Zomercolumn: Vrouw in de duinen

Tijdens de zeven weken dat de zomerbijlage uitkomt krijgen lezers ruimte voor een zelfgeschreven column, met dit jaar als thema ‘Vakantieliefde’.

Paulien haar regencape zat vast. Ze hoorde pianomuziek. Oh nee, dacht ze, niet nu. Ze trok aan de cape en zette een stevige stap naar voren. Het plastic scheurde. Lopen lukte. Ze bukte, liep onder de struiken door naar de voet van het duin en keek omhoog. Een zandpaadje kronkelde steil naar boven.

Ze zette haar voeten in voetstappen van voorgangers, als lichte vlekken zichtbaar in het natte zand. Haar snelle ademhaling ging bij het stijgen over in hijgen. Toe nou, schiet op, dacht ze. Zweet liep langs haar voorhoofd, drupte op haar witte shirt. Bloed kolkte door haar hoofd en ruiste in haar oren als de branding van de zee.

Hiapam, pam, la, la, la-la- la, la…la hoorde ze, steeds zachter. En toen applaus. Op de top zaten toeschouwers bij de rand van de duinpan. Sommigen kwamen overeind. Paulien zette haar handen in haar zij. Te laat, dacht ze hevig hijgend. Ik had eerder uit die klamme tent moeten kruipen.

Ze sloot haar ogen. Zag hem. Zijn hoofd steunde op zijn hand en kwam mooi uit tegen het oranje van de binnentent. Haren in de war, bruine ogen en een stralende lach. Zijn mond. Volle rode lippen die smaakten als zoete witte wijn. Ze voelde de aanraking van zijn tong op haar borsten. Haar lijf rilde.

Droog als leer was haar mond. Dorst, dacht ze, haalde een drinkfles uit haar rugzak en omsloot die met haar schrale lippen. Water vloeide over tong en tanden, spoelde langs haar wangen. ‘Aaah,’ zei ze en liep naar de rand van de duinpan. In de diepte zag ze een zwarte vleugel. Meterslange grijze tule hing als een lichtstraal over de piano, komend uit de duinen doorlopend naar de zee.

Op haar horloge was het vijf over half een. Te laat, dacht ze, spreidde haar cape uit en ging zitten. Ze zag de zee, hoorde hem ruisen en aan de horizon kruisen met de purperen lucht. Hard helmgras prikte in haar billen.

‘Ze komt nog een keer,’ zei iemand. Paulien keek om zich heen en zag een Japanse vrouw vanaf zee zigzaggend door de duinen lopen. Het kleine, pezige lichaam gehuld in een lichtgrijs gewaad. Om haar linkervoet een kettinkje. De vrouw torste meterslange lichtgrijze tule met zich mee, liep onder de lichtstraal door en ging aan de vleugel zitten.

De sleep van de jurk lag zwaar van water en zand als een doffe zilveren sliert achter haar. Met een zwart handdoekje veegde ze haar handen secuur schoon en begon te spelen. De ene hand in een vast ritme. De andere hand vol van leven; angst, woede, vreugde en verdriet.

Paulien voelde de zon op haar rug. Rook tandpasta. Er ging iemand naast haar zitten. Ze keek opzij, zag hem, de lijntjes bij zijn ogen. ‘Sorry,’ zei ze zacht en zag zijn lippen krullen. Met duimen en wijsvingers maakte hij een hartje. Is dit liefde? dacht ze. En terwijl het van binnen trilde legde ze een hand op zijn gezicht.

Susan Konst, Sint Nicolaasga

Toon reacties

Mis niets van het regionale nieuws. Ontvang onze dagelijkse nieuwsupdate, helemaal gratis.

Meer dan 22.249 nieuwsbriefabonnees

Je kunt je op elk moment weer uitschrijven

Lees hier ons privacy statement