Wietske Werkman met een foto van haar geliefde Bregt Hoekstra. Links Bregts zusje Froukje, rechts haar moeder Bonny.

Het komt goed: het aangrijpende coronaverhaal van Bregt en Wietske

Wietske Werkman met een foto van haar geliefde Bregt Hoekstra. Links Bregts zusje Froukje, rechts haar moeder Bonny. Fotograaf: Rens Hooyenga

Wekenlang lag Bregt Hoekstra (47) uit Ureterp met corona op de intensive care. Toen alle hoop vervlogen leek, keerde het tij. ,,Zou ze me gehoord hebben?’’

‘Ik ben Bregt Hoekstra. Ik ben een stoere vrouw en woon samen met mijn vrouw Wietske (…) Ik ben iemand met ongelooflijk veel humor. Als ik binnenkom, dan is er meteen een fijne, vrolijke sfeer. Ik ben een familiemens en een gezelligheidsdier.’

Naast deze tekst, uitgeprint op een A4’tje en opgehangen aan een wand op de intensive care van ziekenhuis UMCG in Groningen, staat een foto.

Een vrouw op een terras, zo lijkt het. Kort, opgeschoren krulhaar. Achter de glazen van een robuuste bril straalt de blik van iemand die net een schuine bak heeft verteld, en niet kan wachten er nog één te tappen.

‘Mijn werk is mijn passie, ik werk met kinderen met een verstandelijke beperking en moeilijk verstaanbaar gedrag. Ik hou ontzettend veel van muziek, en dingen met de familie doen, zoals BBQ’en in de tuin.’

Op het ic-bed naast de wand met het geplastificeerde vel, bevindt zich het lichaam van een vrouw. Het is op de buik gedraaid. Haar hoofd opzij, een arm voor zich uit. Een slang voor de beademing steekt uit haar keel.

Het is half mei en Bregt Hoekstra slaapt.

Ze slaapt al weken.

***

Het was op de eerste zondag van april, dat Wietske Werkman (48) zich een beetje gek voelde.

Ze had vrijdag een nachtdienst gedraaid in het zorgcentrum waar ze werkt. De dag daarop kluste ze met haar één jaar jongere geliefde Bregt in de tuin van hun twee-onder-een-kapwoning in Ureterp.

In de loop van de dag had Wietske wat hoofdpijn gekregen, maar dat kwam vast van de noeste arbeid, dacht ze. Vroeg onder de wol, nam ze zich voor, dat zou vast helpen.

Maar die zondag was het niet beter. Integendeel. ,,Het voelde anders dan griep. Ik hoestte niet. Had geen koorts. Wel hoofd- en spierpijn. En die vermoeidheid…’’

Positief

Omdat ze in de zorg werkzaam is, kwam Wietske de dag daarna meteen in aanmerking voor een coronatest. De uitslag was kraakhelder. Positief.

,,Ik ben nu eenmaal een positief mens.’’

Ja, nu, bijna twee maanden later, aan de keukentafel met schoonmoeder Bonny en schoonzusje Froukje, maakt ze er een grap van. Maar toen was dat wel anders.

Helemaal nadat al snel ook Bregt ziekteverschijnselen vertoonde. Het paar sloot de deur en trok zich terug in quarantaine, hopend dat de storm die in hun lijven woedde zou gaan liggen.

In het geval van Wietske, astmapatiënt nota bene, gebeurde dat na verloop van tijd inderdaad.

Maar haar partner zakte alsmaar dieper weg in een poel van futloosheid.

Wietske, opmerkzaam als ze als verpleegkundige is, vertrouwde de zaak niet en bracht de saturatiemeter en bloeddrukmeter in stelling, die ze thuis heeft liggen.

Bregts waarden logen er niet om. Zuurstofgehalte en bloeddruk kelderden. ,,Dit wie beslist net goed.’’

loading

Ambulance

Op paasmaandag gebeurde het onvermijdelijke. Een ambulance haalde Bregt Hoekstra thuis op, om haar naar ziekenhuis Nij Smellinghe in Drachten te brengen.

Vanuit de deuropening maakte Wietske een foto van het tafereel. Haar vrouw op een brancard, mondkapje voor, lege blik. Ze hielden zich allebei groot. ,,Het komt goed’’, riep Wietske Bregt nog na, maar nadat ze de deur achter zich dichtsloeg en het lege huis binnenliep, barstte ze onbedaarlijk in tranen uit.

Net als nu.

,,Toen ik die foto maakte, schoot mij door het hoofd: dit kon wel eens de laatste zijn. Echt. Ik zéi wel dat het goed kwam, heel vaak zelfs, ik stuurde haar zelfs een bordje met de tekst ‘Het komt goed’, voor bij haar bed. Maar heel diep van binnen had ik een ander gevoel.’’

***

Je geliefde door een ambulance opgehaald zien worden.

Er niet achteraan mogen rijden, er niet op bezoek kunnen, al wil je nog zo graag.

Alleen moeten zitten met je verdriet en je eenzaamheid, geen troostende arm mogen toelaten in je woning - hou maar op.

Met het wegrijden van de ziekenwagen brak een angstige, emotionele tijd aan voor het stel uit Ureterp.

Wietske voelde zich weliswaar steeds beter, maar moest zich voorlopig houden aan haar thuisisolement.

Zuurstof

Hemelsbreed 6 kilometer verderop raakte Bregt steeds verder verzwakt. Ze had steeds meer zuurstof nodig. Ze had goede dagen, of veinsde die.

Mem Bonny: ,,De zusters zeiden op een gegeven moment zelfs: we denken dat ze ‘de bocht’ heeft gemaakt.’’

Nou, niet dus.

Bregt toonde zich een meester in de schijn ophouden. Dan zat ze monter op een stoel op de verpleegafdeling, begon ze over koffie, maar achter die façade van stoerdoenerij school vrees.

Wietske voelde tijdens haar contacten met Bregt haarfijn aan dat het helemaal niet goed ging. Steeds vaker voelde Bregt zich te zwak om met haar te beeldbellen. Dan volstond ze met een appje met een betraande emoji . Of het korte bericht: ‘Ik wil hier weg.’

Bregt was bang. Bang voor de IC.

Vanaf het begin al, toen het virus nog honderden kilometers ver weg was.

Televisiebeelden

Wietske: ,,Dan keken we naar televisiebeelden van al die mensen op hun buik in zo’n ziekenhuis in Italië en zei ze: ‘Dat zal ík toch niet krijgen? Zo kom ík er toch niet bij te liggen?’’’

Zus Froukje: ,,Heel gek, wij zagen die beelden natuurlijk ook wel, maar zij betrok dat enorm op zichzelf.’’

Wietske: ,,Alsof ze iets voorvoelde.’’

***

Twee weken na Bregt Hoekstra’s opname in Nij Smellinghe kreeg haar partner Wietske in Ureterp het telefoontje dat ze zo vreesde.

Een arts deelde mee dat Bregt in slaap zou worden gebracht. Alle inspanningen, al die apparaten, al dat extra zuurstof ten spijt, haar lichaam verloor steeds meer terrein op het virus. Wietske, zelf inmiddels genezen, mocht langskomen om afscheid te nemen.

Het was surrealistisch.

Veertien dagen lang hadden ze elkaar niet echt gezien. Niet aangeraakt. Niet geroken. En nu het dan weer mocht, was het misschien meteen voor het allerlaatst.

,,Daar zat ze. Op de rand van het bed, met de rug naar mij toe. Ik ben naast haar gaan zitten en heb mijn arm om haar heen geslagen. Ze was zo moe. Ze had er vrede mee. Ze zei: ,,Ik ben uitgestreden.’’

Wietske liep mee tot aan de deuren van de ic. Daarna ruimde ze Bregts kamer op, nam alle wenskaarten mee en reed naar huis, waar ze Froukje en Bonny inlichtte.

Die avond hoorde ze dat Bregt naar Groningen zou worden gebracht. Om half twee in de nacht berichtte het UMCG dat haar geliefde eindelijk ‘stabiel’ was.

‘Zorgelijk’, maar ‘stabiel’.

Wietske: ,,Het idee dat Bregt onder zeil was. Dat ze niet hoefde te vechten. Dat gaf op één of andere manier rust.’’

***

Plots wordt het gesprek met Wietske onderbroken. Haar telefoon gaat. Het is Bregt, vanuit Groningen. Wietske zet haar op de speaker, legt de telefoon op de tafel, zodat Froukje en Bonny kunnen meeluisteren.

Een fragiele, bijna fluisterende stem aan de andere kant van de lijn. ,,Ik ha krekt eefkes stien.’’ Het klinkt broos, maar trots. ,,Wolsto my myn sportskuon bringe?’’

Verbazing in Ureterp. ,,Dyn sportskuon?’’

Bregt, gortdroog: ,,Ja, sportskuon. Ik kin hjir dochs moeilik op sokjes troch de gongen fleane?’’

***

Met de verpleegkundigen in Groningen had Wietske de afspraak dat ze vanaf de tweede ic-week op bezoek mocht komen. Steeds op maandag en donderdag, hooguit een halfuurtje.

De eerste keer waarschuwde het ziekenpersoneel haar. Ze zou schrikken van Bregts aanblik.

Hoewel Wietske voorbereid was, viel het haar niet mee. ,,Maar je pakt haar hand en begint te praten. Je denkt: wie weet krijgt ze er toch iets van mee. En je neemt opnieuw een beetje afscheid. Want steeds vraag je je af: zou ze er donderdag nog zijn?’’

Die zorg was terecht. De artsen schetsten het beeld van een patiënt die heel erg ziek was. ,,Nóg een stapje achteruit kon gewoon niet. Alle apparaten stonden op maximaal.’’

Wietske moest er rekening mee houden, zo spraken de medici, dat ze Bregt zou verliezen.

Stoepkrijt

Na dat eerste ic-bezoek stuitte Wietske Werkman bij thuiskomst op een bijzonder tafereel. De buurt, onwetend van de precieze status van hun populaire buurvrouw, had met stoepkrijt levensgroot een tekst op het plaveisel gekalkt: ‘HOU VOL, BREGT & WIETSKE’. Om die boodschap kracht bij te zetten had de straat zich gezinsgewijs in plukjes rond die tekening verzameld.

,,Toen ik dat zag, brak ik. En die mensen zelf ook. Ik zei: ‘Bregt had dit heel mooi gevonden’. Maar ik vertelde ook eerlijk: ik weet niet of Bregt ooit weer thuis komt.’’

Iemand vroeg geschrokken of-ie de tekst er weer af moest spuiten.

,,Nee, zei ik. Dat hoefde niet. Het was zo lief bedoeld, maar de timing was zó heftig.’’

De tweede keer dat Wietske op de ic werd toegelaten, zeiden de verpleegkundigen in de gangen dat Bregt ‘er mooi bij lag’.

Wietske: ,,Nou, ik herkende haar haast niet.’’

Een paar dagen later bleek het nóg vervreemdender te kunnen. Bregt had al een paar dagen op haar buik gelegen. ,,Ik kon haar hand niet eens meer goed vasthouden. Zo stijf was die, van al het vocht.’’

loading

Berusting

Haar vrouw zo te zien, een lichaam, zo ver verwijderd van de grappige, lieve, bevlogen Bregt die ze kende, van de persoon die ze voor de verpleegkundigen zo gloedvol had omschreven op het A-4’tje aan de wand, vulde Wietske met pijn. En met berusting. ,,Ik dacht: meiske, als je wilt gaan, ga dan maar. Het is goed.’’

Het was in die tijd dat Wietske zich concreet begon voor te bereiden op een uitvaart. ,,Ik was al foto’s aan het uitzoeken.’’

Bonny: ,,Het was een zijden draadje.’’

Froukje: ,,Minder nog.’’

***

Juist in de periode dat de toestand van Bregt Hoekstra door uitzichtloosheid werd omgeven, veerde de maatschappij onder nieuwe perspectieven weer op. Scholen werden heropend, bedrijven ontgrendeld. Grafieken met dalende aantallen ziekenhuisopnames en coronasterftes voedden een algemeen gevoel van hoop.

Maar als Wietske de gunstige RIVM-berichten in de nieuwsbulletins hoorde, draaide ze de autoradio zachter. ,,Dan dacht ik: goh, minder mensen op de ic. Dat klinkt wel mooi, maar welke kant gingen die op?’’

Haar hoofd was bij Bregt.

En niet alleen het hare. De berichten over de gezondheidstoestand van hun dorpsgenoot, hielden veel Ureterpers bezig, bekenden en onbekenden.

Al in Drachten werd Bregt bedolven onder de wenskaarten, maar die poststukkenvloed duurde voort. Soms had Wietske geen idee wie de ondertekenaars van de warme boodschappen waren.

Confronterend

En als ze even het dorp in ging, hobbelde ze van praatje naar praatje. ,,Ik moest een keer naar de supermarkt voor wokgroenten. An-der-half-uur heb ik erover gedaan.’’

Niet alleen vermoeiend, maar ook confronterend. Want het nieuws dat ze belangstellenden mee te delen had, viel nooit mee.

Bregts zus Froukje meed anderen om die reden. ,,Ik wilde het huis liever niet uit.’’ En als ze dan toch naar buiten ging om een ommetje te maken, wandelde ze liefst zo snel mogelijk de bebouwde kom uit, de stilte in. ,,Het lukte mij gewoon niet om er zomaar met iemand over te praten. Het deed te veel zeer.’’

Bonny: ,,Bovendien: je kón niet aan de buitenwereld uitleggen hoe het was.’’

Froukje weer: ,,Het was ook zelfbescherming. Je wilde de lichtpuntjes die er waren ook niet te gauw met anderen delen, want elke keer kreeg je een klap, omdat het even later tóch weer tegenviel.’’

***

Kort na Wietskes derde, zo heftige bezoek aan de intensive care werd Bregt Hoekstra weer op haar rug gedraaid, een spannende aangelegenheid, vanwege het risico van complicaties.

Die keer bleek het de aanzet tot een onvermoed nieuw begin. Vanuit het niets, bijna. Alsof er na Wietskes woorden van berusting een zekere kalmte over haar slapende geliefde was gekomen.

,,Zou ze me gehoord hebben?’’, vraagt Wietske zich af.

Een dag na het draaien berichtte het ziekenhuis dat Wietskes geliefde ‘een goed dag had’. Ze putte moed uit die boodschap, maar rekende nergens op, bang dat haar hoop opnieuw gelogenstraft zou worden.

Maar een dag later kon Bregts medicatie worden afgebouwd. Nota bene op Hemelvaartsdag mocht de beademing eraf en lukte het haar om bevestigend te knikken.

Zorgelijk

Bregt was erg zwak, bijna te zwak om te huilen, toen Wietske aan haar bed verscheen. Wietske vertelde over Bregts neefje, Froukjes zoon. Hij had gezegd: ,,It makket my neat út hoe lang at ik tante Bregt net sjoch, át ik har mar wer sjoch.’’

Zeventien dagen en nachten had Bregt geslapen.

Zeventien dagen leegte.

Wekenlang had Bregts thuisfront het moeten doen met de kwalificaties ‘zorgelijk’ of ‘zeer slecht’, als ze artsen naar haar toestand informeerden. In de week na hemelvaart klonk er eindelijk een ander geluid.

Wietske: ,,Die arts zei: Bregt is heel, heel ziek geweest. Jullie hebben al die tijd tussen hoop en vrees geleefd.’’

En daarna: ,,Doe die vrees nu maar weg.’’

Het was tijd voor hoop.

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct