Natuurpark Moor-Veenland. Grote delen van Noord-Nederland zagen er voor 1800 zo uit.

Hoe ons land tussen 1850 en 1940 onherkenbaar veranderde

Natuurpark Moor-Veenland. Grote delen van Noord-Nederland zagen er voor 1800 zo uit.

Het nieuwste boek van cultuurhistoricus Auke van der Woud gaat over de ingrijpende verandering van ons landschap tussen 1850 en 1940. Een ‘onberispelijk land’ moesten we worden – ‘alles in laatjes en vakjes’.

In het voorwoord van Het landschap, de mensen haalt Auke van der Woud de parabel van koning Midas aan. Alles wat hij aanraakte veranderde in goud. Toen bleek dat ook zijn voedsel goud werd, dreigde hij te verhongeren.

Het is een directe verwijzing naar ons landschap. Het baart Van der Woud (Sneek, 1947) zorgen hoe we daar sinds halverwege de negentiende eeuw mee omgaan. ,,Ik ben niet de enige die zich druk maakt over de exploitatie van de planeet. Bioloog David Attenborough heeft er onlangs ook weer voor gewaarschuwd. De natuur overleeft het wel, maar als we zo doorgaan legt de mensheid het loodje.’’

Van der Woud is geen actievoerder, maar wetenschapper - om precies te zijn emeritus hoogleraar architectuur en stedenbouw aan de Rijksuniversiteit Groningen. Maar ook hij kan niet om de feiten heen. Er is geen land ter wereld waar het landschap zozeer op de schop is gegaan als Nederland.

Rond 1850 bestond minstens de helft van het land nog uit woeste gronden. In honderd jaar tijd is een flink deel ervan afgegraven en in cultuur gebracht.

Onvruchtbaar werd vruchtbaar

Van der Woud: ,,Het onvruchtbare land werd vruchtbaar gemaakt. Het ging de initiatiefnemers om het algemeen belang. Maar gaandeweg is deze sociale gedachte veranderd in puur kapitalistische exploitatie van het landschap. Aan het begin van de twintigste eeuw neemt de rijksoverheid een sturende rol bij de intensivering van de landbouw. Niet zozeer om honger te bestrijden, maar om de economie te versterken en de export te bevorderen.’’

Geen enkel deel van het land is eraan ontkomen, maar Drenthe spant misschien wel de kroon. De heidevelden en zandvlakten die de provincie tegenwoordig toeristisch probeert uit te venten, beslaan slechts een fractie van het oppervlakte die ze ooit in beslag namen. Voor de hoogveengebieden geldt hetzelfde – in het Bourtangerveen is nog een snippertje hoogveen overgebleven, door Staatsbosbeheer Veenland genoemd.

Bossen daarentegen kwamen tot de tweede helft van de negentiende eeuw amper in Drenthe voor. Zou een toenmalige bewoner met een tijdscapsule naar het heden zijn geschoten, dan zou hij zijn provincie niet meer herkennen.

De ontginning kwam vooral op het conto te staan van de in 1888 opgerichte Heidemaatschappij. Drenthe stond erbij en keer ernaar. Veelzeggend is een uitspraak van J. Linthorst Homan, die als Drents commissaris van de Koningin én als commissaris van de Heidemaatschappij een dubbele pet op had. ‘Niet alle ontginning is verlies van natuurschoon’, schreef hij in de jaren dertig.

Bronnenonderzoek wijst volgens Van der Woud uit dat de meeste boeren er niet op zaten te wachten. Hij noemt het voorbeeld van de ruilverkavelingen. ,,Als de gedachte van de ruilverkavelingen in de jaren twintig van de vorige eeuw veld wint, dan blijkt dat veel boeren niet willen meedoen. Vervolgens komt er een wet die de ruilverkaveling van bovenaf afdwingt.’’

Landschap in een keurslijf

Het Nederlands landschap - door natuurbeschermer Jac. P. Thijsse in de jaren dertig prachtig vastgelegd in de populaire Verkade-albums - werd in een keurslijf geperst. Van der Woud: ,,De teelt was vroeger erg plaatsgebonden. De boeren hadden van vader op zoon geleerd op welke bodem ze welke producten konden verbouwen. Op zandgrond werd rogge verbouwd, op kleigrond tarwe. Er was een grote variëteit aan soorten en gewassen. Het landschap was heel divers.’’

De verschillen in de grond zijn gelijk getrokken. Met draglines en drains is de waterhuishouding geüniformeerd. De beplanting wordt tegenwoordig gedomineerd door uitgestrekte percelen Engels raaigras, aardappelen, bieten en snijmaïs.

Van der Woud vertelt dat hij rond 1970 op de brommer een rondje door Nederland maakte. ,,Voor het eerst kwam ik maïs tegen. Ik wist niet wat ik zag. Nu staat het halve land er als veevoer vol mee. Het voordeel van maïs is dat het veel mest kan opnemen. Zo kunnen boeren makkelijk van hun mest af.’’

Een onberispelijk land moesten we worden – ‘alles in laatjes en vakjes’, zoals W.J. van Balen het in 1936 omschreef in een boek over de zegeningen van de werkverschaffing bij grootscheepse ontginningen. Van der Woud: ,,Als je in het buitenland bent geweest en je rijdt Nederland binnen, dan zie je het meteen. De bewegwijzering, de paaltjes langs de weg, de opgeruimdheid.’’

Rommeligheid, zoals je ziet in landen als Frankrijk en België, ontbreekt in Nederland. Dat was vroeger wel anders, schrijft Van der Woud. Het landschap zat vol met kuilen, bulten en verval.

,,Het is allemaal vlak gestreken. Alles is gesystematiseerd en geperfectioneerd. Mijn betoog is dat het een soort leerproces is geweest dat van bovenaf door de rijksoverheid is aangestuurd. Alles moest nuttig zijn. Nu gebruiken we daarvoor de term ‘functioneel’. Een aangeharkt landschap levert meer rendement op dan een rommelig landschap.’’

Cultuurhistoricus Van der Woud heeft naam gemaakt met meerdere boeken over de negentiende eeuw, zoals Een Nieuwe Wereld (2006), Koninkrijk vol sloppen (2010) en De Nieuwe Mens (2015). Rode draad in zijn werk is het ontstaan van de moderne tijd, die zo’n beetje overal in de westerse wereld halverwege de negentiende eeuw gestalte kreeg. Mede dankzij de ontwikkeling van de wetenschap en de industriële revolutie kwam de samenleving in het teken te staan van ‘de vooruitgang’.

loading

Tweehonderd plassen en meren drooggemalen

Uniek aan Nederland was de aanleg van droogmakerijen en polders. Alleen al in Friesland en Noord-Holland werden tussen 1850 en 1940 volgens Van der Woud ongeveer tweehonderd meren en plassen drooggemaakt.

,,De rijkheid aan water is enorm geweest. Het gebied ten oosten van Leeuwarden in de richting van Hurdegaryp was verschrikkelijk waterig. Dat is in betrekkelijk korte tijd allemaal verdwenen. Er is daar een heel ander landschap voor in de plaats gekomen.’’

Een blauwdruk voor de op industriële leest geschoeide landbouw werd de door de overheid geïnitieerde drooglegging van de Wieringermeer. Het succes ervan plaveide de weg voor de aanleg van de Afsluitdijk in 1933 en de daaropvolgende inpoldering van de Zuiderzee. Van der Woud spreekt van een ‘dramatische verandering van het landschap’. Hij erkent dat het een ‘wereldprestatie’ was, maar er is veel voor opgeofferd. Zo is er van de visserscultuur aan de oostelijke oever bar weinig overgebleven.

Nu zou zo’n inpoldering politiek onhaalbaar zijn. Het is veelzeggend dat de inpoldering van de Markerwaard er nooit is gekomen. Volgens Van der Woud waren er in de jaren twintig en dertig ook weinig overtuigende ideeën over wat die inpoldering ons zou moeten brengen. ,,Vergelijk het met de Betuwelijn. Er zijn initiatieven waarover decennialang wordt gediscussieerd. Dan ineens wordt er een kloek besluit genomen. Dat is met de Zuiderzee ook gebeurd. Er waren genoeg argumenten, maar er was niet één dat heel dringend was.’’

Toch is in het nationaal geheugen beklijfd dat de inpoldering van de Zuiderzee werd ingegeven door de angst voor overstromingen. ,,Dat wordt inderdaad ten onrechte vaak gedacht. Maar verhoging van de dijken rond de Zuiderzee was een veel simpeler oplossing en bovendien stukken goedkoper. Ook dat is rond 1900 veelvuldig geopperd, maar er werd tegenin gebracht dat inpoldering zichzelf door de opbrengst van landbouwgrond terugverdiende.’’

Wat rest zijn de ‘grafzerken’

Wat ervan rest is het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen. In zijn boek noemt Van der Woud zulke overblijfselen ‘grafzerken’. Dat geldt in zijn ogen ook voor natuurgebieden. ,,Die worden kunstmatig in stand gehouden. Ik vind wel dat we ze moeten hebben in Nederland, maar het is geen overblijfsel van toen. Het is geen natuur, maar cultuur. Met een enorme machinerie van kennis en techniek erachter, gestut door gigantische geldstromen.’’

Ook die natuurgebieden zijn niet ontbloot van het nuttigheidsdenken. ,,Dat is inmiddels heel erg verweven met de Nederlandse cultuur. Daar lusten wij wel pap van.’’

Jonge generaties weten ook niet beter. Die ervaren dat ze in een stadstaat wonen, beaamt Van der Woud. ,,Het Nederlandse platteland is sterk verstedelijkt. Er staan niet eens zoveel huizen en bedrijfsgebouwen, maar verstedelijking heeft ook een mentale component. Het is ook een kwestie van op de stad georiënteerd zijn. Er is veel interactie tussen stad en platteland.’’

Zijn studie stopt bij het begin van de Tweede Wereldoorlog. Zijn boek was al op lengte, verklaart hij. Bovendien beschouwt hij zichzelf als een specialist van de negentiende eeuw.

,,Op het moment dat Sicco Mansholt na de oorlog het stokje als landbouwminister overneemt, komt er een soort stroomversnelling van het proces dat ik in mijn boek schets. Over de grote modernisering van de landbouw na 1950 bestaat al best veel literatuur. Niet over de periode die mijn boek bestrijkt. Dat is het voorstadium.’’

Dat Nederland uiteindelijk na Amerika is uitgegroeid tot de grootste exporteur van agrarische producten noemt hij ‘een wereldprestatie’. In de tweede helft van de negentiende eeuw keek de landbouwsector nog hemelhoog op tegen de industriële landbouwontwikkelingen in Amerika.

,,Nederland is inderdaad de landbouwkampioen van de wereld geworden. Dat is heel knap. Maar dat is niet gebeurd omdat veel boeren dat zelf wilden. Het is van bovenaf in gang gezet door de Heidemaatschappij, de rijksoverheid, Wageningen Universiteit en door een kleine minderheid van grote boeren die de landbouworganisaties domineerden.’’

De kleine boer is de verliezer

Van de kleine boeren, van wie er in 1940 nog 161.000 waren, zijn er door de oprukkende grootschaligheid niet veel overgebleven. Ook het landschap was een grote verliezer.

Van der Woud: ,,Boeren weten zelf ook wel dat het niet zo kan doorgaan. De grond wordt doder en doder. We zijn druk bezig om de kip met de gouden eieren te slachten. Hoe veranderen we dat? Ik denk dat het alleen mogelijk is als de rijksoverheid hiervoor het initiatief neemt, net als ruim een eeuw geleden.’’

Auke van der Woud, ‘Het landschap, de mensen’, Uitgeverij Prometheus, 445 blz. geb. 29,99 euro.

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct