Een peilschaal bij Oldelamer.

Hoe kan je de veenweide redden door te spelen met het grondwaterpeil?

Een peilschaal bij Oldelamer.

Een grondwaterpeil van 40 centimeter onder het maaiveld. Dat is het recept voor veenvernatting in het Veenweideprogramma. Hoe bereik je dat?

Hoe hoog is het grondwaterpeil nu in de feangreiden?

Dat verschilt enorm. Het loopt van 30 centimeter in natte natuurgebieden tot bijna een meter in polders waar diepontwatering nog de standaard is. Daarbij kan het peil per seizoen nog flink variëren en zijn ook per perceel forse verschillen te meten. Veel hangt af van de doorlaatbaarheid van bodemlagen. Naast een sloot die tot de rand gevuld is kan het peil dicht tegen het maaiveld aan zitten, maar 10 meter verderop ligt het zo een halve meter lager.

Waarom wordt er niet gestuurd op het slootwaterpeil?

In eerdere versies van het Veenweideprogramma is gekeken naar hoge slootpeilen tot 20 centimeter beneden het maaiveld. Zo’n generiek slootpeil is relatief eenvoudig te bereiken met de gemalen en stuwen waarmee Wetterskip Fryslân de waterhuishouding stuurt. Het effect is ook meteen zichtbaar en meetbaar. Daar staat tegenover dat een hoog slootpeil niet automatisch leidt tot een hoger grondwaterpeil. Juist dit grondwater heb je nodig om veen nat te houden, ter voorkoming van bodemdaling en de uitstoot van broeikasgassen. Sturen op het grondwaterpeil is dus zuiverder, maar ook een stuk omslachtiger.

Hoe meet je het grondwaterpeil?

Daar heb je peilbuizen voor nodig, heel veel peilbuizen. Het Wetterskip voert metingen uit en boeren doen dat ook via het project Boeren Meten Water. Het streven is dat er volgend jaar op 150 plaatsen in het veengebied metingen lopen. Daarmee kan het grondwaterpeil niet overal op perceelsniveau worden vastgesteld, maar het is wel mogelijk om per polder gemiddelden te berekenen, met behulp van modellen en gegevens over neerslag en opkomend en wegzijgend kwelwater uit de bodem.

Hoe trek je het grondwaterniveau op?

Er bestaat geen draaiknop waarmee je snel het grondwaterpeil opschroeft. Dat vraagt om een samenspel van factoren, waarbij het vooral belangrijk is om regenwater vast te houden, want dat is de belangrijkste bron.

Hier komen de slootwaterpeilen weer in beeld. Wanneer rond een weiland sloten met een laag peil liggen is de grondwaterlens onder het weiland bol, als een omgekeerd soepbord. Regenwater stroomt daardoor af naar de kanten. In een weiland dat wordt omsloten door volle sloten is de grondwaterlens juist hol, waardoor regenwater wordt vastgehouden.

De bodemgesteldheid speelt ook een rol. Een gezonde bodem - rijk aan organische stof en bodemleven en met een kruidiger begroeiing - houdt beduidend meer water vast.

Ook met technische ingrepen kan de grondwaterstand worden opgekrikt. Het Wetterskip onderzoekt met andere partijen de effecten van onderwaterdrainage en het toevoegen van water van bovenaf via bevloeiing en het volpompen van greppels.

Hoe worden straks de waterpeilen gestuurd?

Gebiedsprocessen en maatwerk zijn de sleutelwoorden in het Veenweideprogramma. Veranderingen worden met alle partijen overlegd. Voorstel is nu om met flexibele slootpeilen te werken volgens het Haklam-principe (Hoog als het kan, lager als het moet). Weersvoorspellingen en gemeten grondwaterstanden zijn daarbij bepalend. De marges worden vastgelegd in peilbesluiten en watervergunningen.

Wat win je met een hoog grondwaterpeil?

Nat veen daalt en oxideert veel minder. Dat is belangrijk voor de waterhuishouding en het tegengaan van de uitstoot van broeikasgassen. Hiernaar wordt volop onderzoek gedaan. Verwachting is dat een gemiddeld jaarpeil van 40 centimeter onder het maaiveld zorgt voor een substantiële reductie van de CO2-uitstoot. Onder droge omstandigheden dringt zuurstof 60 tot 80 centimeter diep door in de bodem, waardoor veen vergaat.

Is die 40 centimeter genoeg?

De makers van het Veenweideprogramma veronderstellen dat de meeste winst te behalen is in gebieden met een veenlaag van minstens 80 centimeter, met daarboven maximaal 40 centimeter klei. Aan deze norm voldoet 26.000 hectare van het 89.000 hectare grote Lege Midden van Friesland. Het streven is om in 2030 de jaarlijkse Friese uitstoot van veenbroeikasgassen met 0,4 megaton aan CO2-equivalenten te verlagen. Daarvan is volgens de ramingen met deze eerste stap 0,25 megaton te verdienen. In 2026 volgen besluiten over de rest van het veenweidegebied.

Wanneer is het zover?

Dat kan nog jaren duren. De Veenweidevisie ligt net ter inzage en het politieke spel en onderhandelingen (bijvoorbeeld over de schadeloosstelling van boeren) zijn pas net onderweg. Planning is dat het programma in mei wordt vastgesteld door provincie, Wetterskip en de veenweidegemeenten. Daarna wordt via onderzoek en proefprojecten de winnende werkwijze bepaald.

Bronnen: Veenweideprogramma 2021-2030 en Wetterskip Fryslân: Niek Bosma (projectleider feangreide) en Jan van Weperen (dagelijks bestuur).

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct