Makkerhulp van verzetslieden onderling was de reden voor de oprichting van de Stichting Friesland 1940-1945 op 6 mei 1946. 75 jaar later zijn direct verwanten van die makkers er bijna niet meer. De stichting gooit het roer om.

Het 75-jarig jubileum van de Stichting Friesland 1940-1945 wordt gezien als het slotakkoord van driekwart eeuw betrokkenheid bij de nazorg van het verzet. Stopt de stichting dan zoals in 1965 al eens werd overwogen? ,,Nee’’, zeggen voorzitter Gerk Koopmans uit Leeuwarden en penningmeester Piet Wijbenga uit De Valom. De taak van de stichting verschuift van nazorg naar voorzorg.

,,We gaan ons toeleggen op een fonds dat er voor moet zorgen dat breed de gedachte aan de Tweede Wereldoorlog levend gehouden wordt.’’ In de praktijk betekent dit dat de stichting financieel bij gaat dragen aan herdenkingen, toneelstukken, boeken, films of andere uitingen over de Tweede Wereldoorlog of projecten van het Verzetsmuseum.

De stichting droeg al bij aan het Bevrijdingsfestival en het Bevrijdingsconcert en blijft dat doen. Ook aan boeken werd al eerder meegewerkt, zoals recent het boek Luchtoorlog 40-45 o ver de luchtoorlog boven Leeuwarden en De mannen van de overval over de verzetsploeg die gevangenen bevrijdde uit de Blokhuispoort. ,,Documenteren, dat wordt ons doel met als achterliggende gedachte dat we altijd de ogen open moeten houden voor wat er in de wereld gebeurt. Welke processen er gaande zijn.’’

Koopmans en Wijbenga kijken terug op een lange periode waarin ‘Friesland 1940-1945’ ,,de belofte gestand heeft gedaan’’, zoals het jubileumboek in 1985 verwoordde. Of zoals het op het wandbord in het kantoor van de stichting op de Turfmarkt staat: ‘Gij bleef uw woord getrouw’. ,,Verzetsmensen beloofden elkaar onderling tijdens de oorlog al dat ze voor nabestaanden zouden zorgen mocht een verzetsman of -vrouw omkomen. We hebben het dan over de zorg voor hun weduwe of weduwnaar, de kinderen of de ouders.’’ De nagelaten betrekkingen heet dat in de woorden van de stichting. ,,Overal in het land is deze belofte gedaan en overal is woord gehouden.’’

Aparte rol

Friesland speelde daar wel een aparte rol in. De provincie werd op 15 april bevrijd en drie dagen later, op 18 april, werd de Vereniging Friesland 1940-1945 opgericht. Iedereen die bij het verzet betrokken was geweest, kon lid worden. ,,Het was een nogal gemêleerd gezelschap’’, merkt Koopmans op. Alle politieke gezindten zaten erin. Het scala liep van communist tot zwaar gereformeerd, want uit al deze hoeken waren mensen actief geweest in het verzet.

Om deze vereniging met vrijwilligers de taak te geven het geld te gaan verdelen over de nagelaten betrekkingen leek niet verstandig. Daarom werd op 6 mei 1946 de Stichting Friesland 1940-1945 opgericht. Sneek ging niet mee en richtte al eerder een eigen Stichting Sneek 1940-1945 op. De beide Friese stichtingen zijn altijd apart blijven bestaan naast de landelijke Stichting 1940-1945.

Dat had twee redenen, vertellen Koopmans en Wijbenga. In Friesland werden eigen succesvolle acties gehouden, zoals een zegelactie en collectes, en was ook tijdens de oorlog al binnen het verzet geld gespaard om na de oorlog de nagelaten betrekkingen te kunnen verzorgen. Er werd destijds 5 miljoen gulden ingezameld. Dat geld, waarvan nu nog de revenuen worden geplukt, moest in de provincie blijven. Bovendien moest de hulp dichtbij blijven, memoreert Koopmans. ,,Dat werkte, een weduwe hoefde maar te bellen naar de stichting, daar was ze bekend en werd ze geholpen.’’

De pot werd ook gevuld met ,,fout geld’’, vertellen de twee. ,,Dat was afkomstig uit de zwarte handel in oorlogstijd. Mensen die dat zwarte geld bezaten, konden hun geweten sussen door het aan de stichting te schenken.’’ Na onderzoek werd vastgesteld dat in Friesland 289 mannen en 1 vrouw waren omgekomen ten gevolge van hun betrokkenheid bij het verzet. De hulp startte in 1946 aan 327 personen, van wie 116 volwassen waren en 211 wees. Kinderen konden tot hun 21ste steun ontvangen.

Overigens bestond die steun niet alleen uit geldelijke toelagen. Ook sociaal-maatschappelijk stond de stichting klaar voor ondersteuning. Er waren maatschappelijk werkers in dienst, er moest een administratie bijgehouden worden en er kwam personeel dat uit moest zoeken of nabestaanden terecht een beroep deden op hulp. Was hun familielid daadwerkelijk door betrokkenheid bij het verzet omgekomen en waren de hulpvragers zelf van onbesproken gedrag.

In totaal werden 1100 dossiers aangelegd. ,,In samenwerking met Tresoar willen we deze gaan digitaliseren. De financiële omstandigheden halen we eruit, maar de rest levert een fijnmazig netwerk aan informatie op over het verzet. Namen en plaatsen worden dan allemaal toegankelijk.’’

Wasmachine

Voorbeelden van verleende hulp sommen de beide bestuursleden zo op: vervanging van een kapotte wasmachine, de kamer behangen, helpen bij vervoer en het in de beginjaren daadwerkelijk uitkeren van pensioenen. Dat werd later overgenomen door het Rijk met de Wet Buitengewoon Pensioen. ,,We hielpen ook als er problemen waren met het ouderlijk gezag. Er waren natuurlijk heel veel kinderen die zonder hun vader opgroeiden.’’

Ontzorgen, dat wilde de stichting doen, en dat ging best ver. ,,De weduwen werden in de watten gelegd.’’ Als voorbeeld noemen Koopmans en Wijbenga het vakantieverblijf van de stichting, De Terrorist op Ameland. In deze oude Duitse barakken konden gezinnen van een complete vakantie genieten. ,,Er was een heel programma op het eiland en de gezinnen werden met een bus naar de boot gebracht.’’

Grote samenbindende factor werd de jaarlijkse contactdag in schouwburg De Lawei in Drachten. De grote zaal werd gehuurd, artiesten traden op. ,,Daar werd nooit gesproken over de oorlog. Daar moesten we de mensen niet mee vermoeien. We zorgden ook dat de sprekers op die dag andere onderwerpen hadden’’, legt Wijbenga uit. Zo was het ook met de boottochten die de stichting organiseerde. ,,Ik zie de mensen nog zitten in de zon op het dek. Ze genoten.’’

Logischerwijs liep het bestand aan nagelaten betrekkingen terug. In 1960 waren het er nog 207, in 1980 185, in 2000 132, in 2005 89 en inmiddels staat de teller op 18, van wie een aantal hoog in de negentig is. ,,Als we nu een contactdag organiseren, zijn er nog maar een stuk of vijf in staat om te komen. Dan zijn er meer bestuursleden en vrijwilligers in touw dan het aantal mensen dat we ontvangen. Dat is de reden om te stoppen met deze activiteiten.’’

Dankzij professor Bastiaans kwam er in de jaren zeventig een opleving in de aantallen. Hij toonde aan dat invaliditeit als gevolg van de oorlog ook jaren later op kon treden. Dit verschijnsel werd bekend onder het KZ-syndroom (Konzentrationslager). ,,We hebben het dan over mensen die jaren na de oorlog ineens slecht sliepen of niet meer goed functioneerden op hun werk’’, geeft Koopmans als voorbeeld.

Daar kwam bij dat de bewijsvoering werd omgedraaid. Moest iemand aanvankelijk zelf aantonen dat de klachten die deze persoon had of de medicijnen die geslikt werden een relatie hadden met het leed uit de oorlog, later moesten de uitkeringsinstanties aantonen dat er geen verband was, als ze iemand af wilden wijzen. Het zorgde voor meer mensen die zich meldden voor hulp en bijstand.

