Henk Blanken.

Schrijver en parkinsonpatiënt Henk Blanken over aftakeling: 'Ik ben nog half de man die ik was'

Henk Blanken. Foto: Corné Sparidaens

Over de dood schrijft oud-journalist Henk Blanken al jaren. Het hield hem op de been totdat corona hem de regie ontnam en de angst er insloop voor de keuze tussen doodgaan en niet meer weten dat je leeft. Op Vergankelijkheidsdag, afgelopen dinsdag, hield hij deze lezing in Groningen.

Ik ben nog half de man die ik was. Ik kwijl als ik sta te plassen. En zonder stok val ik om. Onder de douche zak ik kreunend neer op een watervast krukje. Dan staar ik naar mijn voeten.

Kijk mij nou.

Bloot en wit en dik.

Sinds negen jaar heb ik parkinson. Dat was geen prettig nieuws, nee. Maar toen de neuroloog mij vertelde wat me mogelijk te wachten stond – hallucinaties, pijn, wegkwijnen van dementie – toen zat ik als het ware al verlekkerd aantekeningen te maken.

Want het was wel een goed verhaal.

We gaan tegenwoordig netjes dood, geurvrij en discreet

De dood is de afgelopen eeuw méér veranderd dan in alle eeuwen daarvoor. Voor het eerst geloven sommige wetenschappers dat we onsterfelijk kunnen worden. Voor het eerst ook kunnen we het leven langer rekken dan het van Darwin en de evolutie duren moest. We worden gemiddeld dik 80 waar 40 jaar genoeg is om de menselijke soort in stand te houden.

Dat is twee levens voor de prijs van één, juicht een Nederlander dan. Maar wat voor levens? Doordat we steeds ouder worden, eindigen we ook met steeds meer kwalen. Vier van de tien 90-plussers zijn nu dement.

In Nederland gaan jaarlijks 150.000 mensen dood. Eén op de drie overlijdt onverwacht. Van de 100.000 mensen die wél weten dat hun tijd gekomen is, wachten 6.000 à 7.000 de laatste ontluistering niet af. Ze vragen om euthanasie.

Je zou het bij al dat politieke touwtrekken over voltooide levens en dementie bijna vergeten, maar de meeste mensen sterven zelf, zonder hulp van de euthanasiewet, hooguit met wat palliatieve pillen tegen de pijn.

De meesten hebben denk ik vrede met dat einde. Een goed leven gehad. Klaar nu. Kom, we gaan.

Sinds we die hele santenkraam van hemel en hel aan de straatkant hebben gezet, is de dood niet half zo angstaanjagend meer. Toen God verdween, verdween de dood kennelijk met hem mee.

We zijn nog even sterfelijk, maar we sterven niet langer in een stinkende steeg aan cholera of pest. We gaan nu netjes dood, geurvrij en discreet. De rest ontkennen we: het morsige einde, de vuile dood, de dood die je kunt ruiken, de dood die onder je huid kruipt.

Sinds we hem hebben weggemoffeld en de uitvaartondernemer de nabestaanden ontzorgt, van het afleggen tot de roomboterkoek, zijn we minder bang voor de dood. Over de eenzame aanloop naar het graf zwijgen we – omdat we nog wel bang zijn voor het leven vóór de dood.

Het proefpakket herenluiers is niet voor mij, maar voor mijn incontinente alter ego

Voor het online journalistieke platform De Correspondent schrijf ik over dood & aftakeling. Ik vertel er gretig over – kijk mij nou . Ik schaam mij niet snel. Toch had ik me dat aftakelen anders voorgesteld. Een tikje heroïsch, sterk en soeverein. Niet zo rommelig.

Niet als in het boemeltje bij Barneveld-Noord, waar het toilet ‘buiten gebruik’ is en waar je het – een roedel evangelische pubers giechelend in je nek – met geen macht ter wereld kunt ophouden.

Ik schrijf over schaamte, angst en pijn en geniet van dat schrijven. Maar mag dat wel? Ik leef me te barsten dankzij de dood, maar kan ik wel zo gretig over mijn aftakeling vertellen? Is het niet te verlekkerd? En is het wel waar?

Het zit zo: die verhalen gaan niet over mij. Zodra ik schrijf, ben ik die man op dat douchekrukje niet, laat een andere man zijn urine lopen bij Barneveld-Noord en is dat proefpakket Depend-herenluiers niet voor mij, maar voor mijn incontinente alter ego.

Zelf geloof ik wel in deze vreemde paradox. Wat moet ik anders?

Ik schrijf ik-verhalen die niet over mij gaan omdat ik steeds benauwder word dat ze dat uiteindelijk wel zullen doen – dat ik niet ontkom aan mijn verhaal, aan wie ik ben.

Als dat virus mij te pakken krijgt, dacht ik, ga ik eraan

Ik was nooit zo bang voor de dood. Waarom zou ik? Ik ben er zelf niet meer bij, toch? Maar toen de Chinezen plotseling mondkapjes gingen dragen en de wereld op slot ging, toen journaals beelden brachten van benard lege binnensteden en de intensive care volliep met doodzieke coronapatiënten, toen greep het me naar de strot.

Als dat virus mij te pakken krijgt, dacht ik, ga ik eraan, nog vóór ik het in de gaten heb. Dat viel te billijken, maar het overrompelde mij. Hoe moest ik nu afscheid nemen? Wie moet het gras maaien, wie zal de vriend zijn van mijn vriendin, wie zal de stoel laten staan in de regen, wie zal mijn verhaal vertellen?

Nadat ik besloot dat ze mij niet aan de beademing zouden krijgen – ik acht mij kansloos, geef mijn bed maar aan een betere patiënt – verdween de paniek even snel als ze opkwam. Ik had de regie terug.

De euthanasiewet is niet geschreven voor de demente mens, maar voor de achterblijvers

Al sinds een jaar, ook al vóór corona, maak ik me niet zo druk om de dood, maar ben ik wel bang van schaduwen op het plafond, of geluiden in de kelder. Schrikachtig. Bang om bang te worden. Geen held, nee.

Ik schrijf die angst van me af, en soms ook naar me toe. Het is de prijs die je als schrijver betaalt voor een mooie zin. Hoe dichterbij ik het laat komen, hoe banger ik word. Moet ik ‘eruit stappen’ als de parkinson me bij mijn volle verstand opsluit in een totaal verkrampt lijf? Of wil ik pas dood als ik diepdement toch niet meer weet dat ik leef?

Onherroepelijk komt die keuze dichterbij. En hoe moet dat dan? Vrijwel geen arts laat me nog sterven als ik door dementie niet meer zelf kan vragen om euthanasie. Als ik geen autonome wil meer heb. Ik snap dat wel, maar het blijft raar dat een knetterdemente mens, die in heldere staat vastlegt liever te sterven dan weg te kwijnen in een tehuis, ineens wel over een autonome wil beschikt als hij niet meer dood wil.

De euthanasiewet is niet geschreven voor de demente mens, maar voor ons, de achterblijvers. Het is onze aarzeling, onze angst en onze afkeer van dat ontluisterende leven in een luier, die dat sterven van een geliefde zo verschrikkelijk maakt.

Toch wil ik niet om euthanasie vragen voordat mijn wil me ontglipt. Liever eindig ik als een blij ei in een verpleeghuis dan dat ik de dood best leefbare maanden of jaren cadeau doe.

Ik wil die man niet zijn, ik ben hem nooit geweest

Waarom ik blijf aarzelen?

Het lijkt me vreselijk ‘als blij ei’ mijn kinderen niet meer te herkennen. Maar veel gruwelijker vind ik de gedachte dat mijn zoon en dochter mij niet meer herkennen in de morsige, vuilbekkende, totaal verwarde despoot die ik met nog wat meer pech dan ben. Ik wil die man niet zijn. Ik ben hem nooit geweest.

Ik hoop dat tegen die tijd iemand zich herinnert dat ik ‘menswaardig’ wilde sterven, als mijzelf, en niet als een vreemdeling, een indringer, een man die niet eens voor de helft is wie hij was.

Als we de mens durven helpen doodgaan die altijd wist dat hij zó niet wilde leven en dat op papier heeft gezet toen hij dat nog kon, als patiënt, arts en naasten samen optrekken in hun zorg, dan mag euthanasie bij diepe dementie, en dan kan het ook, omdat meer artsen het ook zullen durven.

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct