U it eten bij de Griek, de Koreaan, de shoarmatent, de Mexicaan, de tapastent, sushi… Je kunt moeiteloos de wereld rond eten, vandaag de dag. Ooit was dat niet zo, was het Chinees-Indisch specialiteitenrestaurant het enige culinaire venster op een ander werelddeel.

Even terug naar de jaren zestig, naar het kleine Gaasterlandse dorpje waar ik opgroeide. Gingen we winkelen in Sneek, het hele 4-koppige gezin in de glimmende Ford. Mijn moeder nam dan een pan mee, en die liet ze vullen bij de Chinees. Moet haast wel Sing King Ling zijn geweest, de eerste Chinees in Sneek, aan de Leeuwenburg.

Een warme pan met nasi goreng, op de achterbank. (en gebruikte groenteblikjes met saté volgens mijn oudere broer, maar die herinner ik me niet). Ik weet dat ik het heerlijk vond, die gebakken rijst met spikkels groente en vlees, met die exotische, licht pikante smaak – die je nog aardig kon ophalen met de bijgeleverde sambal.

Nasi goreng van de Chinees – nog steeds vind ik dat een van de lekkerste dingen die er zijn. Ik kan een aardig potje koken, maar die typische Chinees-Indische smaak krijg ik maar niet tevoorschijn getoverd.

Van nasi naar sushi

Zulke restaurants hebben het lastig in tijden van toegenomen globale concurrentie. Toch zijn er weinig grotere dorpen zonder. Sommige Chinezen gaan, noodgedwongen of op aandringen van de opvolgende generatie, de weg naar wokrestaurant, all you can eat -formule of sushitent. Bij Kota Radja in Burgum (originaliteit in namengeverij in deze sector is ver te zoeken, het andere Chinese restaurant hier heet De Chinese Muur) gelden die laatste twee zaken. Aan de inrichting van de eetzaal voorin is die sushi-insteek al te merken: niet dat ouderwetse rood-zwarte met Chinese lantaarns en zo, maar Japans-achtig wit met kersenbloesems op het behang.

Sushi is hier de standaard-modus, blijkt uit het menu en de kommetjes sojasaus op tafel. Maar we komen voor de traditioneel Chinees-Indische keuken, en dus komt de klassieke menukaart op tafel. Om zoveel mogelijk evergreens van die keuken te proeven nemen we elk een rijsttafel: Indisch voor mijn gast, Chinees voor mij. Voorafgegaan door een soepje: welgevulde kippensoep en dito tomatensoep, met een mooi gedoseerde zoetzure toets.

loading

Babi pangang en foe yong hai

Bij beide rijsttafels zit babi pangang, foe yong hai en saté babi, dus erg strikt is die scheiding niet. Wat niet verrast als je de geschiedenis van de Chinees-Indische cuisine kent.

Volgens sommigen zou babi pangang zelfs pas in Nederland ontwikkeld zijn, toegesneden op de smaak van de burgerij hier. Maar historisch onderzoek toonde aan dat het voor de vorige eeuwwisseling al in Indië op de menu’s stond. Het zou rechtstreeks afstammen van een typisch Chinees gerecht: siu yuk, geroosterd varkensbuikspek.

De overkant heeft er witte rijst bij, ik koos natuurlijk voor nasi als begeleider. Die mist een beetje de wauw-factor die ik al meer dan een halve eeuw zoek. „Had je maar nasi goreng moeten bestellen, met ham en ei en alles”, sneert de mee-eetster. Intussen is de tafel volgeladen met allerlei lekkers, in metalen bakken die bij de overkant associaties met ziekenhuis-eten oproepen. Die zijn snel weg wanneer we vork en eetstokjes aan het werk zetten.

Al klaagt mijn immer kritische gast over de ietwat lauwe temperatuur van het gebodene, we eten onze buikjes smakelijk vol. Die babi pangang is hier niet meer van spek gemaakt maar van ander varkensvlees, lekker knapperig geroosterd en met het bekende sausje.

Aandacht voor detail

Voor die volle kar aan onze tafel wordt uitgeladen, roert de alerte serveerster zich. Bij de koe loe kip zit een verkeerd sausje, legt ze uit, waarna ze prompt een nieuw schaaltje brengt. De saus kent dezelfde vruchtjes uit blik, maar is gelig in plaats van roodachtig. Toch: we waarderen die aandacht voor het detail. Koe loe kip is de kipvariant van de bekendere koe lo yoek, met varkensvlees: een prima sponzig deegjasje om het vlees, dat aardig harmonieert met het zoetzuur van het sausje.

Het garnaaltje in deeg verwachten we eerder bij de borrel. Maar het stokje saté en de bijbehorende pindasaus smaken best, de foe yong hai is een prima gevulde omelet. Mijn tjap tjoy is eerder een losse verzameling groente dan het soepachtige gerecht dat je zou verwachten, maar met vitamientjes en vezels komt het zo toch nog goed. Het stoofvlees dat tafelgenote aantreft moet de lembu Bali zijn: varken en rund, plezierig gekruid.

Troostrijk bekend

Na afloop neemt de dame thee, ik kies voor ijs. Twee bolletjes vanille-ijs, een flinke dot slagroom en, voor de knapperigheidseffecten, wat verkruimelde bastognekoek. Heel basaal, wel lekker. Dat geldt voor ons hele maal: niks geen verrassingen maar bekende zaken op tafel, wat juist reuze troostrijk kan zijn. Mooi degelijk uitgevoerd en zonder kapsones op tafel gezet.

Kota Radja heeft echt een plek in de Burgumer gemeenschap, zien we op deze vroege zondagavond. Menige afhaler paradeert langs het raam met de maaltijd verpakt in plastic en papier. Qua duurzaamheid was mijn moeder met die pan haar tijd vooruit.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Friesland
Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct