Bijna ging het Friese statenjacht Friso met man en muis ten onder op de Zuiderzee. De kapitein van de veerboot Enkhuizen-Stavoren redde een eeuw geleden het leven van de commissaris van de koningin, zijn dochter, drie vriendinnen en de bemanning.

,,Een zuiverder zeemanstype is niet denkbaar: kort, krachtig, kerngezond uiterlijk, trouwe blauwe ogen, witte ringbaard, zeebeenen, waggelgang.’’ Egbert Oostinga, geboren in Garnwerd, was een beroemdheid op de Zuiderzee. Duizenden reizigers kenden hem als kapitein op de drukke veerboot tussen Enkhuizen en Stavoren.

Toen hij in 1923 met pensioen ging, verscheen in de Leeuwarder Courant een afscheidsinterview. ,,Als Groninger jongen ging hij reeds naar zee en den twaalfden Maart jongstleden werd hij zeventig, als kapitein van de veerboot Van Hasselt.’’ Dit was een schip met kuren, maar Oostinga was ze de baas geworden. In zijn handen was de Van Hasselt als ,,een lammetje zoo gedwee, zoo volgzaam.’’

De verslaggever vroeg of hij in al die jaren op zee nog iets bijzonders had meegemaakt. Jazeker: ,,Ik ben tweemaal in 1889 en onlangs in januari met een passagier minder aangekomen dan waarmee ik was uitgevaren.’’

Ook memoreerde hij hoe koningin Wilhelmina in 1903 de overtocht had gemaakt op zijn schip. Hij vertelde verder over de redding van ,,zeven schipbreukelingen bij Marken, die zes uur in een oopen boot hadden rondgezwalkt.’’

Natuurlijk kwam ook zijn bekendste redding aan bod, die iedereen zich nog kon herinneren uit de krantenverslagen. Op 10 juni 1921 redde hij namelijk het leven van de Friese commissaris der Koningin en vijf andere opvarenden van een omgeslagen zeilschip.

Die commissaris was Pieter Albert Vincent baron van Harinxma thoe Slooten (1870-1954), een ouderwetse bestuurder die 36 jaar lang aan het hoofd zou staan van de provincie. Het ambt van commissaris voelde toen nog als een adellijk privilege. Niet voor niets had de baron zijn vader in 1909 rimpelloos opgevolgd in die functie.

Beiden hadden een grote passie voor het water en de boeier Friso speelde hierin een grote rol. Vader Binnert Philip had dit vaartuig in 1893 laten bouwen in Joure en volgens krantenberichten gold dit als ,,een van de grootste, mooiste en ,,snelvarendste’’ boeiers van Friesland’’. Het schip was privé-eigendom van de familie en was formeel dan ook nog geen Statenjacht, zoals nu.

De Van Harinxma’s zouden de Friso intensief gebruiken op allerlei plezierreisjes. Zo ook in juni 1921, toen de commissaris een meerdaagse zeiltocht maakte over de Zuiderzee. Zijn dochter en drie van haar vriendinnen voeren mee. Verder waren aan boord de schipper en zijn knecht.

Nergens was de oversteek tussen Holland en Friesland zo kort als vanaf Enkhuizen. Toen het gezelschap op 10 juni 1921 naar Stavoren wilde reizen, leek er dan ook weinig aan de hand. Toch had de schipper beter moeten weten, schreef De Telegraaf later. Vissers in Enkhuizen hadden hem de overtocht namelijk afgeraden vanwege de riskante weersomstandigheden.

De zee maakte aan de kust echter een kalme indruk en het deftige gezelschap zag geen beren op de weg. De Friso koos dan ook het ruime sop en de opvarenden maakten zich op voor een snelle overtocht naar Friesland. Wat er daarna gebeurde, viel de dagen daarna in geuren en kleuren te lezen in vele kranten, die ieder een eigen lezing hadden.

,,Toen de veerboot R. van Hasselt gistermorgen ongeveer 20 minuten geleden de haven van Enkhuizen had verlaten, merkte kapitein Oostinga dat onder de Ven een zich op zee bevindende boeier in ongelegenheid verkeerde en even daarna omsloeg’’, zo schreef de Leeuwarder Courant een dag later.

,,Onder de Ven werd het schip door een zwaren bui overvallen, tengevolge waarvan door een hevigen rukwind de boeier omsloeg. Er werd in verband met den krachtigen wind met dichtgereefde zeilen gezeild’’, zo blijkt uit de verdere verslaggeving. De wind kwam uit het noordwesten.

Het Nieuwsblad beschreef het net even anders. Volgens deze krant zagen de opvarenden de overtocht niet meer zitten toen ze het Krabbersgat waren gepasseerd: ze besloten de koers te verleggen naar het oostelijker gelegen Lemmer.

De verandering van richting pakte echter rampzalig uit: ,,Bij het draaien van het roer kreeg een sterke grondzee vat op het schip.’’ De boeier sloeg om en iedereen greep zich vast aan het schip. De stroming was zo sterk dat de jonge vrouwen bijna wegspoelden.

loading  

Kapitein Oostinga reageerde snel, schreef de LC . ,,Onmiddellijk liet de kapitein twee stooten op de stoomfluit geven, ten teeken, dat een reddingssloep moest worden gestreken. De bemanning nam er in plaats en roeide op naar de schipbreukelingen, die zich nog in den boeier, welke op zijn zij lag, wisten te handhaven, hoewel de golven herhaaldelijk over hen heensloegen.’’

Toen de reddingsboot richting het zeilschip voer, keken de bemanningsleden hun ogen uit, schreef de Oprechte Steenwijker Courant : ,,Een van de dames zwom zelf naar de sloep. Ze kon het zelf wel af en riep de mannen op om de anderen te redden.’’

Dat was hard nodig: ,,Een van de jonge vrouwen kon de door haar toegeworpen lijn amper vasthouden. Ze werd bewusteloos aan boord van de sloep getrokken.’’ Ook de redders zelf hadden het lastig, blijkt uit de berichten: ,,Een der redders, een stoker van de veerboot, die met zijn hand tusschen de boeier en de reddingssloep beklemd geraakte, werd aan drie vingers ernstig gekwetst.’’ Hij moest later naar het ziekenhuis in Sneek.

,,Niet zonder groote moeite gelukte het, alle zeven in de sloep te krijgen en 32 minuten nadat het ongeval werd opgemerkt, waren de drenkelingen binnen boord van de Van Hasselt, waar zij alle mogelijke zorg ondervonden’’, aldus de LC . Volgens de NRC zou een van de jongedames aan boord zijn gekomen met in haar armen een stuk hout. Daarmee had ze zich drijvende weten te houden.

In 1960 verscheen in de LC een ingezonden brief van Anna Clara Electa Walburga barones van Harinxma thoe Slooten (1900-1976). Zij was de commissarisdochter, die de bijna-ramp nog uit eigen herinnering kon navertellen: ,,Aan boord bevonden zich drie vrouwen van mijn leeftijd ca 21 jaar, plus mijzelf’’, schreef zij. De veerboot voer dezelfde koers als het jacht van haar vader: ,,Dat maakte voor ons het levensbehoud mogelijk, daar men direct een reddingsboot streek en naar ons toeroeide.’’

,,Als ik het mij goed herinner, gaf de stuurman leiding.’’ Toen ze aan boord van de sloep zaten, dreigde alsnog een ramp: ,,Nog bijna allen werden vernietigd toen een gat in de railing werd geslagen bij een onzachte aanraking met de Van Hasselt.’’

,,Nooit zal men de dankbaarheid kunnen uitdrukken toen wij werden verzorgd door de kapitein, bemanning en passagiers.’’ Zij stonden spontaan kledingstukken af aan de drenkelingen, schrijft de baronesse. Met de drenkelingen veilig aan boord voer de veerboot door naar Friesland.

,,De boot kwam met een klein uur vertraging te Stavoren aan’’, volgens de LC . ,,Had de ramp 10 minuten later plaats gehad, dan zou het ongeluk van de veerboot af niet zijn opgemerkt en waren er zeker menschenlevens te betreuren geweest, daar sommige der schipbreukelingen reeds vrijwel uitgeput waren.’’ De commissaris liet twee auto’s ontbieden, die het gezelschap naar Leeuwarden brachten. Een van de meisjes lag de volgende dag nog uitgeput in bed.

Nog drie andere schepen waren naar de Friso gevaren, maar zij moesten van verder komen. Uiteindelijk voer sleepboot Gruno de haven van Enkhuizen uit om de boeier naar de havenstad te slepen. Het schip kon worden hersteld en bleef nog lange tijd in gebruik bij de familie, totdat zij er in 1937 afstand van deed.

loading

De boeier verhuisde toen naar Holland en kreeg de naam Lydiana. In de oorlog werd het schip door brand getroffen en vervolgens gerenoveerd. Daarna voer het rond als Jean Bart, in eigendom bij de directeur van chocoladefabriek Van Houten.

Commissaris Van Harinxma was de hele oorlog in functie gebleven, waarmee hij zich niet bij iedereen populair maakte. De baron was niet Duitsgezind, maar deed te weinig om de nazi’s te dwarsbomen, vond het verzet. Justitie greep in en de baron werd met eervol ontslag naar huis gestuurd, tegen zijn zin. De Van Harinxma’s waren hun belangrijke positie in het provinciebestuur hiermee voorgoed kwijt.

Toch kwam er op twee punten een soort eerherstel: het belangrijke Van Harinxmakanaal zou naar hem vernoemd worden. Verder zorgde een groot aantal Friese bedrijven en instellingen ervoor dat het oude familieschip werd teruggekocht en verheven tot statenjacht.

Dit gebeurde vooral om het varende Friese erfgoed te behouden, maar de gulle gevers maakten er ongetwijfeld ook een goede beurt mee bij het provinciebestuur. De overdracht vond plaats in mei 1954, waarna de baron de eerste vaartocht in Grou nog net kon bijwonen als eregast. Van Harinxma overleed enkele maanden later.

Zijn dochter woonde toen al niet meer in Friesland. Ze was jong getrouwd en verhuisd naar een landgoed in Utrecht. Hoe zij de redding van 1921 had beleefd werd in 1960 duidelijk dankzij de boze ingezonden brief van haar hand aan de Leeuwarder Courant. Zij reageerde hiermee op een publicatie in in Schuttevaer.

Daarin werd zeeman Willem Tonkes aan het woord gelaten, die zich de redding nog kon herinneren. Als dertienjarige scheepsjongen op de veerboot stond hij in 1921 vooraan om de commissaris te redden. Daarvoor ontving hij volgens eigen zeggen 7,50 gulden: slechts drie rijksdaalders dus.

Die bewering voelde als een belediging voor de barones, ook al wist zij niet precies hoeveel beloning de redders dan wel hadden ontvangen. Onder de kop ,,noodzakelijke rechtzetting’’ deed zij haar verhaal. In haar herinnering was aan schipper Oostinga een onbekend bedrag overhandigd, dat hij naar eigen goeddunken mocht verdelen over de bemanning.

Nog maanden later kreeg de familie Van Harinxma bezoek van mensen die de kleding terug wilden hebben die ze bij de redding hadden uitgeleend. Geen wonder, want door alle verwarring en chaos, ,,wisten wij de herkomst niet’’, schreef de barones.

loading  

Hoe dan ook: kapitein Oostinga leek in 1923 niet ontevreden: hij teerde nog op de roem die de redding hem had bezorgd. Op zijn borst hing een gouden medaille, die hij na de overtocht met Wilhelmina in 1903 had ontvangen. Dat was niet het enige, want in 1922 bevorderde ze hem tot ridder in de orde van Oranje-Nassau. Mogelijk heeft de redding van ‘haar’ commissaris hierbij een rol gespeeld.

,,Moge het den kranigen zeventiger gegeven zijn nog enkele jaren de welverdiende rust te genieten’’, schreef de LC bij zijn pensionering. Het zouden vele jaren worden, want Oostinga had de goede genen van zijn Groninger moeder geërfd. Zij stierf op hoge leeftijd en ook hij bleef nog jarenlang zo kwiek als wat.

De oud-kapitein gaf zes jaar later nog een rondleiding aan prins Hendrik bij diens onverwachte bezoek aan Enkhuizen. Toen Oostinga In 1938 op 85-jarige leeftijd overleed, haalde hij als beroemde zeeman nog eenmaal het nationale nieuws.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Friesland
Geschiedenis
Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct