In de stad is het veel warmer dan op het platteland maar door de openbare ruimte slim in te richten kan het ook daar zomers koeler blijven

Zomers weer en buiten genieten in de Prinsentuin aan het water bij de Noordersingel. FOTO JACOB VAN ESSEN

In steden is het vaak warmer dan in het omliggende landschap. Maar een goed ruimtelijk ontwerp kan verkoeling brengen, schrijft emeritus hoogleraar meteorologie Bert Holtslag.

Het wordt steeds warmer op aarde en de mens speelt daarbij een belangrijke rol vanwege de emissies van broeikasgassen. In de afgelopen 130 jaar is het wereldwijd gemiddeld 1 graad Celsius warmer geworden. En volgens het KNMI is het in Nederland zelfs gemiddeld 1,7 graad Celsius warmer geworden.

Die hogere gemiddelde temperaturen vertalen zich ook in steeds hogere maximumtemperaturen. In juli 2019 werd in Nederland zelfs een maximumtemperatuur boven de 40 graden gemeten in Gilze-Rijen. Op het meetstation van het KNMI net buiten Leeuwarden was het maximaal zo’n 35 graden, maar in de stad kan het nog wel een paar graden warmer zijn bij heet zomers weer.

Gebouwen en wegen

De warmere stad wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van gebouwen en wegen. Door de hogere warmtecapaciteit van gebouwen en wegen wordt warmte van de zon overdag opgeslagen en in de avonden en nachten weer afgegeven. Daarom blijft het op een warme zomeravond in de stad nog lang warm, terwijl het net buiten de stad al flink kan afkoelen.

Het temperatuurverschil tussen de stad en het omringende landelijk gebied staat ook wel bekend als het ‘warmte-eilandeffect’. Niet alleen de gebouwen en de wegen, maar ook het verkeer en de industrialisatie maken een stad warmer. En deze aspecten hebben doorgaans ook een nadelig effect op de luchtkwaliteit. Ook het grootschalig gebruik van airconditioning bij heet zomers weer maakt een stad op leefniveau warmer.

Invloed op lokaal klimaat

Wereldwijd woont nu ruim de helft van de bevolking in stedelijke gebieden, terwijl dit ruwweg maar zo’n 1 procent van het landoppervlak omvat. Op mondiale schaal is daarmee de invloed van de stad op weer en klimaat beperkt, maar lokaal kan er dus wel degelijk een effect zijn op de temperatuur, wind en vochtigheid.

Voldoende grote steden kunnen zelfs de neerslag versterken en dat is inmiddels ook vastgesteld voor Amsterdam door onderzoek van Wageningen Universiteit. Dus naast de emissies van broeikasgassen heeft de mens ook invloed op het lokale klimaat vanwege de warme stad.

Het lokale en regionale weer en klimaat kan ook worden beïnvloed door het landgebruik te veranderen of door een andere inrichting van het landschap. De grootschalige aanplant van bossen zal bijvoorbeeld niet alleen gunstig zijn voor de opslag van broeikasgassen, maar ook een gunstige invloed kunnen hebben op het lokale en regionale klimaat.

Fijn plein in de lente is heet in de zomer

Voor het thermisch welbehagen van de mens is niet alleen de luchttemperatuur van belang, maar ook hoe vochtig het is, hoe hard het waait en hoe sterk de zon schijnt. Een zonnig, open plein kan bijvoorbeeld zeer aangenaam voelen in de lente bij lagere temperaturen, maar erg oncomfortabel zijn in de zomer.

Bij het ontwerpen van gebouwen en steden kan hiermee natuurlijk rekening worden gehouden. Zo kan de warmte in de stad effectief worden verminderd door andere bouwmaterialen te gebruiken en door meer ‘groen en water’ toe te passen. Dat wil zeggen, door het aanplanten van bomen, het aanleggen van parken en grachten. Hiermee wordt ook de verdamping van water gestimuleerd waardoor de zon de stad minder kan opwarmen.

En iedereen kan zelf zorgen voor zoveel mogelijk groen en zo weinig mogelijk steen in de eigen tuin. Dat heeft ook nog een gunstig effect bij de opvang van neerslag, zeker nu deze meer extreem lijkt te worden.

De verwachting is dat het in de toekomst nog warmer gaat worden, zeker als de emissie van broeikasgassen niet zal worden beperkt. Dus ook steden zullen steeds warmer worden, maar de leefbaarheid van de stad kan wel degelijk positief worden beïnvloed met goede ontwerpen voor stedelijke bebouwing, het weren van verkeer en het toepassen van ‘groen en water’.

Bert Holtslag is emeritus hoogleraar Meteorologie aan Wageningen Universiteit en hij was daar werkzaam van 1999 tot 2019. Daarvoor werkte hij bij het KNMI in diverse onderzoekfuncties (1977-1999). In periode 1993 tot 1999 was hij tevens deeltijd-hoogleraar Meteorologie aan de Universiteit Utrecht en verbonden aan het ‘National Center for Atmospheric Research (NCAR)’, in Boulder, Colorado, USA.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Friesland
Klimaatpanel