toen ik met mijn vrouw, kinderen en kleinkinderen de overtocht maakte van Enkhuizen naar Staveren, met een stoomschip, herinnerde ik me ineens weer die reis. Dat kwam door het geluid, dat tsjoektsjoektsjoek. Ik zat weer in het ruim bij de stokers. Als klein bang jongetje.’’

Het echtpaar Bronger is al op leeftijd. ,,Er was geen speelgoed, ik ben eindeloos bezig geweest met de knopendoos. Tellen, stapelen, op kleur leggen. In Amsterdam hadden we al een douche maar hier was alleen koud stromend water in de keuken. Ik werd gewassen met groene zeep in de zinken wasteil, buiten op een tafel in de tuin. Het water werd eerst voorverwarmd op de kachel.’’

Omdat er regelmatig Duitsers door de straat komen, zit Robbie ook regelmatig onder de vloer. Vanachter het rooster begluurt hij de buitenwereld. ,,Ik zag de kinderen spelen, wist precies hoe ze heetten: Hidde en Hillie en nog veel meer namen.’’ Maar meedoen kan hij niet. Alleen maar stilletjes kijken en luisteren.

loading

Ingegraven regenton

Som s komen de Duitsers onverwachts en is er geen tijd om het luik open te maken. Dan wordt hij in een in de tuin ingegraven regenton gestopt. Het deksel gemaskeerd met een bloembakje. ,,Er stond soms een laagje ijskoud water in. Als ze me er weer uithaalden zag ik blauw van de kou. Pappe zei dan almaar: ‘Och myn lytse jonkje’. En moeke wikkelde me in een molton en probeerde me weer warm te wrijven.’’

Lykele Bronger is slachter. Er blijft regelmatig wat ‘aan zijn mes hangen’ zoals David het noemt. Vlees dat geruild wordt voor andere levensmiddelen. Of voor drank. Knipogend: ,,Pappe lustte wel een borrel. Hij ging dan voor een maatje jenever naar Dikke Douwe, die een kroeg had.’’

Voor Robbie luidt de bevrijding een nieuw drama in. De Canadezen trakteren buiten op chocola, rozijnen en pinda’s maar hij treft binnen moeke huilend op de rand van het bed. ,,Daar snapte ik niks van. We waren immers bevrijd. Maar toen vertelde ze dat zij niet mijn moeder was. En dat de familie niet mijn familie was.’’

Bitter: ,,Weer een werkelijkheid die niet klopte.’’ Trijntje spelt trouw de advertenties in de Leeuwarder Courant waarin de Joodse gemeenschap overlevenden zoekt. Ook Robbie staat vermeld. Moeder Clara heeft met baby Joop ondergedoken gezeten in Utrecht. En zo, net als haar moeder de oorlog overleefd.

,,Mijn moeder kwam me in 1946 ophalen. Ik herkende haar niet en ben hard weggerend. Tussen de andere kinderen op straat gaan staan, ik dacht: dan ziet ze me niet.’’

Uiteindelijk brengt een zoon van de familie Bronger hem terug naar Amsterdam. Een treinreis op harde houten bankjes, waarop hij met bungelende klompjes zit. ,,Ik was een heel bang kind dat alleen Liwadders sprak.’’

,,Eenmaal in het huis bij die vreemde mevrouw, zei zij: ‘Ga maar even hiernaast met je broertje spelen’. Ik was verbijsterd. In die kamer zat een jongetje en ik zei: ‘Die mevrouw zegt dat jij mijn broertje bent’. Hij zei: ‘Nee hoor, ik heb geen broertje. Maar je mag wel met mijn speelgoed spelen’.’’

Het is het begin van een heel moeilijke periode. Clara heeft, in de woorden van David, lichamelijk de oorlog overleefd maar geestelijk niet. Ze kan niet voor haar beide jongens zorgen en wordt een aantal keren opgenomen. De Joodse geloofsgemeenschap ontfermt zich over David en Joop.

loading

Joodse opvoeding

,,We kregen een Joodse o pvoeding. En dat was een nieuwe klap. Moeke was christelijk. Zij gingen op zondag naar de kerk. We vierden Pasen, Sinterklaas, Kerstmis. En ineens was zaterdag de zondag, En was het Pesach en Chanuka. Alles was weer niet waar. Ik werd er heel opstandig van.’’

Op zijn zeventiende woont David op kamers. Studeert geschiedenis – specialiteit de Joodse geschiedenis van West-Europa – en werkt ernaast. Hij trouwt en krijgt twee kinderen. In 1970 emigreert het gezin naar Israël. ,,Ik was beslist niet fanatiek Joods maar wilde mijn kinderen in een omgeving zonder antisemitisme en discriminatie laten opgroeien.’’

Het loopt anders. Er volgt een echtscheiding en David belandt weer in Nederland. Hij hertrouwt en verhuist in 1976 met zijn vrouw naar Harlingen waar hij aan de Voorstraat een stoffenwinkel begint: De Lappenmand. Daar wordt ook nog een dochter geboren. ,,Ik wilde terug naar Friesland, daar had ik mijn beste tijd gehad.’’ Hij opent ook winkels in Sneek en Franeker.

In 1993 begint David een speurtocht naar zijn verloren familie. ,,Het bloed kruipt waar het niet gaan kan’’, lacht hij verontschuldigend. Een advertentie in De Telegraaf resulteert in 75 reacties en een gezellige dag in Amsterdam. In 1994 volgt een wereldreünie van Sealtiels. Bijna driehonderd mensen komen samen bij de Amsterdamse universiteit.

Familie

,,Sind sdien hebben we iedere drie jaar een internationale reünie. We zijn al in Thessaloniki geweest en in Barcelona. We hebben DNA-onderzoek gedaan en 85 procent van de deelnemers is familie van elkaar.’’

Pappe is al in 1970 overleden en moeke, die 98 is geworden, overleed in 1995. ,,Ik ben er bij geweest toen ze overleed, tot haar laatste ademtocht.” In 2002 overlijdt zijn tweede vrouw. David vertrekt daarna opnieuw naar Israël en leert daar zijn huidige vrouw kennen.

loading

Het jongetje dat de wereld bekeek door een luchtroostertje in het donker, hield daar claustrofobische neigingen aan over. En de beelden van gewapende Duitsers en bange buurtbewoners staan op zijn netvlies gebrand. Dat slijt niet meer.

Maar het glas is halfvol, zegt hij beslist. ,,Er is in iedere situatie altijd iets positiefs te ontdekken.’’

menu