Een huis voor Rifka, het meisje dat de oorlog overleefde

Antje Talsma-Broersma (rechts), kleindochter van Willem en Antje de Boer en nichtje Hotske Broersma voor huis Rifka in Koudum. FOTO SIMON BLEEKER

Op een witte gevel aan de Zwarteweg in Koudum hangt sinds jaar en dag een bordje met de naam van het huis: Rifka. De familie De Boer, die hier in de oorlog woonde, heeft het huis destijds vernoemd naar het meisje dat hier als peuter de oorlog overleefde. ,,Eigenlijk heb ik heit en mem altijd als mijn eigen ouders beschouwd.”

, ,Het was een klein paradijsje, maar in een moeilijke tijd”, zegt dat meisje van toen, Rebecca Bitterman-Krzywanovski (78). ,,Er was geen stromend water, het toilet was een ton, maar ik was gelukkig. Op zondag zaten we in de goede kamer, dan speelde heit accordeon.’’

loading  

,,Ik ben daar opgevoed als geliefd kind. Ik was er twee jaar, van anderhalf tot drieënhalf. De belangrijke formatieve jaren waarin de hechtingscontacten worden gelegd. Ik noemde Willem en Antje de Boer ‘heit en mem’. Eigenlijk heb ik hen altijd als mijn eigen ouders beschouwd.”

Op haar geboortebewijs staat haar Hebreeuwse naam Riwka, die soms als Rivka of Rifka wordt geschreven, maar haar familie en vrienden noemen haar Rebecca. Bij heit en mem en hun dochters Aukje en Wieke heeft Rebecca het goed gehad.

,,Het waren goede christelijke mensen. Ik werd in het trouwboekje ingeschreven als hun eigen kind. Tinie de Boer heette ik. Ik sprak Fries. Ik herinner me nog een rijmpje: ‘Tinie de Boer, de soep is soer, de keallen poepe it lân oer’.”

Ze heeft nog levendige herinneringen aan de geluiden van die tijd. ,,Het geronk van geallieerde vliegtuigen. Het gekrijs van de varkens bij de buren, Watze en Baukje Draaijer. Ook goede, lieve, christelijke mensen. Zij hadden bessenstruiken op het erf die ik mocht plukken.”

Terwijl Rebecca Bitterman haar verhaal telefonisch vanuit haar huis in Jeruzalem vertelt, krijgt ze het af en toe te kwaad. ,,Het is voor mij moeilijk om het te vertellen. Al mijn vrienden en vriendinnen zijn ondergedoken kinderen, eigenlijk heeft iedereen van mijn leeftijd zo’n verhaal, maar anderen hebben het niet zo goed getroffen als ik.’’

,,Iedereen draagt heel veel bagage met zich mee. Ik heb geluk gehad. Ik wil dit vertellen omdat ik een warm hart heb voor Friesland en de Friezen. Op feestdagen hangen we de Friese vlag samen met de Israëlische vlag uit.”

Kruidenierswinkel

Rebe cca’s biologische ouders Hersz en Hella Krzywanowski, die in 1925 respectievelijk 1933 vanuit Polen naar Nederland emigreerden, runden een kruidenierswinkel in de Van Breestraat in Amsterdam. Toen er in 1943 een NSB’er en een Duitse soldaat aan de deur kwamen om het gezin op te pakken, huilde Hella omdat haar baby ziek was. ,,Dan laten we ze hier”, zei de Duitser, maar de NSB’er drong aan: ,,Ze staan op de lijst dus ze moeten mee.”

De soldaat hield vol. ,,Toen hij bij de deur was, draaide hij zich om en zei: ‘Leben Sie wohl’. Dit was een mens en geen monster. In eerste instantie heb ik mijn leven te danken aan die Duitse soldaat.”

De Krzywanowski’s beseften dat ze moesten onderduiken. Er kwam een jonge vrouw aan de deur, die Rebecca meenam om haar in veiligheid te brengen. Haar ouders vertrokken kort daarna. Maar vader Hersz keerde terug om de vergeten familiefoto’s op te halen en werd alsnog opgepakt. Hij werd op 43-jarige leeftijd vergast in Sobibor. Rebecca’s moeder Hella overleefde de oorlog in de onderduik in Elst.

,,Hoe ik in Friesland terecht ben gekomen weet ik niet. Ik heb het nooit gevraagd en het werd niet verteld. Er werd in Joodse families heel weinig over de oorlog gesproken. Ik moet per trein naar Enkhuizen gebracht zijn en vandaar met de boot over het IJsselmeer.’’

,,De moed van die mensen! Om een klein zwartharig, donkerogig kind mee te nemen naar het station, in de trein, de boot op. Dat is ongelooflijk.”

Vast staat dat de boot in Stavoren werd opgewacht door Willem de Boer, die met zijn paard-en-wagen smokkelkinderen in veiligheid bracht in de Zuidwesthoek. Hij en zijn vrouw hadden al besloten dat ze ook een kind wilden opvangen, misschien doordat in 1929 hun zoon Wouter na vier dagen in het kraambed was overleden.

,,Toen hij mij zag, zei hij: ‘Haar neem ik mee’. Thuisgekomen zei hij tegen zijn vrouw dat hij een cadeautje voor haar had: een Joods meisje. Ik ben daar altijd behandeld als het liefste kind.’’

Hoeveel kinderen Willem de Boer naar veilige adressen heeft gebracht is niet meer te achterhalen, vertelt zijn kleindochter Antje Talsma-Broersma (58) uit Koudum. ,,Hij ging dagelijks met zijn paard-en-wagen naar het station in Molkwerum en de haven in Stavoren om mensen op te halen. Daar hoorde ook het ‘gewone’ vervoer bij.”

Beppe Antje vertelde vroeger veel over de die tijd, zegt kleindochter Antje. ,,Willem reed eens met onderduikers onder een kleed in zijn kar toen hij aangehouden werd door de Duitsers. Hij riep van een afstandje dat hij tbc-patiënten vervoerde en toen mocht hij zonder controle doorrijden.’’

,,Rebecca was als een dochter voor ze. Dat zei ze altijd. Mijn grootouders zijn ook op haar bruiloft geweest. Er zijn geen familieleden meer die het persoonlijk hebben meegemaakt, maar het verhaal van Rebecca blijft levend in onze familie. Het is ook mooi dat de geschiedenis nog in beeld is op de gevel van het huis aan de Zwarteweg.”

Moeder

Na het geluk van die Duitse soldaat noemt Rebecca deze gelukkige onderduiktijd het tweede geluk in haar leven. ,,Het derde geluk is dat mijn moeder de oorlog overleefd had en erachter was gekomen waar ik was. Ze kwam met haar schoonzus naar Koudum, en ik keek hen aan, drieënhalf jaar oud, en wees mijn moeder aan. ‘Dat is myn mem’, zei ik. Ik had daar dus blijkbaar nog een herinnering aan.”

Toen kwam het afscheid van heit en mem. ,,Dat was het ergste. Ik moest huilen, en heit – een stoere Fries – stond ook maar in zijn ogen te wrijven. Terug in Amsterdam brak een moeilijke tijd aan. Ik sprak alleen Fries en mijn moeder verstond mij niet. We konden niet terug naar ons huis, want daar woonde iemand anders.’’

Er zijn negentig treinen vertrokken met honderdduizend Joden. Een handjevol kwam terug, maar niemand die een vinger voor hen uitstak. Mijn moeder begon een klein winkeltje in de voormalige Jodenbuurt, maar het hele Jodendom was weg; alle overlevenden hadden naasten verloren.”

In 1947 hertrouwde Hella met Izaak Keller, die zelf Auschwitz had overleefd, maar daar zijn vrouw en drie dochters had verloren. ,,Mijn vierde geluk: ik had een heel lieve tweede vader. Ik ging in die tijd heel vaak terug naar Koudum om te logeren. En toen ik kort na de oorlog in Amsterdam met oorontsteking in het ziekenhuis lag, riep ik om heit en mem. Toen zijn ze halsoverkop gekomen om aan mijn bed te zitten.”

Lo sser

Rebecca trouwde met Robert Bitterman uit Antwerpen. Robert en zijn zus en ouders, afkomstig uit Tsjechoslowakije, hadden de oorlog in Engeland overleefd. Het kersverse stel vestigde zich in Antwerpen.

,,De band met de familie De Boer en Koudum werd losser, maar we hebben altijd contact gehouden. Ik was te gast op de huwelijken van Aukje en Wieke en mijn dochter heeft nu contact met de kleinkinderen daar.”

Dat het huis in Koudum nog altijd de naam Rifka draagt is bijzonder. ,,Zo blijft de geschiedenis van dat huis in de herinnering en blijft men mij in Koudum ook herinneren. Twee jaar geleden is mijn dochter Miriam met haar gezin naar Koudum geweest om naar het huis te kijken. Onze andere kinderen willen ook een keer met hun gezinnen naar Friesland.”

Kleindochter Antje is twee keer bij Rebecca in Jeruzalem geweest, de laatste keer vorig jaar. ,,Toen zei ze nog hoe verschrikkelijk dankbaar ze is voor haar tijd in de onderduik”, vertelt Antje.

Zelf was Rebecca in 1998 voor het laatst in Koudum. Dat was ter gelegenheid van de uitreiking van de Yad Vashem aan Wieke en Aukje. De staat Israël onderscheidde Willem en Antje de Boer postuum als Rechtvaardige onder de Volken, op voorspraak van Rebecca. ,,Heel bijzonder was wat de locoburgemeester daar vertelde. Hij herinnerde zich dat zijn ouders in de oorlog zeiden dat er een Joods meisje bij de familie De Boer woonde. Toen hij ging kijken zag hij daar een meisje met zwart haar en een blauw jurkje aan. Dat was ik.”

loading  

In 1973 emigreerde het gezin Bitterman naar Israël. Rebecca studeerde Chinese kunstgeschiedenis en werd conservator Aziatische kunst in het Israël Museum. ,,Robert was mijn vijfde geluk. Mijn zesde geluk: onze drie kinderen en later negen kleinkinderen en inmiddels twee achterkleinkinderen. Denk je eens in hoe het is voor een volk dat altijd achtervolgd, verjaagd, vermoord is geweest, om dan je kinderen te zien opgroeien en overal succesvol terecht zien komen. Dat vervult ons met trots.”

Dat brengt haar op haar zevende geluk. ,,Dat we in Israël mogen wonen. We hebben er nog geen dag spijt van gehad. Hier zijn we gelukkig geworden en dit is ons thuis. Vroeger was ik de meest stille, introverte persoon die er is. Hier ben ik de persoon geworden die altijd verscholen heeft gezeten onder mijn oorlogservaringen.”