Scherven.

De Friese historie in honderdduizend scherven: wat moeten we ermee?

Scherven.

Sinds deze week is de provincie Fryslân eigenaar van onvoorstelbaar veel historische scherven. Ooit weggegooid als waardeloos afval laten ze nu steeds meer los over de Friese historie.

Wat moeten we met al die scherven?

Die vraag is op het Provinsjehûs best wel eens gesteld de laatste tijd. Het Fries Genootschap droeg deze week een gigantische hoeveelheid archeologische vondsten over aan de provincie. Hierbij zitten weliswaar ook metalen voorwerpen, schoenen, botten en flesjes, maar het overgrote deel bestaat uit scherven.

Het noordelijk archeologisch depot in Nuis bewaart voor de noordelijke provincies 255.293 vondstendossiers. Meer dan de helft hiervan (134.476) komt uit Friesland. Daarvan bestaat ongeveer de helft uit keramiek (67.324 vondstnummers). Zo’n ‘keramisch dossier’ kan uit meerdere scherven bestaan. Waarschijnlijk liggen er miljoenen Friese scherven in Nuis, maar niemand weet precies hoeveel.

Mantelspelden en munten zijn toch veel waardevoller?

Veel amateurzoekers speuren tegenwoordig inderdaad met metaaldetectoren naar munten, sieraden en mantelspelden (fibula’s). Die zijn ook voor professionele onderzoekers interessant, maar alleen in combinatie met andere vondsten. Zij pellen de aarde voorzichtig af en willen van iedere laag de ouderdom weten. In oude terplagen zit meestal weinig metaal, maar zeer veel scherven.

loading

Dat komt goed uit: van aardewerk is namelijk vrij nauwkeurig bekend wanneer het gemaakt is. Vindt een archeoloog bijvoorbeeld veel scherfjes streepbandaardewerk, dan weet hij dat deze bodemlaag rond het begin van de jaartelling werd bewoond. ,,Streepbandaardewerk wordt wel de eerste uiting van de Friese cultuur genoemd’’, zegt provinciaal archeoloog Gilles de Langen.

,,Als ik een schatting moet doen, dan denk ik dat 60 procent van alle archeologische vondsten bij een opgraving uit scherven bestaat’’, zegt archeoloog Annet Nieuwhof van de Rijksuniversiteit Groningen. ,,De rest bestaat vooral uit botresten. Het metaal vormt misschien maar 1 procent.’’

Maar waarom kunnen die scherven niet in de afvalbak als de archeologen hun rapport af hebben?

De techniek voor schervenonderzoek gaat de laatste jaren rap vooruit. Een voorbeeld hiervan levert archeoloog Tessa Krol in haar promotieonderzoek, waarbij zij scherven uit oudere opgravingen opnieuw onder de loep neemt. Zij richt zich op de volksverhuizingstijd: de vierde tot en met de zesde eeuw na Christus. Dit is een van de spannendste periodes uit de Friese geschiedenis.

loading

Toen het Romeinse rijk enkele eeuwen na Christus instortte, nam de bevolking op de Friese terpen sterk af. Iets later streken immigranten uit Duitsland of Denemarken hier neer. Hoe dat precies ging, weet niemand, maar uit die tijd is wel veel aardewerk gevonden, dat bewaard wordt in Nuis. Dit vormt een sleutel tot nieuwe inzichten.

In die tijd cremeerde de Friese bevolking haar doden, waarna de as werd begraven in potten. Daarvan worden er vele bewaard. De verbrandingsdatum valt de laatste jaren steeds nauwkeuriger uit te rekenen met verbeterde koolstofdatering (C14). Dit maakt het ook makkelijker om vast te stellen hoe oud de potten zelf zijn: ,,Daardoor weten we nu dat het Angelsaksische aardewerk in twee perioden valt in te delen’’, zegt Krol.

Het oudste type komt wel in het noordwestelijk deel van Friesland (Westergo) voor, maar niet in Holland. Het iets latere soort Angelsaksisch aardewerk werd echter wel in Holland gebruikt. Tot nu toe was dit onderscheid niet bekend. Het kan betekenen dat verhuizende Angelsaksen zich eerst in westelijk Friesland vestigden, iets later in Holland en nog later in Engeland, dat zijn naam en taal dankt aan deze immigranten.

loading

De ‘Angelsaksen’ bakten veel sierlijker gebruiksaardewerk dan Friesland gewend was. Namen ze hun potten dan mee uit Denemarken of Duitsland? Dat hoeft zeker niet, stelde Krol vast.

,,We hebben er onder de microscoop naar gekeken en weten nu dat het soort klei overeenkomt met de klei voor het traditionelere aardewerk. Het komt waarschijnlijk uit dezelfde kleiputten.’’ Tot nu toe was dit onbekend en dat geeft te denken. Misschien bakten de toenmalige bewoners afwisselend traditioneel en modieus aardewerk, afhankelijk van de functie.

Wordt met schervengraverij niet onnodig veel vernield?

Tegenwoordig valt dat mee. Archeologe Angelique Kaspers doet bijvoorbeeld promotieonderzoek naar scherven die op omgeploegde akkers liggen. ,,Ik ga met een groep vrijwilligers het land op en we verdelen de akker dan in vlakken. We rapen alle scherven op die we zien.’’ Zo kan een groot terrein rond oude terpen nauwgezet in beeld worden gebracht zonder dat archeologen hoeven graven. De scherven verraden de ouderdom van de terplagen die door het ploegen worden omgewoeld.

,,We vernielen niets, we rapen alleen maar op wat er ligt.’’ De raapoogst is na een jaar al reusachtig, stelde De Langen deze week vast: ,,Met Kaspers’ onderzoek zijn al 20.000 scherven gevonden.’’

Het levert ook nieuwe inzichten op. Zo heeft Kaspers veel meer vroegmiddeleeuws geïmporteerd draaischijfaardewerk gevonden dan vooraf was gedacht, vooral in Westergo. De bewoners van dit noordwestelijke gebied waren blijkbaar al vroeg in de middeleeuwen gek op zulke potten uit Duitsland of de zuidelijke Nederlanden. Ze waren mooier gevormd dan het aardewerk dat hier werd gebakken.

Zulk draaischijfaardewerk wordt in het Groningse terpengebied duidelijk minder vaak gevonden. Waar dit verschil vandaan komt, is nu onderwerp van discussie. Misschien woonden in Westergo rijkere mensen of was het voor handelsschepen makkelijker om het gebied langs het Vlie en de Middelzee te bereiken.

loading

Dankzij het raapwerk van Kaspers is inmiddels ook duidelijk dat de beroemde terp van Wijnaldum een eeuw eerder bewoond was dan tot nu toe wederom gedacht. De vondsten op de akkers lieten hier geen misverstand over ontstaan.

Hoe komt Friesland aan zoveel scherven? Gooiden die oude Friezen hun potten soms met opzet kapot?

Soms lijkt dit inderdaad het geval te zijn geweest, zegt archeoloog Annet Nieuwhof, die theorieën ontwikkelt over rituelen en sociale verbanden in de oude terpentijd, toen het christendom hier nog niet doorgedrongen was. ,,Ik denk dat scherven soms deel uitmaakten van een bijzondere gebeurtenis.’’

Stel: een Fries uit Westergo trouwde met een meisje uit het huidige Noord-Holland (West-Friesland), dan zou het goed kunnen dat een pot ritueel in stukken werd gegooid bij het huwelijk, waarna alle bezoekers een scherf mee naar huis namen. Dan belandde er dus een ‘Hollandse’ scherf in Friesland.

,,Je ziet bij opgravingen heel vaak dat er één scherf ligt die er duidelijk niet thuishoort. De vorm is te afwijkend en andere scherven met dezelfde vorm ontbreken’’, zegt Nieuwhof. ,,Mensen schreven niets op, maar ik kan me voorstellen dat ze thuis een collectie voorwerpen bewaarden als herinnering aan bijzondere gebeurtenissen. Dat kon een bot van een voorvader zijn, maar bijvoorbeeld ook een scherf. We kennen dit ook uit andere culturen.’’

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct