100 jaar geleden: Het negende gebod

FOTO LC

Is het u ook niet opgevallen, hoe veelvuldig de laster-advertenties hier zijn, de annonces, waarin iemand eigen of anderer beweringen voor laster uitmaakt, of aanwijzingen vraagt naar den verspreider van mededeelingen, die als lasterlijk worden gebrandmerkt?

Elders ziet men dergelijke publicaties zelden of nooit. Bij ons zijn ze vrijwel regel te noemen. Hoe dat zoo? Is men werkelijk loslippiger hier bij die Friezen, die als zoo „gesloten” te boek staan? Wordt hier meer kwaad dan elders gesproken? Hebben de menschen hier meer tijd en gelegenheid, en lust vooral, om hun neus in andermans zaken te steken, van achter hun horretje der buren doen te begluren? Is hun ijverzucht, de bron doorgaans van alle kwaadsprekerij, hier sterker ontwikkeld, zoodat zij minder goed hebben kunnen, dat ergens de zon in het water schijnt? Of — trekt men er zich hier meer van aan? Vindt men geen rust vóór de onverdiende „smet” uitgewischt is, kan men niet op zich laten zitten, waarover men elders eenvoudig de schouders ophaalt, denkend: „Laat ze. Wat deert het mij? Ik ben wat ik ben, niet wat anderen beweren dat ik zou wezen”. (Leeuwarder Courant, 28 augustus 1920)

De rubriek ‘100 jaar geleden’ doet een greep uit het nieuws van een eeuw terug. Zelf grasduinen in het archief van de krant? Ga naar www.dekrantvantoen.nl.