Badcultuur. FOTO COLLECTIE MUSEUM 'T BEHOUDEN HUYS

Hoe groeiden bepaalde plekken uit tot populaire vakantieoorden?

Badcultuur. FOTO COLLECTIE MUSEUM 'T BEHOUDEN HUYS

Sommige gebieden lijken vanaf de eerste tekenen van toerisme een vanzelfsprekende aantrekkingskracht te hebben voor plezierreizigers. Maar in de ontwikkeling van plaatsen tot echte trekpleisters heeft de mens een grote hand.

Hoe valt de ontdekking van sommige streken als vakantiegebieden te verklaren? Om die vraag te kunnen beantwoorden moeten we terug naar de tweede helft van de negentiende eeuw, als het toerisme een beetje begint op te komen.

Jan van Zijverden wijst in het boek Om it Heech hinne over de geschiedenis van de dorpen Bakhuizen, Mirns en Rijs, op een veranderende relatie tussen mens en natuur die in die periode plaatsvindt en die lijkt samen te vallen met de overgang van de Verlichting naar de Romantiek. ‘De romantische mens gaat op zoek naar ongerepte, wilde gebieden: de bergen en de kust’, schrijft Van Zijverden.

Bij veel toeristische gebieden, zoals de Friese zuidwestkust waar de dorpen Mirns en Rijs gelegen zijn, kun je onmogelijk voorbijgaan aan hun uitstraling. Het zuidwesten van de provincie bezit met zijn kliffen en gevarieerde landschap een schitterende ‘natuurlijke potentie’. En het lag in de negentiende eeuw ook nog aan de Zuiderzee.

loading

'Baden in de zee geeft veerkracht'

In de negentiende eeuw ontstaat in Nederland ook geleidelijk een badcultuur bij de hogere kringen van de bevolking. Die komt voort uit het idee dat het drinken van zeewater goed is voor de gezondheid, evenals het baden in zee. Er zijn badartsen die baden aanbevelen. Zo schrijft de geneesheer en badarts A.J. Prins in 1868 op: 'Het zeewater, dat tijdens den vloed uit de Noordzee het Friesche gat binnenstroomt en op de harde kust van het eiland breekt, is hier ongemeen frisch. Golvend klotst het met zijn aanzienlijk zoutgehalte tegen het ligchaam van den bader, prikkelt de huid, wekt de zenuwen op tot nieuwe werkzaamheid en geeft veerkracht aan het geheele gestel'.

loading

Het Duitse Waddeneiland Norderney, dat in 1797 het eerste zeebad heeft, en enkele plaatsen aan de Hollandse Noordzeekust, zoals Scheveningen en Katwijk, gaan Ameland voor als daar in 1853 bij Nes een zeebadhuis wordt geopend. Het bevat onder meer een gezelschapszaal, een bad- en hofmeesterskamer en drie kamers voor het gebruik van warme en andere kunstbaden. Er zijn ook twee badkoetsen voor het baden in open zee.

Op de Waddeneilanden ziet men in de negentiende eeuw wel kansen in het verwezenlijken van een badcultuur. In de tijd dat het vreemdelingenverkeer een beetje op gang komt, is er op de eilanden armoede, en als de badgasten zich aandienen zijn er nog helemaal geen voorzieningen. ,,Er zijn dan families (op Ameland) die gehoor geven aan het verzoek groepen vreemdelingen in huis te nemen’’, vertelt Jacob Roep, van de Amelander historische vereniging De Ouwe Pôlle. ,,Daar zijn families bij die later grote hotels op Ameland bouwen, zoals de familie Hofker.’’

Lees ook | Hoe gingen we vroeger op vakantie?

In een artikel over het zeebad schrijft Jan Blaak dat begin jaren vijftig het vee na de zomer vrij over het eiland loopt. 'Her en der liggen grote mesthopen langs de paden en landweggetjes, die bij slecht weer in ware modderpoelen veranderden.’ De burgemeester Van Heeckeren ziet in dat het, om voortgang in de toekomst mogelijk te maken, noodzakelijk is de infrastructuur te verbeteren en laat de wegen tussen de dorpen ‘twee voet’ ophogen.

loading

Varen op het getij

De verbindingen met de wal zijn zijn voor de ontwikkeling van het toerisme op de Waddeneilanden echter nog veel bepalender. Zo zeggen de eilanders die hun geld in het badhuis op Ameland gestoken hadden, al na een paar jaar hun vertrouwen in de rendabiliteit ervan op. De grote groepen badgasten willen nog niet naar Ameland komen. Dat wordt grotendeels toegeschreven aan de slechte veerverbinding met het eiland. Boten naar Ameland varen dan op tij. Dat betekent dat er maar één keer en bij gunstig tij twee keer per dag naar Ameland gevaren kan worden.

Toch wordt er tussen 1879 en 1880 een nieuw badhuis gebouwd. Er is dan een dam opgeworpen tussen Ameland en de wal. Dat wordt voor de kansen van een badhuis als gunstige ontwikkeling gezien. Een najaarsstorm die een gat slaat in de dam, is in 1881 echter na tien jaar al de genadeslag voor de ze voettochtverbinding. En de facto ook voor het tweede badhuis; dat wordt in 1890 verkocht, gesloopt en in Rockanje in Noord-Holland weer opgebouwd.

Scheltema en Steinvoorte

In 1902 wordt er een naamloze vennootschap opgericht om het nogmaals te proberen met een badpaviljoen op Ameland. Nu blijkt de tijd wel rijp, door diverse verbeterde omstandigheden. Het paviljoen wordt vanaf 1905 gepacht door Jan Gabbe Scheltema. ‘De vervanging van het zeilschip door een motorboot deed het passagiersvervoer aanmerkelijk stijgen’, schrijft Blaak. ‘Men vervoerde vice-versa in het eerste kwartaal van 1902 545 personen, en in het tweede kwartaal 1019 personen, terwijl de maand juli alles overtrof: op 20 juli voer men alleen al 200 passagiers over en weer.’

In de Eerste Wereldoorlog moet het badpaviljoen vanwege afslag van de duinen weliswaar nog eens worden afgebroken, maar Scheltema houdt vertrouwen en bouwt 200 meter verderop een nieuw hotel-paviljoen. Enkele jaren later wordt op ongeveer 20 meter van de nieuwe plek het hotel van Steinvoorte gebouwd. De hotels Scheltema en Steinvoorte, die het moesten hebben van zo’n zes weken hoogseizoen, zullen tot de jaren zeventig op Ameland bestaan.

Toerisme op Schiermonnikoog

Ook op Schiermonnikoog wil met aan het einde van de negentiende eeuw badgasten naar het eiland toetrekken. Daarom wordt in 1866 een badcommissie opgericht. ‘De badcommissie laat niets na om het eiland als badplaats vooruit te brengen. Ze maakt in het hoogseizoen een begin met het voor de badgasten organiseren van allerhande attracties, zoals behendigheidswedstrijden, openluchtconcerten, een dansje op de tonen van een goed orkest en vooral ook vuurwerk’, zo staat er over de inspanningen van de commissie in het boekje Een eeuw toerisme, van badgast tot recreant .

loading  

In 1886 krijgt het vreemdelingenverkeer naar Schier een impuls met de bouw van een strandhotel met zestig kamers. Tot dan heeft Schier slechts één pension. Johan Eric Banck, dan eigenaar van het eiland, steunt de bouw en laat op eigen kosten de Badweg aanleggen en bestraten. Daarnaast koopt hij een stoomradarboot die zomers tussen Groningen en het eiland gaat varen. Een ondernemer uit Zoutkamp vervult deze dienst tot 1906.

Het toerisme komt meer en meer op gang en de eilanders hebben baat bij de komst van de ‘vreemdelingen’. Het badhotel zit elke zomer vol. Vergeleken met Scheveningen staan de prijzen voor een bezoek aan Schier te boek als 'zeer billijk’. In 1912 wordt bij het hotel een boulevard met villa's aangelegd. Het hotel zelf stort in 1925 in, als gevolg van afslag van het eiland, maar er zijn dan al meer plekken waar badgasten kunnen verblijven.

loading

Bezoekers blijven terugkomen

Vanaf 1923 onderhoudt Rederij Doeksen de bootdienst tussen Terschelling, Vlieland en Harlingen; ’s zomers wordt er vanaf dan tweemaal daags heen en weer gevaren, waardoor het makkelijker wordt de eilanden te bezoeken. Vanaf 1947 bezoeken enkele jaren op rij 60.000 recreanten Terschelling. Volle boten varen op en neer.

Naarmate de eilanders zich, net zoals in andere gebieden gebeurt, meer toeleggen op toerisme als inkomstenbron, neemt het belang om zich te onderscheiden toe. Ze moeten inzetten op een verscheidenheid aan recreatiemogelijkheden en comfort en inspelen op veranderende behoeften. Want mensen uit Holland liggen goedkoper op hun eigen stranden.

loading

Gebieden die van toerisme afhankelijk zijn, hebben ook baat bij bekendheid en trouwe bezoekers. De Waddeneilanden hebben van ouds onderscheidbare bezoekersstromen. Zo komen er vlak na de Eerste Wereldoorlog arme Duitse katholieke kinderen aansterken op Texel en Ameland. ,,Later, na de oorlog, blijven hun families op eigen initiatief terugkomen. Tot vandaag aan toe, intussen de derde en vierde generatie’’, zegt Jacob Roep. ,,Zo komen er nog steeds veel Duitse toeristen naar Texel en Ameland en veel jongeren op Terschelling, op camping Appelhof bijvoorbeeld.’’

Zo ontwikkelt in Friesland het toerisme ook in de streek van Appelscha, die in de negentiende eeuw al veel bezocht wordt; mensen blijven terugkomen en ondernemers spelen op de bezoekersstroom in.

loading loading

Zeebad bij Hindeloopen

In Hindeloopen hopen ook veel middenstanders mee te profiteren als daar in 1912 een zeebad opent. Bij de opening van het tweede seizoen beschrijft een spreker de ontwikkelingen in het tussenliggende jaar: ,,De resultaten bleven dan ook niet uit. De kleine onderlinge badvereeniging achtte zich niet meer in staat de verplichtingen, die het drukke bezoek van vreemdelingen had opgelegd, goed na te komen. Ze werd omgezet in een N.V. die de zaken op royaler schaal zou aanvatten. Dat men daarin ten volle is geslaagd dat zal ieder gaarne getuigen die de berichten uit Hindeloopen in den afgeloopen winter en dit voorjaar heeft gelezen. Die getuigen alle van een opbloeiend leven op allerlei gebied. Er werd gebouwd en geschilderd, er werden Hindelooper costumes gemaakt en Hindelooper kamers ingericht, en last not least er werd gewerkt voor een betere badgelegenheid en een beter strandpaviljoen.’’

loading  

Grote plannen voor Gaasterland

In de negentiende eeuw zien steeds meer mensen brood in het opkomende toerisme. Zo ook de Haagse firmaleden van ‘Maatschappij Gaasterland’. Ze beheren de financiën van familie Van Swinderen van ‘huize Rijs’. Die bezit rond 1900 veel boerderijen, bos en landerijen in Gaasterland. De maatschappij mag dit bezit ‘verhuren, cultiveren en ontginnen op welke wijze, die de waarde zal kunnen vermeerderen en eindelijk ook de aanleg en uitoefening van of deelneming in spoor- of tramdiensten, fabrieken of andere ondernemingen, die aan de exploitatie bevorderlijk kunnen zijn’.

‘Ze moeten dollartekens in hun ogen hebben gekregen bij de gedachte dat ze zelf een badplaats kunnen creëren aan de Friese kust, in de buurt van het van oudsher populaire Rijs’, schrijft Van Zijverden. De maatschappij smeedt inderdaad grote plannen.

Daarvan komt uiteindelijk niet zoveel terecht. Het zijn anderen die succesvol inspelen op het toerisme in Gaasterland. Gerardus Jans koopt in 1923 het ‘Logement Schram’ en begint een goedlopende herberg, waaraan zijn naam verbonden blijft.

loading

In deze tijd wordt ook villa ‘Rijsterbosch’ als hotel ingericht. De vissers van Mirns varen in de zomermaanden toeristen rond en weldra zullen ook hier badgasten de stranden en daarna de campings vinden. Zo komt het opbloeiende toerisme langs de zuidwestkust tot wasdom.

Video's Fries Film Archief: Wadblik Special.

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct