Hoe Salo Muller (83) als kind in de Tweede Wereldoorlog naar Friesland werd gesmokkeld

Salo Muller, die in Friesland de naam Japje kreeg, als jongetje en nu.

Duizenden Joodse kinderen wachtten tussen oktober 1942 en september 1943 in de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam op hun deportatie naar de concentratie- en vernietigingskampen. Hooguit 10 procent werd weggesmokkeld naar onderduikadressen, onder meer in Friesland. Salo Muller (83) uit Amsterdam was een van die kinderen.

,,Vier dagen en vier nachten heb ik hier in een houten ledikantje op een slaapzaal vol kinderen doorgebracht. Ik huilde tranen met tuiten omdat ik mijn ouders niet mocht zien en het merendeel van de kinderen huilde ook.”

Salo Muller was 6 jaar toen hij in november 1942 in de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg terecht kwam. Zijn moeder had hem die ochtend naar school gebracht. ,,Tot vanavond. En lief zijn, hoor!”, had ze gezegd, waarna ze doorging naar haar werk in textielgroothandel De Vries van Buuren in de Jodenbreestraat. Daar stond een overvalwagen die alle Joden naar de Hollandsche Schouwburg bracht. Salo’s vader voegde zich later op de dag vrijwillig bij zijn vrouw.

,,Ik werd uit school opgevangen door een buurman, die me naar mijn oom en tante bracht. Daar was ook een razzia. Ik verstopte me achter een deur. Mijn oom en tante hoefden niet mee, omdat ze zeiden dat hun dochtertje roodvonk had. Er werd meteen een plakkaat ‘Nicht eintreten’ op de deur geplakt. Toen ik achter de deur vandaan kwam, waren ze nog niet weg en werd ik alsnog meegenomen. ,,Mitkommen!’’ Toen werd ik letterlijk in een overvalwagen gegooid die al vol andere mensen zat.”

In de Hollandsche Schouwburg zag Salo zijn ouders op het toneel staan. Zij zagen hem ook. Hij rende naar hen toe, maar juist toen hij het toneel wilde opklimmen, werd hij door een soldaat beetgepakt en door een verpleegster meegenomen naar de crèche aan de overkant van de straat. Hij heeft zijn ouders nooit meer gezien. ,,Als je op het toneel stond, was dat een teken dat je op transport naar Westerbork ging. Ze zijn diezelfde dag weggevoerd. Ze hebben negen weken in Westerbork gezeten. Mijn moeder is in februari ’43 in Auschwitz vermoord en mijn vader in april ’43.”

loading

Weggesmokkeld

Muller behoort tot de naar schatting zeshonderd kinderen die vanuit de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg naar onderduikadressen in heel Nederland werden gesmokkeld. Annemiek Gringold (53), conservator Sjoa van het Joods Cultureel Kwartier in Amsterdam, vertelt op de binnenplaats van het Nationaal Holocaust Museum aan de Plantage Middenlaan 27, om de hoek van dierentuin Artis in Amsterdam, hoe dat in zijn werk ging. ,,We staan hier op het schoolplein van de toenmalige Hervormde Kweekschool van Johan van Hulst. Deze schutting, nu een lelijke muur, is van ver na de oorlog, maar hij staat op de plek waar het gebeurde, de erfafscheiding tussen de tuin van de crèche en het schoolplein. Een muur met twee gezichten. Enerzijds een gevangenismuur voor kinderen die op deportatie wachtten, anderzijds een toegang tot een nieuw leven.”

Er moet volgens ooggetuigen deels een hek en deels een ligusterhaag hebben gestaan. ,,De kinderen werden eroverheen getild. Hier stond iemand van het verzet. De kinderen gingen via de fietsenstalling en de zijgang naar buiten. Bij de deur stond de conciërge, meneer Van Wijngaarden. Die keek of er een tram op de halte stond en de kust veilig was. Zodra er een tram stond werd het kind via de zijdeur aan de openbare weg overgedragen aan een koerierster. Van dat ene Joodse kind dat niet mocht leven werd je in een paar minuten een niet-Joods kind dat wel mocht leven.”

De gang is nog zoals hij toen was, met tegelwand en granito vloer. De tramhalte is er ook nog steeds. Gringold: ,,Ook die trams hadden twee gezichten. De Joden werden ermee aangevoerd en gedeporteerd door de nazi’s, maar ze vormden ook een dekmantel om kinderen ongezien weg te krijgen uit de crèche.”

De bewaking stond namelijk het grootste deel van de tijd voor de deur van de Hollandsche Schouwburg, aan de overkant op nummer 24. Vanaf de zomer van 1942 werden de opgepakte Joden van Amsterdam hier bijeengedreven, in afwachting van hun deportatie naar de kampen in Westerbork en later ook Vught. De Joodse acteurs en theaterpersoneelsleden waren op 20 juli 1942 van de ene op de andere dag werknemers van de Joodsche Raad die door de nazi’s was ingesteld om de deportatie te helpen coördineren vanuit wat zij in hun kille industriële jargon de Umschlagplatz noemden.

De theaterzaal is inmiddels afgebroken. Het is nu een binnenplaats met een herdenkingsmonument, dat bestaat uit een obelisk die op een Davidsster rust en tussen vier afgebrokkelde muurdelen staat. ,,Op deze plek voel je het gemis, het gat in de stad, de afwezigheid van tienduizenden vermoorde Joden.”

Een namenwand binnen herinnert blijvend aan de 104.000 Nederlandse Joden die werden omgebracht, van wie 102.000 in de vernietigingskampen.

Voor ongeveer 46.000 Joden begon die reis naar de dood in de Hollandsche Schouwburg. De zaal had achthonderd stoelen. ,,Regelmatig zaten er duizend mensen tegelijk. Er bestaat een factuur over vervoer van 1600 mensen uit de Hollandsche Schouwburg op één dag. Bij de razzia’s van 1942 kwamen er driehonderd, vierhonderd mensen tegelijk binnen. En in 1943 brachten de Jodenjagers uit het hele land mensen hierheen die ze in ‘de onderduik’ hadden opgepakt. Mensen moesten één, twee dagen wachten op hun deportatie, maar soms ook vijf of zes dagen en nachten. De omstandigheden waren erbarmelijk: nauwelijks sanitair, veel luizen, geen daglicht of frisse lucht.”

Onvoorstelbaar dilemma

Vanaf oktober 1942 werden de kinderen tot twaalf jaar na registratie van de ouders gescheiden en ondergebracht in een crèche aan de overkant. Walter Süskind, die aan het hoofd stond van de Joodsche Raad, en Henriëtte Pimentel, die leiding gaf aan de crèche, zetten het systeem op om kinderen weg te smokkelen. Maar alleen met instemming van de ouders. ,,Een onvoorstelbaar dilemma. Veel ouders wilden hun kinderen niet afstaan.”

Het gebouw waar de crèche tussen oktober 1942 en september 1943 was gevestigd werd in de jaren zeventig gesloopt. Er staat nu een kleurrijk gebouw van Aldo van Eyck, waar heden ten dage kinderopvang De Kleine Wereld is gevestigd. ,,Nauwkeuriger cijfers over hoeveel kinderen er gevangen zaten zijn er niet. Er zijn ook kinderen direct op transport gezet. We kunnen er vanuit gaan dat maximaal 10 procent van de kinderen gered is.”

Zo’n zeshonderd kinderen dus. Ook dat cijfer is niet nauwkeuriger te krijgen. Ze werden voor het overgrote deel gered door vier verzetsgroepen: de NV, het Utrechts Kinder Comité, de Trouw -groep en de Amsterdamse Studentengroep. Die laatste bracht de kinderen naar Friesland.

In de schouwburg zijn tweeduizend interviews met overlevenden te beluisteren. Wie ‘Friesland’ in de database intypt krijgt 189 hits. 189 persoonlijke verhalen waarin Friesland een rol speelt in het overleven van de oorlog.

De werkelijke realiteit van de gaskamers was nog niet bekend, maar dat doet niets af aan de ontreddering in de schouwburg. ,,Hier sloot het vangnet zich. Dat besefte iedereen hier. Je was je vrijheid kwijt, je huis werd leeggeroofd, je gezin werd uit elkaar gehaald, je moest je kinderen afstaan. Je had niks meer over je eigen leven te zeggen. Dat alles bedoeld was om je ook nog van je leven te beroven, wist je niet, maar dat doet niets af aan de angst die men hier gevoeld heeft. Er was totale paniek. Dat is de beklemming van deze plek.”

loading

Via de voordeur

Na vier dagen in de crèche werd Salo opgehaald. Anders dan de meeste andere kinderen die weggesmokkeld werden, verliet hij de crèche via de voordeur, waar hij opgevangen werd door zijn oom. ,,’s Avonds in het donker. Er was net weer een tram aangekomen. Het krioelde op straat van de soldaten en mensen die de schouwburg binnen moesten. Zo kwamen we onopgemerkt weg.”

Wat volgde was een tocht langs acht onderduikadressen. Heel veel van de kinderen die op deze manier de oorlog hebben overleefd, hebben zo’n onthechtende en traumatische reis langs soms tientallen volstrekt onbekende families moeten ondergaan. De kleine Salo zat op twee adressen in Amsterdam, in Amersfoort, in Zaandijk en in Koog aan de Zaan voor hij in Friesland terecht kwam op de boerderij van de familie Heddema in Ureterp. Later werd hij bij boer Wiegersma in Frieschepalen ondergebracht. ,,Een deel van zijn land was geconfisqueerd. Kamp Trimunt zat daar. Het was op de boerderij de hele dag een komen en gaan van Duitse soldaten.”

Inmiddels had Salo de naam Japje gekregen, sprak hij Fries, droeg klompen en een aaisikerspet en had leren melken. Ook van deze boerderij moest hij weg, want het werd te riskant met al die Duitsers op het hiem. Hij kwam weer in Ureterp terecht, ditmaal bij boer Vellinga. Hij noemde het echtpaar beppe en omke, net als de kleinkinderen. Als er mensen op visite kwamen moest hij zich in het kippenhok verstoppen. ,,Het was er eenvoudig. Een waterput en een húske buiten, een olielamp en een allesbrandertje. Ik sliep in de bedstee.”

Nog tot hun overlijden, begin jaren zestig, heeft Salo Muller contact gehouden met beppe en omke. Later zorgde hij ervoor dat zij postuum de Yad Vashem-onderscheiding voor Rechtvaardigen onder de Volken ontvingen. ,,Er kwam een hele bus met familie uit Friesland. Allemaal mensen die ik niet kende. Dat was heel emotioneel. Ook de man die mij elke keer ophaalde om naar een ander adres te brengen, ‘ome’ Piet Bosboom, heeft een onderscheiding gekregen.”

loading

Riskant

De tocht die de smokkelkinderen ondergingen was riskant. De trein werd te veel gecontroleerd, dus dat kon vanaf een gegeven moment niet meer. De boot over het IJsselmeer was ook niet zonder risico. Kleine kinderen konden zomaar iets zeggen wat hen verraadde. Ook zag de kapitein van de boot, de Jan Nieveen, steeds dezelfde jonge vrouwen andere kinderen naar Lemmer brengen en alleen terugkeren. Hij heeft nooit iets gezegd.

Een plaquette aan de gevel van de kweekschool herinnert aan, aldus het opschrift, al die duizenden die geholpen hebben Joden te redden. Op het voormalige schoolplein schetst Annemiek Gringold de betekenis van die plaats en de noodzaak om daar de geschiedenis te vertellen en te gedenken. ,,Deze muur, dit plein, is het verschil tussen leven en dood. Tussen er niet mogen zijn en er mogen zijn. Hier zie je medemenselijkheid, hoop. Dit is een plek waar wél om elkaar gegeven wordt.”

Ziekelijk

Na de oorlog ging was die voor de meeste overlevers nog niet over. Toen Salo door zijn tante werd opgehaald, was hij Japje geworden. Hij kon moeilijk aarden, terug in Amsterdam. ,,Ik stotterde, sprak alleen nog maar Fries en was ziekelijk. Ik werd een half jaar naar Zwitserland gestuurd vanwege mijn astma. Toen ik terugkwam sprak ik alleen nog maar Duits.”

Op zijn tiende ging hij voor het eerst naar school. Elke dag na schooltijd, van vijf tot zeven, kreeg hij bijles om de eerste jaren in te halen. Hij leerde snel. Werd fysiotherapeut van het succeselftal van Ajax en heeft ook nog eens Piet Bosboom mogen behandelen. De onthechting en de verlatingsangst heeft hij lange tijd niet achter zich kunnen laten. Vliegreizen voor verre uitwedstrijden van Ajax vond hij vreselijk en overleefde hij op pillen. Pas toen hij zijn ervaringen had opgeschreven in een boek kon hij er wat meer afstand van nemen.

Annemiek Gringold kent deze impact van de Sjoa op de Joodse gemeenschap tot op de dag van vandaag. ,,We vieren straks 75 jaar vrijheid. Dat gaat niet alleen over vrij zijn van de bezetter, het gaat ook over vrij zijn van vervolging. Verreweg de meeste Joden mochten niet bestaan en werden gedood.”


De Terugkeer van de Joodse Kinderen is een samenwerkingsproject van Stichting De Verhalen, Leeuwarder Courant, Friesch Dagblad, Omrop Fryslân en Tresoar. De provincie Fryslân verleent subsidie. Kernredactie: Gerard van der Veer, Karen Bies, Marja Boonstra, Martijn van Dijk, Wybe Fraanje.

Tips: info@joodsekinderen.nl of 058-2997799

www.joodsekinderen.nl

Smokkelbern

Stichting De Verhalen is de drijvende kracht achter het project De terugkeer van de Joodse Kinderen, de theaterproductie Smokkelbern, die 15 april in Amsterdam in première gaat, en de Onderduikdagen van 1-3 mei, wanneer de kinderen van toen terugkeren naar Friesland.

loading