Dit is het programma voor de veenweide: grote ambities, krap budget

Veenweide bij Oldelamer. FOTO NIELS DE VRIES

De ambities voor het vernatten van het Friese veenweidegebied zijn groot. Er gaapt echter een flink gat tussen de kosten (549 miljoen euro) en het beschikbare budget (66,5 miljoen euro). Dat vraagt om ‘dynamisch programmeren’.

Foarút mei de Fryske Feangreiden heet het ontwerp-Veenweideprogramma voor de jaren 2021-2030 dat de provincie, Wetterskip Fryslân en acht gemeenten woensdagochtend presenteren. Zij willen een weg inslaan die in 2050 leidt naar een blijvend evenwicht in de feangreiden, zonder veenafbraak, bodemdaling, CO2-uitstoot en funderingsleed, in een landschap waarin natuur en recreatie gedijen en de landbouw zichzelf opnieuw heeft uitgevonden.

In 2030 hoort de ommekeer zichtbaar te zijn in de tussendoelen waaraan de overheden zich verbinden: de de gemiddelde bodemdaling per jaar neemt af met 2 millimeter, de jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen moet 0,4 megaton aan CO2-equivalenten lager zijn, de landbouw heeft een duurzaam toekomstperspectief en het watersysteem is robuust en klimaatbestendig.

De belangrijkste ingreep om in de buurt te komen van deze doelen is een verhoging van het grondwaterpeil tot gemiddeld 40 centimeter onder het maaiveld, te beginnen in de gebieden met een veenpakket dat minstens 80 centimeter dik is, met daarboven maximaal 40 centimeter klei. Hier is de grootste reductie te behalen in CO2-uitstoot en bodemdaling. Om deze grondwaterstand te bereiken zal het slootpeil in veel gevallen nog wat hoger moeten worden gezet, zodat regenwater niet meteen afstroomt, maar in de bodem wordt opgenomen.

Lees ook | Waarover gaan de problemen in het veenweidegebied? Tien vragen en antwoorden

It nije buorkjen

Dat vraagt een grote omschakeling van de 900 melkveehouders in het gebied. De overheden achter het Veenweideprogramma promoten wat zij ‘it nije buorkjen’ noemen: kringlooplandbouw met oog voor bodem en natuur. Om de bedrijven in het zadel te houden, zullen alternatieve verdienmodellen worden gepusht, van natte teelten tot de verkoop van CO2-certificaten (Valuta voor Veen) en eventueel ook zonneparken.

Er is nog veel onderzoek nodig naar technische oplossingen om boeren op natter land mogelijk te maken. Dan gaat het bijvoorbeeld over onderwaterdrainage, een vaak genoemde optie waarvan nog niet is aangetoond dat deze werkt tegen veenafbraak en CO2-uitstoot.

Voor boeren die worden beperkt in de gebruiksmogelijkheden van hun land wordt een afkoopsysteem opgetuigd dat is gebaseerd op afwaardering van hun land. De overheden willen binnen gebiedsprocessen ook een ‘actief grondbeleid’ gaan voeren, bijvoorbeeld via een grondbank, om via uitkoop en ruiling compensatieland vrij te maken. Dat is een kostbare aangelegenheid waarvoor de Friese overheden aanspraak willen maken op rijksgeld.

loading

Beperkt budget

De omschakeling in de landbouw is met afstand het duurste onderdeel van het hele transitieprogramma. Van de geschatte kosten van 549 miljoen euro is 417 miljoen toegerekend aan aanpassingen in de landbouw. Voor het versleutelen van de waterhuishouding is 102 miljoen euro nodig.

Tegenover deze kosten staat op dit moment een gegarandeerd budget (van Rijk, procincie en Wetterskip) dat een stuk lager uitvalt: 66,55 miljoen euro. Extra budget moet komen van het Rijk, het Europees Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, andere Europese fondsen en private investeerders, zoals banken.

Ontwikkelingsgebieden

Juist vanwege het beperkte budget willen de veenweidepartijen hun geld eerst zetten op twee ‘ontwikkelingsgebieden’ waar al hard wordt gewerkt aan maatregelen. Dat zijn Aldeboarn/De Deelen en de Hege Warren. In een volgend stadium kunnen de ‘kansrijke gebieden’ Idzegea, Brekkenpolder, Groote Veenpolder en Grouster Leechlân aansluiten. Ook daar lopen pilots en onderzoeken, maar ontbreekt nog het geld om er vol in te gaan.

Wanneer in andere gebieden ook veelbelovende gebiedsprocessen van de grond komen, mogen die ook aanhaken. De overheden doen het liefst zaken met breed samengestelde gebiedscommissie met boeren, natuurorganisaties, ondernemers en ‘gewone’ burgers.

Stelregel is dat nieuwe ingrepen pas in gang worden gezet als het geld er ook echt is. Dit noemen de betrokken partijen ‘dynamisch programmeren’. Op de route naar 2030 zullen twee ijkmomenten worden ingelast, in 2022 en 2026. Dan kan de stand van zaken worden bepaald, kan nieuwe kennis worden toegepast en kunnen plannen worden aangepast. Verwachting is dat het zwaartepunt de eerste jaren ligt bij het opdoen van kennis en experimenteren met vernieuwingen. Later moet de balans verschuiven naar de uitvoering.

Badkuip

De aanpak van het veenweidegebied is bepalend voor de waterhuishouding in de rest van de provincie. Het veengebied vormt nu als een soort ‘badkuip’ tussen het noordwestelijke kleigebied en de zuidoostelijke zandstreken. Door de lage ligging trekt het gebied enorme hoeveelheden grondwater naar zich toe: jaarlijks circa 73 miljoen m3 grondwater. Dit leidt tot verzilting in de kleistreek en verdroging van de zandgronden. Als veenoxidatie en bodemdaling niet worden gestopt, zal dit effect alleen maar worden versterkt.

De laaggelegen landbouwgronden trekken in het veenweidegebied ook water uit de hoger gelegen natuurgebieden, waar geprobeerd wordt een hoger peil aan te houden. Hierdoor verdrogen deze gebieden en oxideert ook hier het veen. Het voornemen is nu om rond deze gebieden overgangszones te maken waarin hoogteverschillen stapsgewijs worden overbrugd.

Binnen het veenweidegebied liggen nu acht Natura2000-gebieden. Er moet nog 1000 hectare veranderen in natuur en nog 2.500 ha worden ingericht om het Natuur Netwerk Nederland (NNN) af te ronden. In samenhang hiermee kan de veenoxidatie in deze gebieden worden verminderd.

Paalfunderingen

Er komt meer ondersteuning, in de vorm van kennis, informatie en adviezen, voor de bewoners van huizen waarvan de fundering te lijden heeft van ontwatering. Hiervoor wordt een funderingsloket geopend. In de Groote Veenpolder wordt onderzocht hoe effectief de zogenaamde hoogwatercircuits zijn die houten paalfunderingen nat moeten houden. In 2022 wordt besloten of aanvullende matregelen nodig zijn. Een overheidswerkgroep zoekt uit of er nog andere vormen van ondersteuning mogelijk zijn voor eigenaren van woningen met funderingsschade. ,,Uitgangspunt is dat de eigenaar primair verantwoordelijk blijft voor funderingsherstel.’’

Het ontwerp-Veenweideprogramma ligt tot het einde van het jaar ter inzage. In het voorjaar van 2021 moeten provincie, waterschap en gemeenten er een besluit over nemen.