Gedenkzuilen

Een extra taak die de Friese stichting op zich nam, was het plaatsen van gedenkzuilen bij graven van omgekomen verzetsstrijders mits de familie daar prijs op stelde. Daarvan verschenen er tachtig verspreid over de diverse begraafplaatsen. Begin jaren negentig ontdekte de stichting dat steeds meer van deze toortsen er verwaarloosd bij stonden. Het onderhoud is toen bij Provinciale Waterstaat ondergebracht. Wijbenga is met anderen vervolgens drie jaar intensief bezig geweest om ook de graven zelf op naam van de stichting te krijgen. ,,Dat is gelukt. Ze zijn nu ons eigendom en met Provinciale Waterstaat is afgesproken dat zij de zuilen ‘tot in lengte van jaren zullen onderhouden’.’’

Onlangs werd nog een nieuwe zuil geplaatst. De weduwe van deze verzetsman koos ervoor geen zuil te laten plaatsen omdat ze de verzetsperiode achter zich wilde laten. Later bleek haar zoon wel prijs te stellen op dit ereteken. ,,Zo komen er ook nog oorlogsmonumenten bij, zoals in 2016 een plaquette in De Valom en onlangs een monument in Langezwaag’’, weten Koopmans en Wijbenga.

Het toont volgens hen aan dat de oorlog ook nu nog volop leeft. ,,Kijk maar naar de scholen die allemaal een oorlogsmonument geadopteerd hebben, naar de opkomst van bevrijdingsfestivals en naar onze eigen Friese bevrijdingsdag op 15 april. Op die manier de herinnering levend houden, dat wordt de nieuwe toekomst van onze stichting.’’

Een kistje met verdriet

loading

Eén van de ‘nagelaten betrekkingen’ van omgekomen verzetsmensen uit de Tweede Wereldoorlog was Trijntje Hof, die als weduwe achterbleef. Haar zoon Klaas Koopman is nu zelf actief voor de Stichting Friesland 1940-1945.

Drie maanden was Klaas Koopman uit Leeuwarden toen zijn vader op 17 maart 1945 met negen anderen door de Duitsers uit de Heerenveense gevangenis Crackstate werd gehaald en bij Doniaga werd gefusilleerd. Een wraakactie van de bezetter omdat twee dagen eerder twee van hun mankrachten omgekomen waren bij een vuurgevecht bij de boerderij van Schotanus in Doniaga.

De toen 28-jarige Albert Koopman hield zich in het verzet bezig met het verdelen van gedropte wapens en was wapeninstructeur. Hij zat vast nadat de Duitsers een inval in zijn woning in Echtenerbrug deden. Met het vuurgevecht in Doniaga had hij, net als de andere gefusilleerden, niets te maken. Ook zijn zwager Wiepke Hof, de broer van zijn vrouw, werd doodgeschoten.

De toen 36-jarige Trijntje Hof verloor dus niet alleen haar man, maar ook haar broer vlak voor het einde van de oorlog. Ze bleef achter met drie kinderen van 0, 1 en 4 jaar. Bij haar moeder kon ze niet terecht voor hulp, weet zoon Klaas. Die was te geschokt door het verlies van haar zoon Wiepke. Hulp kwam er wel van de Stichting Sneek 1940-1945, die altijd naast de Friese stichting bestaan heeft en hetzelfde werk deed.

De meest concrete hulp die Koopman kan noemen is de financiële ondersteuning bij het kopen van een huis in Leeuwarden. Toen Klaas zestien was verhuisde hij met zijn moeder van Echtenerbrug naar de Friese hoofdstad. Zijn broer en zus waren al het huis uit. ,,Zonder het geld van de stichting had mijn moeder nooit een huis kunnen kopen.’’ De stichting betaalde ook haar uitkering tot die door het Rijk werd overgenomen.

Op financieel gebied was er ook ondersteuning bij het betalen van de opleidingen van de kinderen. Zo wilde Klaas’ broer aanvankelijk machinist op zee worden en was voor deze opleiding een kostuum nodig. De Sneker stichting stond het gezin verder in raad en daad bij bij het bepalen van de studiekeuze. ,,Ik was als puber niet makkelijk voor mijn moeder. Op pad met de motor en dan te laat thuiskomen. Ook spijbelde ik als mijn moeder een tijd naar haar zus in Amsterdam ging en mij alleen thuis liet. Dan werd ze bij terugkomst gebeld of ik ziek was. Op opvoedingsgebied kreeg ze ook hulp van de stichting.’’

Vakantiehuis

Wat Koopman het meest bijstaat, waren de vakanties, uitjes en bijeenkomsten. Vanaf zijn derde ging hij mee naar vakantiehuis De Terrorist op Ameland. Dit vakantiehuis was door de stichting aangekocht om vrouwen en kinderen die hun man en vader tijdens de oorlog verloren hadden tot rust te laten komen. Het waren oude barakken van de Duitsers. Koopman bracht er meerdere vakanties van 14 dagen door samen met andere getroffen gezinnen. ,,We werden met een taxi van huis gehaald en naar Holwerd gebracht.’’

Die taxi reed ook voor als het Sinterklaas was en de gezinnen werden getrakteerd op een sinterklaasfeest in Leeuwarden. ,,Zo was er met Kerst ook altijd een attentie.’’ Het gezin werd toch al niet vergeten want Trijntje Hof had gedurende de oorlog onderduikers in huis die haar na de oorlog zo dankbaar waren dat ze geregeld iets stuurden, inclusief cadeautjes voor de kinderen. ,,Toen mijn moeder niet meer in staat was mee te gaan naar bijeenkomsten, kreeg ze op zulke dagen een bloemenbon. De stichting bleef haar altijd trouw bezoeken.’’

Dat bezoekwerk en vrijwillig helpen bij contactdagen en boottochten van de Stichting Friesland 1940-1945 doet Koopman sinds 2000 toen hij stopte met de winkel op de Oosterstraat die hij samen met zijn vrouw Corjanna Koopman-De Weert runde. Ze verkochten spullen voor tekenen, schilderen en handenarbeid. ,,Het begon met twintig adressen. We rijden ook veel voor deze mensen. Halen en brengen als dat nodig is. Nu heb ik er nog maar zo’n vijf over. De anderen zijn overleden.’’

Corona maakte het bezoekwerk nog moeilijker. Koopman begrijpt dat de stichting stopt met de activiteiten voor de ‘nagelaten betrekkingen’. ,,Maar ik weet dat de nabestaanden het heel erg vinden. Ze keken heel erg uit naar de boottocht en het samenzijn in het najaar in De Pleats in Burgum. Net als naar de grote contactdag in De Lawei in Drachten. Dat waren feestjes voor hen.’’ De contacten met zijn laatste adressen zal hij zeker houden.

Verdriet

Over het verlies van zijn vader werd nooit meer gesproken, vertelt Koopman. Zijn moeder kropte haar verdriet op. Ze overleed in 1998. De laatste jaren van haar leven was ze dement en kwam alle woede en frustratie er toch nog uit. ..Ze kon heel ongeremd en agressief zijn.’’

Koopman heeft zijn vader nooit gekend. Toch kwam alles dichterbij toen hij het ,,kistje met verdriet’’ van zijn moeder opende. Daarin had ze correspondentie en spulletjes van haar man bewaard. ,,Ik moest voor schilderles iets meenemen dat emotie opriep.’’ Uiteindelijk schilderde Koopman zijn vader na van een foto. Het schilderij hangt nu in de woonkamer.

,,Ik vond ook brieven van mijn vader vanuit Crackstate. Lieve vrouw en kinders, staat erboven.’’ Dat emotioneert Koopman, evenals de oproep in de laatste brief voor zijn dood. ,,Kunnen jullie voor tabak zorgen, veel tabak, niet te weinig.’’

Je kunt deze onderwerpen volgen
Friesland
Tweede Wereldoorlog
Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct