Dit is het verhaal van Ruth de Jonge, een verzetsheldin van wie niemand wist dat ze nog leefde

Van links naar rechts: Krijn van der Helm, Ruth de Jonge, een Amerikaanse piloot, kleine Krijn, Donsje en Jopie van der Helm.

De Joodse Ruth de Jonge duikt tijdens de Tweede Wereldoorlog onder in Leeuwarden in het gezin van verzetsman Krijn van den Helm. Ze wordt door hem ingeschakeld. Het was gevaarlijk schrijft ze in een brief. Ruth staat erbij als Krijn wordt doodgeschoten. In 1953 emigreert ze naar Amerika. Op 4 maart werd ze 99. Verhaal van een vergeten verzetsheldin.

In een wit houten huis in Oradell, vlakbij New York, woont Ruth van Dam-De Jonge. Ruth (je spreekt het uit als Roet) is waarschijnlijk de laatste nog levende persoon op de hele wereld die de Friese verzetsheld Krijn van den Helm heeft gekend. En met hem zijn vrouw Jopie en zijn koerierster (en vermeende minnares) Esmée van Eeghen. De gezondheid van Ruth is fragiel. Op 4 maart werd ze 99. Ze leeft vooral in het verleden en wordt verzorgd door haar dochter Rachel. Maar als je haar vraagt naar Krijn, naar Jopie of Esmée klaren haar ogen op. ,, Esmée was a great kid’’ , klinkt het beslist.

Een verhaal over Ruth de Jonge is ook een verhaal over dochter Rachel en nicht Friedi. Friedi en echtgenoot Robert wonen in Amstelveen. Zij is de dochter van Heinrich (Heini), de oudste broer van Ruth, en Alice. Friedi heeft van haar vader een metalen kist geërfd vol documenten, brieven en foto’s. ,,Mijn ouders hebben nooit iets verteld over de oorlog. Ik noem dat het Grote Zwijgen. Maar je voelde wel een enorme spanning.’’

loading

,,Ze hadden maar een opdracht: alles vergeten. Een nieuw gezin, nieuwe kansen en de kinderen niet belasten met het verleden. Mijn ouders zijn in 1947 getrouwd. Ze woonden toen aan het Zaailand in Leeuwarden, boven wat nu de fietsenstalling is. Daar zijn mijn zus en ik ook geboren. In 1954 zijn we naar de Pelikaanstraat verhuisd. Toen is het familiebedrijf naar het industrieterrein verplaatst.’’ En dan hebben we het over machinefabriek Jongia.

Onderduiken in IJlst

Het verhaal van de onderduik van het gezin De Jonge is uitgebreid beschreven, in bijvoorbeeld het boek Levend Oorlogsverleden, IJlst tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hun eerste duikadres was net buiten Heerenveen. Daar zaten ze vanaf 16 augustus 1942. Een daalders plakje, letterlijk. Ze betaalden 5000 gulden per persoon, plus 15 gulden per week plus natuurlijk de bonnenkaarten.

Toen de grond deze opvangverleners te heet onder de voeten werd, werd het gezin plus nog twee andere Joodse onderduikers ‘s avonds 2 januari 1943 zonder pardon op straat gezet. Het was bitter koud en het sneeuwde. Gelukkig herinnerden ze zich een zakenrelatie in Heerenveen waar ze als ze op de deur kloppen meteen worden binnengehaald. Ze zijn welkom. Maar niet echt veilig, omdat het ook een plek is waar het verzet bijeenkomt.

De familie wordt daarop in een ambulance van De Vrij naar IJlst vervoerd en daar ondergebracht in de villa van een zuster van een vriend uit het verzet, Sjoerd Wiersma uit Joure. Bij Janke Nooitgedagt-Wiersma, de weduwe van één der directeuren van Nooitgedagt N.V., is de opvang gratis en is voldoende te eten.

De familie De Jonge zal er tot de bevrijding op 15 april 1945 blijven. En om de tijd te doden en nuttig bezig te zijn, fabriceren ze speelgoed, gebruiksvoorwerpen en pakken voedselpakketten in voor het verzet, voor de verzending naar de hongergebieden in het westen van het land.

Friedi, de dochter van Hein: ,,Toen ze na de bevrijding terugkwamen in Leeuwarden, bleek hun huis aan het Zaailand geplunderd. Ze hadden niks meer. Ook de spullen die ze hadden uitgeleend waren verdwenen. Niemand had er op gerekend dat ze terug zouden komen.’’

Uit de kist van Heini haalt Friedi’s man Robert bovendien een aanslag inkomstenbelasting voor 1942. Friedi wijst op een visitekaartje dat haar vader liet maken. ,,Hij wilde zijn naam veranderen in Hendrik. Dat kun je je wel voorstellen, Heinrich was na de oorlog niet een naam waar je blij van werd. Maar de ambtenaar bij de burgerlijke stand weigerde mee te werken. Het bleef Heinrich.’’ Snuivend: ,,Hij vond het een mooie naam.’’

,,We wisten niets van de oorlog. Of van wat tante Ruth had gedaan. Pas toen mijn nicht Rachel bij haar moeder introk om haar te verzorgen, hoorden we dat ze het financieel krap hadden. Medische verzorging in Amerika is heel erg duur. Thuiszorg is gewoon niet te betalen. En dus doet Rachel het. We skypen en appen regelmatig met haar.’’ Rachel kan geen kant op, zo blijkt als wij haar spreken. Ze is letterlijk aan het bed van haar moeder gekluisterd. Dag in, dag uit.

Friedi’s man Robert is belastingconsulent. Ze hadden jarenlang een kantoor aan huis, met veel Joodse klanten. Het was Robert die zich een paar jaar geleden afvroeg hoe het zat met de financiën van Ruth: ze zou toch een uitkering moeten krijgen van de WUV, Wet Uitkering Vervolgingsslachtoffers? Robert: ,,Een oudere cliënte van ons zei dat ze boos was op de WUV omdat haar man was overleden en zij een kleiner bedrag kreeg dan hij omdat ze een vrouw was. Het bleek dat het overlijden van haar man nooit was gemeld bij de WUV. Toen was de zaak opgelost.’’

loading

Het was een wake up call . Ruth is weduwe sinds 1983. Friedi en Robert vroegen Rachel om hen te machtigen om het dossier van Ruth aan te kunnen vullen. Het overlijden van Max van Dam was inderdaad nooit doorgegeven. Inmiddels krijgt Ruth nu 600 euro per maand in plaats van 200. En nee, bij de WUV doen ze niet aan terugwerkende kracht. Friedi en Robert zijn nog steeds in onderhandeling over een verzetspensioen. ,,Een stroperig verhaal’’, zegt Robert een beetje moedeloos.

Doos van Pandora

Friedi: ,,Toen we hiermee begonnen, ontdekten we dat we eigenlijk niks wisten over mijn familie in oorlogstijd. Over wat ze hadden gedaan en wat hen is overkomen.’’ Dat was het moment waarop ze de kist van Heini openden. Als een doos van Pandora. Het was ook het moment waarop ze ontdekten wat Ruth had gedaan in de jaren dat ze bij Krijn van den Helm in huis woonde. En zij niet alleen, ook Rachel hoorde voor het eerst over het verzetswerk van haar moeder.

Friedi: ,,De familie De Jonge komt oorspronkelijk uit Weener, vlak over de grens met Groningen. Mijn grootvader Jakob had daar een machinehandel. Het werd in de aanloop naar de oorlog steeds moeilijker voor Joodse ondernemers. Mijn grootvader zat zelfs een tijd in concentratiekamp Börgermoor, waar hij vreselijk is gemarteld. Toen hij weer naar huis mocht, heeft hij zijn oudste zoon aangeraden om naar Groningen te gaan. Dat leek hem veiliger.’’

loading

Heini de Jonge belandt via Groningen in Leeuwarden, waar hij aan het Zaailand een bedrijf begint: firma ‘H. de Jonge – Huis der Techniek’. Zijn ouders, jongere zus en broer Ruth en Joachim Max blijven in Duitsland. Het wordt Jakob de Jonge steeds duidelijker, dat er voor hem en zijn familie geen plaats meer is in Duitsland. Klinkt simpel maar er is het nodige aan vooraf gegaan. Huizen van Joden worden geplunderd, bedrijven onteigend en Jakob komt opnieuw in een kamp terecht: Sachsenhausen. Als hij vrijgelaten wordt, hij is boven de 60, weet hij dat ze zo snel mogelijk moeten vertrekken.

Eind 1938 wonen ze samen op nummer 96 aan het Zaailand, boven het bedrijf van Heini. Maar ook daar zijn ze niet lang veilig. Op 10 mei 1940 vallen de Duitsers Nederland binnen. De familie probeert vergeefs naar Engeland te vluchten en keert op 15 mei, precies op de dag dat Nederland capituleert, terug naar het Zaailand. Als Heini op 20 augustus 1942 opgeroepen wordt om zich te melden voor vertrek naar kamp Westerbork, besluit Jakob met zijn gezin onder te duiken.

Hij is een gewaarschuwd mens, heeft aan den lijve ondervonden tot wat voor gruwelijkheden de Duitsers in staat zijn. Met hulp van zakenrelatie en inmiddels huisvriend Krijn van den Helm wordt het gezin De Jonge ondergebracht in Heerenveen. Op zich een huzarenstukje, want een plek voor een gezin van vier personen is lastig te vinden.

Onverschrokken

En zo komen we dan bij Ruth. Want Ruth gaat niet mee, zij trekt met valse identiteitspapieren in bij het gezin Van den Helm in de Beetgumerstraat in Leeuwarden. Ruth heeft geen uitgesproken Joods uiterlijk en heet nu Annie Klarendijk. Ze is voor de duvel niet bang. Friedi: ,,Ruth was onverschrokken. En vergeet niet: ze sprak Duits.’’

Krijn schakelt Ruth in bij zijn verzetswerk voor de Knokploeg (KP). Krijn en Harm Kingma, die een timmerfabriek en aannemersbedrijf heeft in Leeuwarden, zijn beide lid van de Doopsgezinde Kerk aan de Wirdumerdijk. Ze worden door dominee Felix van der Wissel naar voren geschoven om Joodse kinderen onder te brengen, die door studenten uit Amsterdam zijn gesmokkeld.

Ruth legt namenlijsten aan van de kinderen en brengt distributiebonnen naar de gezinnen waar ze zijn ondergebracht. Met de bonnen onder haar kleren op haar lijf gebonden maakt ze haar rondes. Daarnaast werkt ze een aantal maanden als ‘verpleegster’ in een ziekenhuis. Om contacten te onderhouden met leden van het verzet die gewond zijn geraakt en daar verpleegd worden.

loading

Donsje

Het kleine Joodse meisje dat ook in het gezin van Krijn van den Helm werd opgevangen tijdens de oorlog werd Donsje genoemd. Het is niet bekend of dat haar werkelijke naam was of een ‘duiknaam’. Ruth de Jonge vermeldt in een brief uit juli 1945 dat ze een 4-jarig Joods meisje heeft overgedragen aan haar biologische vader. ,,Een ploert van een man.’’ Naar alle waarschijnlijkheid ging dit over Donsje. Na de moord op Krijn verblijft Ruth met Donsje en kleine Krijntje bij de familie Kingma die in Bakhuizen zit ondergedoken. Alle Kingma herinnert zich dat hij als 6-jarig jongetje toen met het meisje speelde. Hij wil heel graag weten hoe het met Donsje is afgelopen.

Friedi: ,,’s Nachts ging ze verkleed als vroedvrouw de straat op, om de nummers van voorbijrijdende Duitse auto’s te noteren. Die werden dan weer doorgegeven naar de Engelsen, zodat die hun bewegingen wisten.’’

Ruth haar verzetswerk eindigt in bloed. Als Esmée van Eeghen op 8 augustus 1944 wordt opgepakt door de Duitsers, na te zijn verraden door een vriendin, belandt ze in het beruchte Scholtenhuis in het centrum van Groningen, hoofdkwartier van de SD. Daar schrijft ze Krijn een brief. Ze stuurt die naar zijn ouders in Amersfoort, in de overtuiging dat Krijn daar niet is. Afspraak is immers dat verzetsmensen nooit terugkeren naar hun ouderlijk huis om hun familie niet in gevaar te brengen.

Donsje

Maar Krijn is juist naar Amersfoort vertrokken met zijn dan zwangere vrouw Jopie, 2-jarig zoontje Krijn, Ruth en het Joodse kleutermeisje Donsje dat ook bij de Van den Helms is ondergebracht. Hij is bang voor ontdekking omdat een lid van zijn verzetsgroep is opgepakt.

De brief wordt op de route gevolgd en de Nederlandse SD-er Pieter Johan Faber belt met een smoes aan bij Krijns ouders. Die verwijzen hen naar het adres van Jopies ouders. Als Krijn daar de voordeur opendoet en naar zijn wapen grijpt, wordt hij direct neergeschoten door Faber. Ruth staat op de trap achter Krijn als het gebeurt.

Krijn is op slag dood. Het is Ruth die met veel tegenwoordigheid van geest verklaart dat ze het dienstmeisje is. Het is Ruth die het bloed van Krijn opruimt. En het is Ruth die met de zwangere Jopie, Krijntje en Donsje terugreist naar Friesland. Ze belandt bij de familie Kingma die ondergedoken zit in Bakhuizen.

Esmée wordt doodgeschoten op 7 september 1944, Pieter Johan Faber is daarbij. Haar lichaam wordt in het Van Starken-borghkanaal gevonden. Esmée is na de bevrijding herbegraven in Baarn. Het lichaam van Krijn wordt teruggevonden in een massagraf bij Kamp Amersfoort. Hij is op 1 december 1945 herbegraven in Leeuwarden, in aanwezigheid van het hele Friese verzet. Kleine Krijn overlijdt kort daarna op 4-jarige leeftijd en ligt bij zijn vader begraven.

Ruth schrijft in juli 1945 in een brief aan een bekende: ‘Als ik weer ga duiken doe ik het beslist anders. Mijn ouders en broers hebben het werkelijk niet slecht gehad altijd met zijn vieren bij elkaar. Ik ben altijd alleen geweest. Ze mochten niet weten waar ik was omdat ik in het ondergr. werk zat. Reuze leuk werk maar wel gevaarlijk, maar zou het nooit gemist willen hebben.’

In een tweede brief van die maand meldt ze dat ze het kindje waar ze op gepast heeft (waarschijnlijk bedoelt ze Donsje, red.) weer aan haar rechtmatige vader heeft teruggegeven. ‘Een ploert van een man trouwens. Maar wij hadden geen recht om het kind te houden.’ Ze heeft ook nog een zusterlijke verzuchting: ‘Heini en Joki hebben niets geleerd in hun onderduikerstijd, ze zijn nog net zo vervelend als altijd.’‘

Vlaggen

In 1946 trouwt Ruth met de Joodse chemicus Max van Dam uit Amersfoort. Ze krijgen in 1948 een dochter: Rachel en vijf jaar later een zoon: Jacques. Max heeft ondergedoken gezeten, van zijn familie heeft alleen zijn zus de oorlog overleefd. Als die naar Amerika emigreert, besluit Max dat ze ook gaan. Het gezin vertrekt in 1953, baby Jacques is dan 7 maanden. Ze arriveren in New York op 11 november: Veteranendag. Rachel: ,,Overal hingen vlaggen. Ik herinner me nog dat mijn vader zei dat dat voor ons was.’’

Ruth verdwijnt uit beeld in Nederland en ook in Leeuwarden. Wat zij heeft gedaan, de risico’s die ze heeft gelopen, haar aanwezigheid bij de dood van Krijn, het raakt in de vergetelheid. Het portret van Krijn, die de familie De Jonge hielp toen de nood hoog was en tegelijkertijd Ruth meevoerde in het verzetsavontuur, hing jaren aan de muur bij moeder Jeanette maar is ook verdwenen.

Max en Ruth hebben in hun gezin nooit over de oorlog gesproken. Ook hier het Grote Zwijgen zoals Friedi het noemt. Ruth hield volgens Rachel haar hele leven heimwee naar de familie in Leeuwarden. Rachel: ,,Maar mijn broer en ik hadden een gelukkige jeugd, zonder oorlog. We werden orthodox opgevoed, ik ging zaterdagsochtends in een jurk naar de synagoge maar ik trok ’s middags mijn spijkerbroek weer aan.’’

loading

Rachel bezocht Israël en bleef er negen jaar wonen. ,,A very long holiday’’, zegt ze lach-end. Ze woonde een tijd in Engeland, met man en dochter, maar verhuisde na haar scheiding naar Amerika. Ze trok bij haar moeder in, toen die problemen kreeg met haar gezondheid. Toen Rachel in 2011 met pensioen ging, ze was jarenlang decaan op een middelbare school, heeft ze naar eigen zeggen een maand kunnen genieten. Daarna ging Ruth zo snel achteruit dat ze haar niet meer alleen kan laten.

Nachtmerries

,,Mijn moeder droomde de eerste twintig jaar in Amerika. Mooie dromen die ze aan ons vertelde. Over Weener, over Leeuwarden. Maar dat is nu veranderd. Recent came the nightmares . Ze gilt en schreeuwt in haar slaap. En soms zit ze in bed te huilen. ‘ Nobody came back’ , zegt ze dan.’’ Met tranen in haar ogen: ,,Het is zo verschrikkelijk.’’

In 2015 kregen ze bezoek uit België. ,,Een man die Moshe heette kwam mijn moeder bedanken. Hij zei: ‘Ze heeft mijn leven gered’. Mijn moeder had geen idee wie hij was. ‘Er waren zoveel kinderen’, zei ze.’’

We vragen het aan het breekbare figuurtje in het bed als we haar interviewen via Facetime: is ze trots op wat ze heeft gedaan? Met vlammende ogen roept ze: ,, No! That was my duty. Because I’m a Jew .’’ En ze voegt er aan toe: ,, Somebody had tot do it. And I was there .’’

En de dramatische dood van Krijn dan, dat moet toch een enorme schok zijn geweest? ,, I must have cried. I must. But I don’t remember. ’’

De terugkeer van de Joodse Kinderen

De terugkeer van de Joodse Kinderen is een samenwerkingsproject van Stichting De Verhalen, Leeuwarder Courant, Friesch Dagblad, Omrop Fryslân en Tresoar. De provincie Fryslân verleent subsidie. Kernredactie: Gerard van der Veer, Karen Bies, Marja Boonstra, Martijn van Dijk, Wybe Fraanje. Het project omvat behalve reportages in de media de Onderduikdagen begin mei, de theatervoorstelling Smokkelbern en vier documentaires op NPO2. Tips: info@joodsekinderen.nl of 058-2997799

home
net-binnen
menu