Architect Pierre Cuypers bouwde in Friesland zeven pronkkerken. Hij hielp ook veel monumenten redden, zoals de Leeuwarder Oldehove en de Bolswarder Broerekerk. Een gesloopte toren uit Franeker werd door hem herbouwd. Cuypers stierf precies een eeuw geleden.

,,Wat waren we verwonderd’’, schreef de Leeuwarder directeur gemeentewerken W.C.A. Hofkamp. In 1910 kreeg hij onverwachts bezoek in de Oldehove: ‘De bijna 84-jarige grijsaard klom met jeugdige krachten den toren op en af, zonder eenig bezwaar, en nam alles met zoo’n ijver en zoo nauwkeurig op, als dit menig jongmensch moeilijk gevallen zou zijn.’

Deze gast was de beroemde architect Pierre Cuypers. ‘Wat was het een aangename rondgang met zoo iemand, die uit eigen rijpe ervaring zoo enorm veel kan vertellen, waartoe hem elk voorwerp, elk onderdeel van den toren haast, aanleiding gaf’, schreef Hofkamp.

Cuypers mocht dan oud zijn, hij werkte nog altijd als rijksadviseur bij restauraties. Veel klussen werden verricht door zijn zoon Joseph, maar als het erop aankwam, verscheen de oude man zelf. Hij was invloedrijk in Den Haag.

Als Cuypers vond dat een oud gebouw gered moest worden, was de rijksoverheid meestal gul met subsidie. Leeuwarden had omstreeks 1905 serieus overwogen om de Oldehove af te breken, maar gelukkig kwam er restauratiegeld uit Den Haag, waardoor de toren er vijf jaar later weer piekfijn bij stond.

Cuypers als kerkenbouwer

Toen Cuypers in 1921 overleed, werd hij in alle kranten herinnerd als de man die het Rijksmuseum en het station van Amsterdam had ontworpen. Daarnaast was hij bekend om zijn vele katholieke kerken in het hele land.

In Friesland begon hij in 1867 met de kerk van Blauwhuis. Daarna volgden de roomse godshuizen van Dokkum (1870), Wytgaard (1871), Sneek (1872), Heeg (1876) en Nes (Ameland, 1878). De Leeuwarder Sint-Bonifatiuskerk werd in 1884 de kroon op zijn carrière in Friesland. Hij tekende ook het Leeuwarder Sint-Fredericusgesticht.

Dankzij zijn ontwerpen voor het Rijksmuseum (1876) en het Centraal Station (1881) in Amsterdam was hij toen al een landelijke beroemdheid. Voortaan gold hij als architect van indrukwekkende openbare gebouwen waar iedere Nederlander trots op kon zijn.

loading  

Ondanks al die roem was er ook veel kritiek. Veel protestanten waren namelijk boos over de katholieke wederopbouw in de negentiende eeuw. Lange tijd hadden de roomsen alleen nederige schuilkerkjes mogen bouwen, maar in de tijd van Cuypers kregen ze weer alle vrijheid: een kans die hij ten volle uitbuitte.

Het was beslist geen toeval dat de nieuwe Sint-Bonifatiuskerk in Leeuwarden de hoogste kerktoren van Friesland kreeg. Op veel plekken waar hij bouwde, beheersten de katholieken weer de skyline, behalve dan in Sneek. Daar werd het ingezamelde geld voor de toren later gebruikt voor een ander doel, namelijk de bouw van het Sint-Antoniusziekenhuis.

Modernere architecten vonden de pronkerige stijl van Cuypers maar niets. Zijn kerken worden overheerst door heiligenbeelden, kleurige versierselen en priegelraampjes. Zijn neohistorische stijl raakte later snel uit de mode. Bovendien waren zijn kerken duur in onderhoud en stookkosten.

In 1966 liet de parochie in Wytgaard haar kerk opblazen om er een modern gebouw voor in de plek te zetten. Rond 1970 wilden ook de Leeuwarder katholieken van hun Sint-Bonifatiuskerk af. Het was vooral aan niet-religieuze Leeuwarders te danken dat het godshuis toch behouden bleef. De spits woei in 1976 nog van de toren, maar het gebouw werd gered.

Van het Leeuwarder Sint-Fredericusgesticht tegenover De Blokhuispoort bleef alleen de spits bewaard, die nu in de nieuwe wijk De Klamp te zien is. De Sint-Clemenskerk in Nes brandde in 2013 af, maar werd herbouwd. De rest van Cuypers’ gespaarde gebouwen in Friesland staat er over het algemeen goed gerestaureerd bij. Tegenwoordig vinden veel mensen die sierlijke bouw weer prachtig.

Cuypers als redder

In zijn latere loopbaan liet Cuypers de architectuur van nieuwe gebouwen geleidelijk over aan zijn zoon Joseph. De oude baas wierp zich op het redden, herbouwen en restaureren van historische gebouwen.

,,Hij was goed bevriend met jonkheer Victor de Stuers’’, zegt architectuur-historicus Peter Karstkarel. De Stuers begon in 1867 een kruistocht tegen de afbraak van historische gebouwen in het hele land. Hij legde de eerste fundamenten voor monumentenbescherming.

Mede dankzij De Stuers zag Sneek ervan af om de Waterpoort te slopen. ,,Maar hij was ook bij veel andere projecten betrokken’’, zegt Karstkarel. De Stuers zorgde er in 1888 voor dat de historische kerk van Kollumerzwaag niet vernieuwd, maar hersteld werd. De in romaanse vorm herbouwde kerk van Drogeham uit 1877 is ook aan hem te danken.

Cuypers deelde zijn liefde voor oude bouwkunst en paste die volop toe in het Rijksmuseum. Nadat Groningen de historische Herepoort in 1878 gesloopt had, haalde Cuypers de brokstukken naar Amsterdam. In zijn museumtuin werden ze verwerkt in een nieuwe poort.

loading

Franeker sloopte in 1887 zijn oude Ockingastins aan de Voorstraat. Cuypers had belangstelling voor de oude traptoren en bouwde die opnieuw weer op, als onderdeel van het Rijksmuseum.

In 1875 werd Cuypers rijksadviseur voor de monumentenzorg, net als De Stuers zelf. In die rol kreeg hij te maken met verschillende Friese gebouwen, bijvoorbeeld de Broerekerk in Bolsward. Het was onvermijdelijk dat deze middeleeuwse kloosterkerk werd afgebroken, vonden de protestantse gebruikers in 1900.

Bijna gebeurde dit ook echt, maar het Friesch Genootschap protesteerde en schreef bezorgde brieven naar Den Haag. Dat leidde tot een grote restauratie. ‘Onder den bekwamen leiding van den rijksarchitect, den heer Cuypers uit Amsterdam, is deze eeuwenoude kerk als uit haren asch herrezen en thans een pronkstuk voor het oog’, schreef dagblad De Nederlander in 1907.

loading  

Een jaar later begon Cuypers zich ook te bemoeien met de Bolswarder Martinikerk. Hij vond het ,,doodjammer’’ dat werklieden hier de bepleistering terugbrachten op enkele buitenportalen. Hij regelde nieuw bouwhistorisch onderzoek, gevolgd door een sloop- en hersteloperatie, waarbij onbekende historische muurtekeningen werden ontdekt. Die waren eeuwenlang verborgen geweest.

Cuypers als leraar

Cuypers was in Friesland niet alleen belangrijk als kerkenbouwer en redder, maar hij hielp ook twee – toen nog onbekende – mannen aan een grote architectencarrière, vertelt Karstkarel, die dit gedetailleerd heeft uitgezocht. Het ging om Cornelis Peters uit Bolsward en diens jonge hulpje Nicolaas Molenaar uit Sneek.

Peters was opzichter bij de bouw van Cuypers’ godshuis in Blauwhuis en raakte later samen met Molenaar betrokken bij de bouw van de katholieke kerk in Sneek. Cuypers was erg tevreden over beide mannen en stimuleerde hen tot verdere vorming buiten Friesland.

loading  

Met groot succes: Molenaar bouwde zeer veel, bijvoorbeeld de Sint-Willibrorduskerk in Lemmer en het Sneker ziekenhuis. Peters ontwierp als rijksbouwmeester een lange reeks postkantoren. Denk bijvoorbeeld aan het sierlijke postgebouw aan de Leeuwarder Tweebaksmarkt (nu Post Plaza), de Harlinger Grote Bredeplaats en het Groninger A-Kerkhof.

Een ijdele man

Zoals veel grote architecten was Cuypers zeer eigenwijs en ijdel. Het Leeuwarder Nieuwsblad omschreef hem later als een ‘snaaksch man’, die merkwaardig uitgedost op de bouwplaatsen verscheen. Op latere leeftijd droeg hij graag medailles. In IJmuiden verscheen Cuypers bij een bijeenkomst zelfs in een galakostuum met een steek, een witte broek en een degen (slagwapen) aan zijn zij, tot verwondering van koning Willem III.

Van zijn zoon Joseph en ook van anderen duldde hij geen tegenspraak. Toen Cuypers in 1908 de Leeuwarder Oldehove – nog voor de restauratie – kwam bekijken, zag hij onmiddellijk dat dit een vijftiende-eeuwse toren moest zijn. De Friese historiekenner Pieter Boeles probeerde hem duidelijk te maken dat de toren pas in 1529 gebouwd was, maar Cuypers geloofde hier niets van.

,,Ook de ontdekking van renaissance-profielen mocht den bouwmeester van het Rijksmuseum niet van zijn stuk brengen’’, vertelde Boeles later. Uiteindelijk vertrok Hofkamp naar het gemeentearchief, om later terug te keren met een boek waarin het zestiende-eeuwse bouwcontract stond beschreven. Pas toen gaf Cuypers zijn ongelijk toe. Gelukkig verleende hij alle medewerking aan de latere restauratie.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Friesland
Fotoserie
Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct