Na jaren studie promoveert Rita Radetzky vandaag op tuinarchitect Lucas Roodbaard. Van de Prinsentuin in Leeuwarden en veel andere Friese parken. Zijn werk is bekend. Hij zelf minder.

I edereen kent wel een tuin of park van Lucas Pieter Roodbaard (1782-1851). Zeker in Friesland, waar hij dertig jaar actief is geweest. Reclame maakte hij niet, dat had hij niet nodig.

Maar hoe hij er zelf uit heeft gezien weet niemand. Zelfs Rita Radetzky niet (1952, Boedapest, Hongarije) en zij begon als Groninger kunstgeschiedenisstudente in de jaren zeventig (,,ik had nog college van Henk van Os’’) al met onderzoek naar de tuinarchitect. Vandaag hoopt ze op hem te promoveren aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Er bestaat geen portret van hem (terwijl hij portretschilder is geweest), en ook geen beschrijvingen van hem, zijn manier van doen, zijn gewoontes of onhebbelijkheden. Zijn werk werd tijdens zijn leven al geprezen, maar de maker bleef vaak ongenoemd.

Leeuwarder stadsarchivaris Wopke Eekhoff is een van de weinigen die hem wel noemt, als hij ,,het vernuft en den smaak van den heer Roodbaard” prijst en zegt dat de Prinsentuin ,,welligt het schoonste der werken zal worden, waarmede hij den omtrek dezer stad versierd heeft.” Eekhoff was de eerste die een overzicht van Roodbaard-tuinen probeerde op te stellen.

Onzichtbaar

Zo is de hoofdpersoon in Radetzkys proefschrift een onzichtbare man, alleen bekend door zijn werken en een handvol biografische gegevens. ,,Dat is echt jammer’’, zegt Radetzky zelf, die ook benieuwd is naar de man zelf. ,,Ook omdat die naam zo intrigeert.’’ Zijn vader, de Drentse arbeider Pieter Harms, nam de achternaam in 1804 aan, waarschijnlijk omdat hij een rode baard heeft gehad. Zijn zoon de tuinarchitect misschien ook wel. Maar zeker weten we het niet.

Lucas Roodbaard werd in 1782 geboren in Rolde, in een arbeidersgezin. Hij groeide in Assen op. Zijn vader pakte van alles aan, nachtwaker, tuinarbeider, ratelaar in Assen. Dat waren duo’s die ‘s avonds elk uur over straat liepen, waarbij de ene riep hoe laat het was, en de ander een houten ratel draaide. Pieter Harms voldeed niet, want hij werd in 1819 ontslagen.

Geen klompen

Zoon Lucas was toen al een getrouwd man. Hij was op zijn twaalfde al tuinknecht, werkte zich op tot hovenier en omdat hij tekentalent had, werd hij toegelaten op de Academie van Teken-, Bouw- en Zeevaartkunde in de Oude Kijk in ’t Jatstraat in Groningen. Een nette school, waar leerlingen als Roodbaard die een talent aan de dag legden gratis les kregen. Klompen dragen op school was niet toegestaan.

In december 1813, toen die kunstopleiding voltooid was, trouwde hij met Hillechien Deddes. Hillechien had als huishoudster bij Jacobus van der Steege gewerkt, een Leeuwarder weduwnaar die in Nederlands Indië steenrijk was geworden (geschat bezit tussen de 5 en 6 miljoen). De rijkaard had bij zijn huishoudster een zoon verwekt, en het kind erkend voor hij in 1812 was gestorven. Er waren slepende erfeniskwesties met de andere nazaten, maar in 1815 kreeg het zoontje een bedrag van dik 7000 gulden. Helaas stierf het jongetje een week later.

Drie maanden na hun huwelijk was er al een dochter, Hilda, en meer kinderen volgden. Het leek Roodbaard als portretschilder mee te zitten (een paar van zijn portretten staan in het proefschrift). Als het gezin enige tijd in Amsterdam woont doet hij daar mee aan een tentoonstelling met een afbeelding van Adam en Eva, gebaseerd op het werk van Titiaan (het is er niet meer) en terug in Groningen kan hij zich een woning tegenover het universiteitsgebouw veroorloven.

Daar ergens komt de omslag. Zijn eerste tuin (voorzover bekend) was in Friesland. In 1819 legde hij in opdracht van Bernhardus Buma, oud-burgemeester van Leeuwarden en voorzaat van de huidige, een tuin aan bij diens buiten Bornia State, in Weidum.

Lang leve de slingertuin

In Engeland was in de achttiende eeuw een nieuwe tuinstijl opgekomen, die de landschapsstijl is gaan heten. Geen strakke geometrie meer, maar vergezichten, heuvels en slingerpaden, in tuinen die verder keken dan het hek. Een beroemde uitspraak van kunstcriticus Horace Walpole over een van de tuinarchitecten met die nieuwe stijl: ,,He leaped the fence and saw all nature was a garden’’ - hij sprong over de schutting en zag dat de hele natuur een tuin was. Een tuin werd, eenvoudig gezegd, van een rationele ruimte een romantische belevenis.

Die nieuwe aanpak raakte ook in Nederland en in Friesland in zwang. De eerste slingerbosjes of Engelse bosjes , zoals ze werden genoemd, doken hier tegen 1800 op, ondermeer op de buitenplaats van Duco van Haren in Sint Annaparochie. Tuinarchitecten als Philip Schonck, in dienst van stadhouder Willem V, paste het toe bij Het Loo en Soestdijk, in Oranjewoud en rond de toenmalige state op Ameland.

Ook Roodbaard werkte in die stijl. ,,Hij was een tuinarchitect met schilderogen’’, schrijft Radetzky. Hij hield van slingerende paden, interessante hoogteverschillen, afwisselende aanplant, spiegelende vijvers, doorkijkjes en hij was verzot op bouwsels die het effect versterkten. Een boogbruggetje, een koepel, een bankje.

Prinsentuin, Lyndenstein, Staniastate

Onder zijn toezicht ontstonden stadstuinen, tuinen bij buitenhuizen en een reeks parken, wandelroutes en heringerichte pleinen. De Prinsentuin in Leeuwarden, de tuin bij Lyndenstein in Beetsterzwaag, het park bij Staniastate, Toutenburg, Heremastate in Joure, de Engelse (!) Tuin in Harlingen, parken in Oranjewoud, Wolvega. Een aantal ervan is er nog steeds.

Hij was natuurlijk de enige niet, in andere streken van het land werkten verwante tuinarchitecten, maar in Friesland had hij het monopolie op de slingertuinen. Rijke burgers, mensen van adel, overheden namen hem graag in dienst. Zijn netwerk moet uitstekend zijn geweest, want hij maakte geen reclame en hij was nergens lid van. Toch ging het hem zo goed, dat hij een huis kocht aan de Nieuwestad, op de hoek met wat nu het Herenwaltje heet. (Het pand stond waar nu de Zeeman is). Zijn vrouw en dochter hadden er een stoffenzaak.

Hij hield zelf meestal toezicht op zijn werk en de tuinknechten. Die een kleine drie maanden deden over de aanleg van een tuin, en langer over grotere projecten. Zoals de Algemene Begraafplaats aan de Spanjaardslaan in Leeuwarden, nog altijd een juweeltje, die zo’n 290 werkdagen heeft gekost.

Tot zijn dood in 1851 bleef hij aan het werk. Hoewel hij wel uitstapjes naar Groningen (Fraeylemaborg) en Drenthe (De Brink van Assen) maakte, was Friesland zijn tuin. In zijn sterfjaar overlegde hij nog met architect Thomas Romein over de inrichting van een plein aan het Zaailand (nu het Wilhelminaplein) en werkte hij aan een park achter het Paleis van Justitie (waar nu de Harmonie staat en een Pathé-bioscoop in aanbouw is).

Ontdekkingen

Tijdens haar studie raakte Radetzky betrokken bij de tentoonstelling over Roodbaard in het Fries Museum, 1979, en ook erna bleef hij haar pad kruisen. Ze schreef een aantal boeken en brochures over hem of over zijn tuinen. Nu en dan vond ze ‘nieuw’ werk, bestaande parken waarvan niemand meer wist dat ze van Roodbaard waren. Epemastate is er zo een.

En nu is er dit proefschrift, begonnen in 2014, als het ware een samenvatting van meer dan veertig jaar onderzoek. Ze haast zich om te zeggen dat ze zich ook met andere zaken heeft bezig gehouden. Maar: ,,Ik heb zoveel aan Roodbaard gedaan en over hem uitgezocht’’, legt ze uit. ,,Daar moeten anderen later ook iets mee kunnen. Ik wilde iets maken dat blijvend is.’’

Het is degelijk werk - met lijsten van opdrachtgevers, netwerk-kaarten, nieuwe informatie en natuurlijk een volledige opsomming van al het werk van Roodbaard. Alleen die man zelf: of hij nu een rode baard had of niet, dat komen we nu niet te weten. Vermoedelijk nooit.

Binnenkort verschijnt een publiekseditie van het proefschrift bij uitgeverij Noordboek.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Friesland
Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct