Alles is goed met het konijntje

In de oorlog verbleef Miepje uit Eindhoven bij Omke Dirk en Tante Sjoukje Hellinga in Nij Beets. Via het Friese verzet in Eindhoven en juffrouw Dikland van de School met den Bijbel was het ‘konijntje’ in Fryslân terechtgekomen.

Miep Kaempfer-van Engel (81) heeft nog heel veel persoonlijke herinneringen aan haar tijd in de onderduik in Nij Beets. ,,Ik was vier toen ik onderdook en zes toen de oorlog voorbij was. Met vier jaar weet je alles. Mijn man Ray was twee toen hij onderdook, en een jaar jonger dan ik. Hij wist niet eens dat hij Joods was. In het begin praatte ik honderduit over hoe ik als Jodin niet meer in het park mocht komen. ‘Dénk erom dat je niets meer daarover vertelt’, zei Tante. Ze heeft de hele oorlog enorm op me gelet, en ook op Omke, die soms gevoelige papieren liet rondslingeren als er vreemden kwamen.”

Dirk Hellinga, zoon van postbeambte ‘Pake Post’, was postkantoorhouder en postbesteller. Sjoukje runde de allerhandewinkel naast het postkantoor. Dirk kende iedereen in het dorp en bracht ook bonkaarten rond voor onderduikers. Na de oorlog werd hij wethouder in Opsterland en zat hij in Provinciale Staten. Dirk en Sjoukje bleven kinderloos. Naast Miep hadden ze nog een pleegdochter: Janny, die ondervoed uit Amsterdam was gekomen. ,,We hebben altijd contact gehouden. Een jaar of vijftien geleden is zij overleden en vorig jaar haar man Karel ook. Ik heb nog altijd contact met haar jongste zus.”

Miep werd in 1939 in Eindhoven geboren. Haar vader werkte bij Philips. Haar moeder overleed begin 1941 aan de gevolgen van de ziekte van Hodgkin. Vader Bernard hertrouwde met een jonge Joodse collega bij Philips. Alle Joden bij Philips werkten op de afdeling SOBU onder controle van de nazi’s. ,,Toen die afdeling in de zomer van 1943 werd overgeplaatst naar Kamp Vught vertrouwde mijn vader het niet meer. Hij liet mijn oudere broer Max en mij onderduiken.”

In de crisisjaren waren uit heel Nederland veel arbeiders naar het zuiden getrokken om bij Philips te werken. Zo komt het dat er ook aardig wat Friezen in Eindhoven woonden. Piet van der Zwaag, oorspronkelijk uit Grou, was een van hen. Hij had contacten in de ondergrondse en hij regelde de onderduik.

Na een week bij een gezin in Eindhoven werd Miep door Lipje Schuurman met de trein naar Heerenveen gebracht, en van daar met de tram naar Beetsterzwaag. ,,Daar stond een vreemde man ons met twee fietsen op te wachten. Dat was Dirk Hellinga. Bij hun huis in de Doarpsstrjitte in Nij Beets wachtte zijn vrouw Sjoukje ons op.”

loading

Nummer 2

Het contact was gelopen via juffrouw Dikland van de School met den Bijbel, die bij de Hellinga’s in de kost had gewoond. Haar zus woonde in Eindhoven en had haar gevraagd of ze een Joods onderduikkind zou willen nemen. ,,Er was een lijst met kinderen en ik was nummer 2. Nummer 1 was al gedeporteerd. Dat heeft me altijd een naar gevoel gegeven.”

In de briefwisseling werd gesproken over ‘een konijntje uit Eindhoven’. ,,Ik was het enige Joodse kind in het dorp. Het heette dat ik net als Janny door de kerk gestuurd was. Mijn moeder zou erg ziek zijn en mijn vader kon de verzorging van twee kinderen niet aan. Ook tegenover haar eigen zussen hield tante bij hoog en bij laag vol dat ze nooit een Joods kind zou durven nemen. Dirk en Sjoukje namen twee konijnen, die ze Janny en Miep noemden. Zo konden ze in brieven veilig over mij berichten. ‘Het gaat goed met de konijntjes’. Ze hadden veel speelgoed voor me. Via de winkel konden ze aan van alles komen. Ik had onder andere een tafel met stoeltjes en een prachtig porseleinen theeserviesje. Ik kreeg ook een autoped en zelfs een hondje.”

Miep herinnert zich een aantal hachelijke gebeurtenissen. ,,We gingen op zondag altijd met zijn vieren naar de gereformeerde kerk aan de Prikkewei. De dominee zat ook in de ondergrondse. Op een keer werd vanaf het orgel, op de galerij, geroepen dat de Duitsers eraan kwamen. De dominee onderbrak de dienst even en liet de jongens die eigenlijk in Duitsland hadden moeten werken via de doorgang naar zijn eigen woning ontsnappen. Er was natuurlijk verraad geweest, waardoor de Duitsers wisten dat er op zondag veel van die jongens naar de kerk kwamen. De dominee zei tegen de rest dat ze het teveel aan fietsen moesten meenemen en zette een psalm in. We liepen allemaal naar buiten door een haag van Duitsers. Dat vond ik heel eng, maar als blond kind met blauwe ogen viel ik niet op.”

I llegale radio’s

Een andere keer was er een razzia in het dorp om illegale radio’s in beslag te nemen. Dirk was gestopt op zijn postronde en moest thuis zijn persoonsbewijs ophalen. Daarbij stopte hij Sjoukje snel wat papieren toe. Sjoukje stopte die bij haar grote boezem in en Dirk vertrok weer. Toen de Duitsers kwamen stuurde Sjoukje Janny en Miepje naar de buren. ,,Daar zagen we door het raam dat Tante opgepakt werd. Ze hadden hun radio op het dak gezet, maar de Duitsers hadden dat waarschijnlijk met een verrekijker gezien.”

Sjoukje bleef twee maanden in de gevangenis in Leeuwarden. Het lukte haar daar de gevaarlijke papieren te verbranden. Ze werd steeds verhoord omdat er verdenking was, waarschijnlijk via een kantoorbediende op het postkantoor van Dirk die bij de NSB zat. ,,Na twee maanden lichtten ze Omke van zijn bed, schenen met hun zaklampen onze slaapkamer binnen, maar gelukkig werd ik niet wakker. Janny hield zich slapend. Tante mocht naar huis, al klagend dat Omke onmisbaar was in het kantoor. Ze gaven haar toen de mogelijkheid om Omke voor duizend gulden vrij te kopen, maar ze zei dat ze geen geld had. Een week later ging ze met een beurs vol kleingeld naar Leeuwarden en bracht oom thuis en kreeg nog een kwitantie ook. Die kwitantie heeft ze goed bewaard en als getuigbewijs gebruikt bij het gerecht na de oorlog.”

Onverwacht bezoek

In april 1945, vlak voor de bevrijding, ging Miep voor het eerst naar klas 1 van de lagere school. In juni verscheen haar vader onverwachts. Hij had de oorlog overleefd in Oosterzee. Zijn moeder, Mieps oma, in Echtenerbrug. ,,Omke en Tante huilden een beetje van de schok toen mijn vader kwam, maar tot mijn en hun grote geluk had hij geen haast om me mee te nemen. Mijn broer had hij nog niet gevonden en hij had ook nog geen woning in Eindhoven. Pas in de kerstvakantie ging ik terug naar Eindhoven. Ik was toen al een keer met juffrouw Dikland meegeweest, die naar haar zus ging. Zij had me in Nijmegen afgeleverd bij mijn beide grootmoeders. Mijn broertje kwam daar ook logeren.”

Ook drie zussen van haar moeder en de tweede vrouw van haar vader overleefden de oorlog. ,,Ik had als kind altijd het gevoel dat er bij ons niet veel mensen ontbraken in de familie. Mijn ene grootvader was al tien jaar voor de oorlog overleden en mijn andere opa kort na mijn moeder. Ik had nog steeds drie tantes en twee oma’s. Maar de werkelijkheid was anders. Mijn grootmoeder van vaders kant was de jongste van twaalf, en de enige die de oorlog overleefde. Mijn grootvader Van Engel had een hele hoop broers en zussen. In Deventer, waar mijn vader vandaan kwam, wemelde het voor de oorlog van de neven en nichten. Mijn grootmoeder kwam uit Meppel. Daar waren aan het begin van de oorlog 250 Joden, van wie er één of twee overbleven. De rest was allemaal afgemarcheerd. Ook mijn oma van moeders kant had op één na al haar broers en zussen verloren.”

Miep ging medicijnen studeren in Amsterdam en werd actief in de Nederlandse Zionistische Studenten Organisatie. Zo leerde ze Ray Kaempfer kennen, bestuurslid van de afdeling in Leiden. Ray’s ouders waren in 1936 vanuit Berlijn naar Den Haag verhuisd. Via een aantal onderduikadressen kwam Ray uiteindelijk terecht in Woerdense Verlaat, waar hij de oorlog overleefde. ,,Ray’s pleegvader heette ook Dirk. Zo hadden we allebei een Oom Dirk. Ray had een pleegbroertje, met wie we nog altijd contact hebben.”

In 1966 trouwden ze. Acht jaar woonden ze in Amerika, waar Ray onderzoek deed in de moleculaire biologie aan Harvard en Miep op de afdeling kindergeneeskunde van een ziekenhuis in Boston werkte. In 1974 verhuisden ze met hun drie kinderen naar Jeruzalem, waar Ray nog altijd hoogleraar is. Miep was er huisarts en is nu al twintig jaar gepensioneerd.