Longread: Wat is nou eigenlijk Typysk Frysk?

BEELD CHRISTIAAN KUITWAARD

Friesland, dat is kaatsen en fierljeppen. Weidse uitzichten en spiegelgladde meren. Toch? In de serie Typysk onderzochten we deze zomer de identiteit van onze provincie. In deze longread hebben we al die verhalen gebundeld.

Deel 1: Wanneer ben je een echte Fries?

Cultuurredacteur Kirsten van Santen, antropoloog en import, duikt in haar eigen leven: wat moet ze doen om ooit een echte Fries te worden? Fries zijn is een gevoel, een constructie, iets vloeiends. Van water en bootjes houden, van rust en ruimte, van de greiden en de seedyk, van de brede horizon.

Deel 2: De zucht naar vrijheid en gelijkheid

De zucht naar vrijheid en gelijkheid zit diep in de Friese identiteit verankerd. De bron ligt in het middeleeuwse terpen- en veenlandschap, waar pionierende boeren het met elkaar moesten zien te rooien, schrijft erfgoed-redacteur Erwin Boers in deze historische analyse. Ruzie was er voortdurend, maar wie de baas over een ander wilde spelen, kreeg de wind van voren.

Deel 3: Hoe de eigen taal ons laat bloeien en beknot

Als er iets typysk Frysk is aan de Friese cultuur, is het wel de taal. Maar is er meer? Zijn het de terpen? Hoe zit het met ambitie? En wat doet Zwarte Piet daar, achter die terp? Cultuurredacteur Jacob Haagsma duikt in dit deel in de invloed van de Friese identiteit op kunst en cultuur.

Deel 4: Hét Friese landschap bestaat vooral in ons eigen hoofd

Misschien sprokkelt iedereen zijn eigen hoogstpersoonlijke typisch Friese landschap bij elkaar. We hebben immers alle keus. In die zin is een typisch Fries landschap misschien bovenal spiritueel. En nee, stop, geen paniek, we gaan niet zweven in dit essay van verslaggever Jantien de Boer. Of nou okee, een beetje.

Deel 5: Altijd weer de boeren

Is er een Friese economische identiteit? Opschaling, internationalisering en digitalisering, de opkomst van zzp’ers, flexwerkers en recent thuiswerkers, hebben ook hier de boel opgeschud. Economieverslaggever Irene Overduin probeert de puzzel te leggen. ,,Ik hou stukjes over. Met plaatjes van boeren.’’

Deel 6: Wat als je niks hebt met fierljeppen, kaatsen en skûtsjesilen?

Waarom heeft de ene persoon alles met fierljeppen en niets met kaatsen en slaat bij een ander het hart alleen op hol bij skûtsjesilen? Bestaat dé Friese identiteit eigenlijk wel op sportgebied? ,,It binende element, dat is de emoasje. It jin mei-inoar ferbûn fielen, derby hearre wolle. Mar jo moatte wol yn de kultuer opgroeie.’’ Aha, daar is het bij mij dus misgegaan, ontdekt sportverslaggever Johann Mast in dit deel.

Deel 7: Hoe ‘typisch Fries’ een bestuurlijke zwakte werd

Friesland staat slecht op de kaart in politiek en bestuurlijk Den Haag. We missen straatvechters met gewiekste streken. Het afsluitende verhaal van politiek verslaggever Saskia van Westhreenen gaat over hoe ‘typisch Fries’ een bestuurlijke zwakte werd.

Deel 1: Wanneer ben je een echte Fries?

loading

Nu ik meer dan de helft van mijn leven in Friesland woon, maar me nog steeds niet ‘typisch Fries’ voel of als zodanig word gezien, is het tijd om eens onverbiddelijk naar mijn leven te kijken. Doe ik wel genoeg mijn best?

Kort nadat ik eind jaren negentig van de vorige eeuw (!) een vast contract bij de krant kreeg, moest ik bij toenmalig adjunct-hoofdredacteur Sybe van der Meulen komen. Wie bij de LC werkt, moet Fries kunnen, gaf hij me te verstaan. Dat had ik weleens gehoord, maar ik had er verder nooit grondig over nagedacht. Dus hup, naar Terschelling, voor een cursus Frysk van de Afûk op de Folkshegeskoalle Skylgeralân.

Voordat ik het wist, zong ik – 21-jarige backpacker die door Nieuw-Zeeland en de Rocky Mountains had getrokken – uit volle borst het lied Rizende simmermoarn . Wat bistû leaflik, rizende simmermoarn! ’t Opgaande sintsje laket my oan. En: Protters dy’t tsjotterje, eksters dy’t skatterje. Alles is fleurich, ik bin it mei!

Het voelde eerlijk gezegd nogal potsierlijk. Mijn hart voor het Fries ging er in ieder geval niet per se sneller van kloppen. De avonden in café De Groene Weide waren een stuk interessanter. Maar de volgende ochtend, mijn hoofd nog nazoemend van een woeste nacht, vroeg ik juf Sjoerdtsje (kort kapsel, parelketting, stevig schoeisel) bij het ontbijt braaf om de pot nútsjesmoar .

Openhartiger

Jaren later. Aan de telefoon een oudere vrouw die overduidelijk Friestalig is. Ik hoor dat ze haar best moet doen om Nederlands te praten, dat het Fries haar vermoedelijk makkelijker valt. Dat ze dan ook openhartiger zal zijn. Ik kijk snel om me heen. Iedereen is druk bezig. Om me heen klinkt een bedrijvig geroezemoes, precies zoals het hoort, op een redactie. Nu kan het wel, denk ik. Dus zeg ik, haast fluisterend: ,,Jo kinne wol Frysk tsjin my prate, hear.’’ Dan gebeurt dat merkwaardige wonder weer. Om me heen wordt het ineens muisstil. Mijn collega’s zwijgen, ik zie ze nog net niet hun oren spitsen. Van Santen spreekt Fries! Nou, nou! Tjongejonge! En dan durf ik al niet meer.

Een zomer, ergens aan het begin van deze eeuw – misschien was het 2001, misschien 2002. Ik heb mijn eerste en enige verkering met een echte Fries. Nou ja, ‘echt’, dat weet ik niet zeker: H. is een geadopteerde Koreaan uit een dorpje aan de Waddenzee. Hij ziet er misschien minder als ien fan ús uit, maar als we tijdens een weekeinddienst het erf van een oude boer in Gaasterland op lopen, moet ik het doen met een bijrol. Zodra H. Fries begint te praten, wordt hij omarmd. Ik, Nederlandstalige, blijf een buitenstaander. Ik zie de boer argwanend naar me kijken. Hollandse vrouw, hoog op de benen, bekakte ‘r’. Nee, dan liever die gesellich Fries keuvelende Koreaan.

Een paar jaar geleden. We overleggen over de klussen die de cultuurredactie deze week moet klaren. Rients Gratama wordt 80 – daar moeten we wat mee. Ik spring op, want Rients, voor hem heb ik een enorme zwak. En dat is nog een understatement. ,,Dat doe ik wel’’, zeg ik gretig en noteer de klus al op mijn to-do-lijstje. Collega S. kijkt me verbaasd aan en schudt zijn hoofd. ,,Nou, eh … Rients, die kun jij toch niet doen?’’, zegt hij. ,,Die is hartstikke Friestalig!’’ Maar ik zet door en Rients maakt het allemaal geen bal uit. Het wordt een mooi interview.

Een paar maanden geleden zit ik te peinzen over een onderwerp voor mijn column en ik zeg tegen collega J. dat ik misschien maar iets ga schrijven over Friese les op school. Mijn kinderen zijn in Leeuwarden geboren, ik kom oorspronkelijk uit Utrecht en hun vader uit het Westland, dus we doen er thuis niet veel aan. Ik opper dat voor dit soort kinderen, stads en met importouders, Friestalig onderwijs niet per se nodig is. Dat ík dat niet per se nodig vind. Mijn collega haalt uit. ,,Dat kan je echt niet opschrijven hoor. Dat kan echt niet wat je zegt!’’

Ik zie dat hij kwaad is. Of nou, op zijn minst geërgerd. Ik heb iets verkeerds gezegd.

Ik blijf

Onlangs, op een verjaardagsfeestje in de Randstad, is het weer zover. Flauwe grappen over Friesland. Over Blokkeerfriezen, stijfkoppigheid, dat het hier saai zou zijn. Ik voel me genoodzaakt me te verdedigen. ,,Kom je niet meer terug dan?’’, vraagt iemand bezorgd. Mijn moeder begint meteen verheugd te kijken. Zou het dan, eindelijk, toch nog? Krijgt ze haar dochter terug? Ik woon hier meer dan de helft van mijn leven – ik kwam in Leeuwarden wonen toen ik 21 was en ben nu 45. In het Westen heb ik niets meer, in het Noorden is alles. Maar nog steeds wordt die vraag me gesteld. ,,Nee’’, zeg ik onverbiddelijk. ,,Ik blijf.’’ Mijn moeder slaat haar ogen neer.

Nog een laatste voorbeeld. Twee jaar geleden voer ik in een bootje achter ultra-zwemmer Maarten van der Weijden aan. Het was zijn eerste poging om de Elfstedentocht zwemmend af te leggen. Wat klein begon, ontpopte zich als een mega-event. Ik twitterde erop los, duizenden mensen lazen mee. Langs de kant riepen mensen mijn naam. Dat nam toe toen we door mijn lievelingsgebied voeren: het Bildt.

Het kan de vermoeidheid zijn geweest, of ik viel ten prooi aan een zekere vorm van massahysterie, maar ik keek vanaf mijn bootje naar de oevers, vol riet en mensen, trekkers en koeien, kinderen en spandoeken, boerderijen en watervilla’s en ineens schoot ik vol. We voeren door Alde Leie en ik raakte overmand door een of andere emotie. Iets in de trant van: hier wil ik bij horen.

Identiteit, het blijft een lastig onderwerp. Kan je het aan- of uittrekken als een jas? Word je ermee geboren en kom je er nooit meer helemaal van af? Moet je identiteit koesteren of mag je er een beetje minzaam over doen? Omdat ik meer dan de helft van mijn leven in Friesland woon, mag ik me dan een Fries noemen? Of blijf ik import?

Als ik even vrijuit mag spreken – een Randstedeling ben ik niet meer, vind ik zelf. Alleen al hoe ik er uitzie – sportief, vlot gekleed, maar niet bepaald superhip. Als ik bij mijn Amsterdamse zusje en haar vrienden ben, voel ik me een soort natuurmens. Authentiek, noemen de Amsterdammers me. Hoe ik tegenwoordig autorijd, vind ik ook typisch Fries. Rustig en niet zo gejaagd als ze in Amsterdam en Den Haag doen.

Ik ben ook geneigd om iedereen die ik tegenkom te groeten. En ik claim weinig ruimte. Ben bescheiden. Dring me niet op. Ach nee. Wat een onzin. Ook ik ben gestrest. En soms groet ik niet. Dan ben ik bars en onbehouwen. En ik neem juist heel veel plek in. Dus vergeet het bovenstaande maar weer. Klopt niet.

Taal is cultuur

Ik gooi het nog eens over een andere boeg. Mijn docent Henk van Dijk op de universiteit Utrecht waar ik culturele antropologie studeerde (de leer van de mens in zijn culturele hoedanigheid), had een nuchtere kijk op cultuur en identiteit. ,,Taal is cultuur’’, zei hij. ,,En daarmee uit. Taal bepaalt hoe we de wereld zien, hoe je erover praat, hoe je je voelt en denkt.’’

In dat opzicht, denk ik weleens, blijf ik buiten de Friese cultuur staan. In mijn eentje, in de gure wind. Want ik spreek – foei! na al die jaren! – nog steeds geen vloeiend Fries. Ondanks de Afûk-cursus. Ik versta het overigens wel.

Ik snap dat ik met mijn niet-Fries spreken mijzelf enigszins buiten de Friese identiteit plaats, zeker in de ogen van wel-Friestaligen. Identiteit is vaak iets dat je van buitenaf krijgt opgelegd, iets dat anderen aan je toeschrijven – of je wilt of niet, zo werken sociale processen nou eenmaal. Maar, ik zal het maar eerlijk zeggen, toch voel ik me ook Fries. Terwijl mijn wieg hier niet stond, mijn school evenmin en in mijn stamboom ontbreekt het kleinste druppeltje Fries bloed.

Als ik terugkijk op twee decennia in Friesland, twintig bepalende jaren waarin ik een baan kreeg, trouwde, moeder werd, een huis kocht – kortom: jaren waarin ik me settelde en nestelde – dan is de rode draad in deze periode dat ik heen en weer werd geslingerd tussen enerzijds erbij horen en anderzijds buiten de groep staan. Soms kwam dat door mijn eigen toedoen, soms door toedoen van buitenaf.

Ik denk weleens: hoe fijn moet het zijn als je dat heen en weer geslinger niet hebt. Als je uit Blije of Workum komt, Fries bent, punt, uit. Als je eilander bent en dat altijd zult blijven. Als vele generaties voor je al op ’e pleats woonden en jij nu ook. Maar helaas, zulke imposante wortels heb ik niet. En aan mijn verleden kan ik niets veranderen. Ik kom uit de provincie Utrecht en heb geen Friese voorouders.

Kan ik dan toch nog Fries worden? Zijn mijn hier geboren kinderen Fries? Is taal de enige sleutel? Moet ik op herhaling bij de Afûk? Is dat genoeg? Ben ik dan Friezin? Moet ik bij de kaatsclub? Fierljeppen leuk vinden? Net doen of skûtsjesilen me interesseert? Of ieder jaar meedoen aan de betinking fan de Slach by Warns? De Slachte lopen?

Zal ik al het werk van Gysbert Japicx, Aggie van der Meer, Abe de Vries én Rink van der Velde lezen? Moet ik misschien vogelaar worden? Van de grutto gaan houden? Meedoen aan een iepenloftspul? Tegen windmolens zijn? In een dorp gaan wonen en dan meehelpen met het versieren der praalwagens? Deel uitmaken van de mienskip? Secretaris van de wijkvereniging worden? Is het dan genoeg?

Hoe meer dingen ik aan deze lijst toevoeg, hoe bespottelijker het wordt. Zodra je probeert te zeggen wat ‘typisch Fries’ is, is het dat juist nét niet. Ik moet denken aan een spreuk van de Chinese wijsgeer Lao Zi, waarmee mijn vader vroeger altijd kwam aanzetten als het over moeilijke dingen ging. ,,Tao. De naam die genoemd kan worden, is niet de eeuwige naam.’’

De Tao (natuur, kosmos, alles bij elkaar) bestaat wel maar is niet direct te omschrijven. Dat zou ook voor de Friese identiteit, of voor welke andere identiteit dan ook, kunnen gelden – je kunt het wel proberen en je komt ook wel in de buurt, maar volledig is het nooit.

‘Regionale identiteit is een constructie’, schrijft historicus Marcel Broersma. En het zijn de media die voortdurend aan die constructie, een verbeelde gemeenschap, bouwen en sleutelen. De Leeuwarder Courant heeft daarin van oudsher een belangrijke rol gespeeld. Maar de wereld is complexer geworden: overkoepelende identiteiten verdampen. De samenleving raakt gefragmenteerd en daarmee worstelt iedereen, ook de krant zelf.

En het gaat niet goed met de Friese taal. Er wordt minder Fries gesproken en op school is het een ondergeschoven kindje, stellen bezorgde taalactivisten. Zij wijzen op het recht om Fries te spreken, want immers: het is een rijkstaal. Meneer Van Dijk van de universiteit zou ook bezorgd zijn, want zonder taal verdwijnt een groot deel van de cultuur, zo leerde hij mij. Hoe meer talen, hoe beter. Leve de diversiteit! Pas op voor de monomane cultuur!

Maar er is hoop.

Vorige maand was ik bij het afscheid van Ira Judkovskaja van Tryater. Deze Russin, die met haar moeder en oma in de jaren 90 als asielzoeker naar Nederland kwam, stond 12,5 jaar aan het roer van het Friestalige gezelschap. Eerst bestierde ze Tryater samen met zakelijk leider Siart Smit (import), inmiddels is dat Valentijn Fit (import). Drie niet-Friezen leidden Tryater de ‘culturele basisinfrastructuur’ in, de eredivisie van de kunsten. Tijdens het afscheid, waarop Ira werd geridderd door commissaris Arno Brok (eveneens import), deden Smit en Fit moeite om Fries te spreken, maar schakelden – met excuses – over op het Nederlands. Ik keek en luisterde en zag het licht: de Friese taal en cultuur blijken gedragen te kunnen worden door iedereen. Ook door-niet-Friessprekende nieuwe import-Friezen!

De laatste jaren komen er meer jonge kunstenaars uit Amsterdam naar Leeuwarden om theater en muziek te maken en om Friestalige toneelteksten te schrijven. Sommigen zijn geboren en getogen in het Westen, anderen zijn Friezen die terugkeren omdat hier, onder meer door Tryater, een interessant klimaat is geschapen. Ze staan met een been in de Randstad, met de andere in het heitelân. Dat is mooi. En het is misschien wel ontzettend, ongelofelijk typisch Fries om open te durven staan voor invloeden van buiten en tegelijk zo goed uit te kunnen leggen wat er ‘hier’ zo bijzonder is, zodat nieuwkomers geïnteresseerd raken.

‘Gemengd zijn’ is wat verreweg de meeste mensen bepaalt, schrijft antropoloog en commentator Stephan Sanders in de Volkskrant in december 2018. Hij las het werk van de Amerikaanse filosoof Anthony Kwame Appiah: The lies that bind. Rethinking Identity. Kwame Appiah stelt daarin dat identiteiten vloeiend zijn en dat ‘al die grote identiteiten leugens zijn.’ We blijven ons van etnische constructies bedienen om ons niet alleen te voelen en omdat ze een politiek doel dienen. Daar is op zich niets mis mee, schrijft hij, zolang je je identiteit maar ‘vederlicht’ draagt.

Vederlicht. Zo draagt uitgever Steven Sterk zijn identiteit in ieder geval wel. Journalist Erik Betten interviewde hem voor zijn interessante boek: De Fries, op syk nei de Fryske identiteit, dat in 2013 verscheen. Ik leende het uit de Leeuwarder bibliotheek – zo te zien was ik de eerste lezer. Het boek was nog als nieuw.

Steven Sterk zegt hierin dat hij zich een ‘kosmopolitische plattelander’ voelt. Hij beweegt heen en weer tussen lokaal en internationaal, en haalt een wijsheid van de Sioux-indianen aan. Die zeggen, als ze gevraagd wordt wat wel of niet typisch Sioux is: ‘Men is Sioux als men zich Sioux voelt’. Sterk: ‘As men jin ferbûn fielt mei de minsken om jin hinne, mei dit hoekje fan de ierde. Guon dy’t hjir al desennia wenje, ha dat noch altiten net. Oaren komme hjir en fiele har nei in pear wiken hielendal thús.’

Iets vloeiends

Fries zijn is een gevoel, net als Sioux zijn. Een constructie. Iets vloeiends. Iets waarbij taal een grote rol speelt, maar wat ook buiten de taal kan bestaan. Laten we daarbij vooral het landschap niet vergeten. Hoogleraar Friese taal en letterkunde Goffe Jensma heeft daarop herhaaldelijk gewezen: dat opvattingen van identiteit tegenwoordig verschuiven van taal en geschiedenis naar het landschap. Typisch Fries is van water en bootjes houden, van rust en ruimte, van de greiden en de seedyk, van de brede horizon.

Ook import-Friezen hebben toegang tot deze categorie. Dat herken ik wel. Ik heb het met het Bildt, met Zwarte Haan, met de dikke kluiten klei die ’s winters in de regen liggen te glimmen. Daar voel ik iets bij.

Ik voel me geen typische Fries en ook geen Bilkert, geen import en geen Randstedeling. Ik voel iets kleins maar fonkelends binnenin me. Dit is thuis. Of nou ja, dit is een gevoel dat iets met thuis-zijn te maken heeft. Voor even of voor wat langer. Misschien wel voor altijd.

Hoe dan ook. Nu, hier, voel ik het. Ik ben een vederlichte Fries en soms, als niemand luistert, zing ik zachtjes Rizende simmermoarn.

Deel 2: De zucht naar vrijheid en gelijkheid

loading

,,Trotsheid is vooral voor Friesen onverdraaglyk, en zy kennen geen levendiger vermaak dan de vernedering van een hoogmoedig mensch’’, vertelt de Hedendaagsche Historie , of Tegenwoordige Staat van alle Volkeren in 1785.

Aan opscheppers hadden de Friezen dus een broertje dood. Verder waren ze vrijheidslievend en openhartig, ook al dat ging soms gepaard ,,met eene styfhoofdigheid, die ‘t zeer bezwaarlyk maakt om hen van hunne eens opgevatte voorneemens af te brengen.’’ Ze golden ook als tolerant: ,,Indien een vreemdeling genegen is zich eenigzins te schikken, wordt hy ook nog al ingeschikt.’’

Het zijn eigenschappen die hedendaagse Friezen nog graag in zichzelf herkennen, maar het boek somt ook een paar nare trekjes op uit de oude terpentijd. De drankzucht der Friezen was namelijk bron van ,,veelerhande geschillen, vechteryen en doodslagen’’.

De grootste oude passie der Friezen bestond bovendien uit dobbelen. In dit spel waren ze zo fanatiek dat alle principes opzij werden gezet. Wanneer al hun eigendommen vergokt waren, schroomden ze niet ,,hunne vryheid ten laatsten op den teerling te zetten.’’ Ze waren dus liever slaaf dan te stoppen met het spel.

Rode draad

Volksaard was een populair onderwerp in de achttiende eeuw. Sommige auteurs verkondigden onzin, maar de beschrijvingen bevatten voor Friesland wel degelijk een steekhoudende rode draad: Friezen waren graag baas over eigen land, ze lieten zich door buitenstaanders niet vertellen wat ze moesten doen en ze hadden een hekel aan rangen en standen.

Over Friese identiteit is de afgelopen jaren veel geschreven. De meeste wetenschappers zijn het er over eens dat de Friezen hun eigenheid door de eeuwen heen steeds opnieuw hebben vormgegeven en ingekleurd. Vooral de negentiende eeuw geldt als een cruciaal tijdperk.

Na het verlies van Napoleon ontstond het Nederlandse koninkrijk, waarin Den Haag als bestuurscentrum veel macht naar zich toe trok. Friesland verloor toen veel aanzien en zeggenschap over zaken die tot dan toe in het eigen gewest waren geregeld. Dat deed pijn: de Friezen die vroeger betrekkelijk rijk en invloedrijk waren geweest, zagen hun land ineens gedegradeerd tot een afgelegen buitengebied.

De economie was kwetsbaar en bovendien begon de centrale overheid het Nederlands op te dringen als standaardtaal voor het hele volk. Die combinatie van pijnlijke ontwikkelingen bood brandstof voor een sterke Frieszinnige beweging. De Friese taal werd omarmd als een symbool van eigen identiteit en trots. Later zou ook het landschap een belangrijke drager worden van het ‘Fries eigene’.

Daarmee ging een diepere en oudere laag echter niet verloren: de zucht naar vrijheid en gelijkheid. ,,De Fryske frijheidssin wie yn it fiere bûtenlân bekend’’, zegt historicus en taalkundige Oebele Vries, gastonderzoeker bij de Fryske Akademy. ,,Ek de sissenskip foar elk wie wichtich’’

Warns, Grutte Pier en Bonifatius

Wie de middeleeuwse helden en heroïsche momenten uit de Friese middeleeuwen bekijkt, ziet deze elementen steeds terugkeren. Dat begint bij Redbad, de heidense Friese koning, die zijn territorium in de achtste eeuw verdedigde tegen de christelijke Franken. Prediker Bonifatius moest het in 854 bezuren, toen hij de Friezen bij Dokkum wel even wilde vertellen wat ze moesten geloven. Zij sloegen hem dood.

Uiteindelijk werd de christelijke Frankische koning Karel de Grote toch de baas in Friesland, maar volgens de verhalen zou hij de Friezen een privilege van zelfbeschikking hebben toegezegd. Zie daar de Friese Vrijheid, die tot het einde van de middeleeuwen werd bevochten tegen indringers. De piraat Grutte Pier wordt wel gezien als laatste held uit die strijd. Hij was de schrik van de Hollandse zeevaarders en hielp hun stad Medemblik verwoesten.

Het zuiverste moment van die Friese zelfbeschikkingsheroïek is de slag bij Warns. De graaf van Holland, die meende dat Friesland van hem was, voer in 1345 met zijn troepen naar Stavoren, waar hij de Friezen tot onderdanigheid wilde dwingen. Dat bleek een dodelijke vergissing. Uit heel Friesland kwamen gewapende mannen naar de Zuidwesthoek, waar ze de Hollandse troepen in de pan hakten. De verwaande Hollandse graaf moest het met de dood bekopen.

Achter deze Friese heroïek schuilen een hoop nuances. Historici hebben nooit een bewijs gevonden van een Fries vrijheidsprivilege. Historicus Paul Noomen toonde zelfs aan dat de Friezen wel degelijk onderdanigheid toonden aan de Hollandse graven, zolang hun bemoeienis binnen de perken bleef. Grutte Pier werkte samen met de hertog van Gelre, die Friesland bij zijn Gelderse rijk probeerde te voegen. Dat maakt zijn verhaal ongemakkelijk.

Oude kroniekenschrijvers en monniken zochten dan ook selectief naar oude verhalen om de Friese Vrijheid te legitimeren. Dat moest wel, want in Friesland woonde geen graaf of een andere hoge baas. Edellieden in andere gebieden zagen dit als een mooie mogelijkheid om het gewest aan hun eigen gebied toe te voegen.

Dat gevaar moesten de Friezen zien af te wenden. Vries: ,,Sy seinen: ús frijheid komt fan Karel de Grutte.’’ Uiteindelijk kwamen geleerde Friezen zelfs met een geschreven bewijs op de proppen, ,,mar dat privilege bestie net echt, it dokumint wie in ferfalsing.’’

De laat-middeleeuwse Friezen verwezen nooit naar koning Redbad, want met zo’n heidense woesteling als voorvader maakte je een slechte indruk binnen christelijk Europa. Pas later werd hij weer als held op het schild gehesen. Schrijvers selecteerden dus steeds bronnen die van pas kwamen voor de Friese belangen van hun eigen tijd.

Vooral bij machtswisselingen kwam die zoektocht op gang. ,,Dat zie je bijvoorbeeld heel sterk na de opstand in 1580’’, zegt historicus Hans Mol, onderzoeker aan de Fryske Akademy en hoogleraar middeleeuwse geschiedenis in Leiden. Friesland maakte zich los van de onderdrukking door de Spaanse koning Philips II. Vervolgens richtten de Friese Staten samen met Holland en enkele andere gewesten een nieuwe natie op: de Republiek der Verenigde Nederlanden.

Onmiddellijk begonnen Friezen in hun eigen historie te speuren. Ze herinnerden zich het bestaan van een democratisch systeem op het platteland, waarbij de boeren en landbezitters in iedere grietenij (gemeente) hun eigen grietman (burgemeester) konden kiezen. ,,Maar ze wisten niet meer precies hoe dat werkte’’, zegt Mol.

Versplinterd door terpen

Ze bedachten een nieuw kiessysteem dat Friesland omstreeks 1600 tot het meest democratische gebied van Europa maakte. Historicus Jonathan Israël stak hierover afgelopen jaar de loftrompet in het blad De Vrije Fries. Die boerendemocratie leidde echter ook tot problemen, zegt Mol.

Friesland was na Holland het rijkste gewest, maar betaalde naar verhouding veel te weinig belasting om de gezamenlijke landsverdediging te financieren. Dat gaf zoveel wrevel dat het bestuurssysteem uiteindelijk weer gewijzigd werd. Daarna kreeg de adel meer macht.

De vroege vormen van democratie en het Friese vrijheids- en gelijkheidsbeginsel zijn een afgeleide van het landschap, zegt Mol: ,,In zekere zin is het ook een oer-Nederlands verhaal: dat zit in het veen en de terpen.’’ Een groot deel van Friesland was tot ver in de middeleeuwen alleen bewoonbaar op verhoogde plekken, die dicht bevolkt raakten. Daar moesten bewoners voortdurend nauw samenwerken.

Essentieel voor de Friese geschiedenis is bovendien het gebrek aan ,,accumulatie’’, zegt Mol. Er was geen heerser die van bovenaf de wetten kon opleggen aan grote gebieden. ,,Op jouw terp was iemand de baas, maar de terp verderop werd weer door iemand anders beheerd.’’ Niemand slaagde erin om boven de anderen uit te stijgen.

Elders in Europa wisten heersers wel machtsbolwerken op te bouwen. Dat gold ook voor de Hollandse graven, die hun machtssysteem met geweld wisten op te dringen aan West-Friesland. Ze slaagden er echter niet in om de bewoners van de huidige provincie Friesland op de knieën te dwingen. Alles bleef hier dus kleinschalig en versplinterd.

Op de terpen zaten kleine baasjes, de zogeheten hoofdelingen, die geleidelijk een adelssysteem ontwikkelden, dat van vader op kind werd doorgegeven. Friesland telde honderden van zulke hoofdelingengeslachten. Dat verklaart ook waarom er zo gigantisch veel kerken, kloosters en stinzen in Friesland stonden, zegt Mol.

Als er een graaf de baas was, dan zorgde die voor de bouw van enkele grote kastelen en kloosters. In Friesland streefden al die honderden hoofdelingen echter allemaal zelf naar een eigen kerkje en een stins. Zo ging het ook met de kloosters, die de adel toegang boden tot belangrijke connecties en een prettig hiernamaals. In gebieden waar een graaf de macht had, werd vaak één kloosterorde heel groot. Mol: ,,Iedere graaf had zijn love bab y.’’

In Friesland ging dat anders, want hoofdelingen probeerden de buren van een terp verderop de loef af te steken. Toen de cisterciënzers in Rinsumageast hun abdij Klaarkamp stichtten, kwam onmiddellijk in het nabijgelegen Hallum een klooster van de concurrerende norbertijnen tot stand.

Mol: ,,De hoofdelingen gingen winkelen. Dus: als de buurman bij het ene klooster gaat, dan ga ik bij een ander. Zo vulde het landschap zich voortdurend met nieuwe concentraties.’’

Gelijkwaardig door veen

Minstens zo belangrijk was de grootschalige ontginning van het veen, die zo’n duizend jaar geleden op gang kwam. ,,Mensen begonnen daar slootjes te trekken, dan kreeg je dus een soort vinex-wijk. Je verdeelt dan de partjes en zo krijg je een systeem met allemaal boerderijen naast elkaar.’’

De boeren waren hierdoor automatisch gelijkwaardig aan elkaar. Mol: ,,Het is niet voor niets dat ze op het veen de grootste mond hebben.’’ Het ontgonnen veen begon overigens wel te zakken, waardoor het grote waterproblemen ondervond. Dan moesten de bewoners opnieuw samen aan het werk om het landschap bewoonbaar te maken.

Het bleef dus eeuwenlang pionieren geblazen voor de boeren, die weinig gezag van boven merkten: ,,Je had autonomie binnen een gemeenschappelijke identiteit.’’ De boeren hadden relatief veel macht en hielden die ook: ,,Eigenlijk zie je dat in Friesland nog steeds.’’

De Stellingwerven sloten zich rond 1300 aan bij Friesland, om aan de macht van de Utrechtse bisschop te ontsnappen. Mol: ,,Zij hebben de Friese autonomie overgenomen. De Friese Vrijheid werd dus een exportproduct.’’

Een groot Fries rijk?

In de late middeleeuwen is slechts een serieuze poging gedaan om een groot Fries rijk te stichten. Dat gebeurde vanuit het Duitse Ost-Friesland, waar het hoofdelingengeslacht Cirksena in 1461 een graventitel kreeg van de Duitse keizer.

Graaf Edzard Cirksena hoopte ook Groningen en Friesland bij zijn gebied te trekken, zodat er een grote Friese staat tot stand kwam. Hij kwam een heel eind, maar werd uiteindelijk verslagen door de hertog van Saksen.

In de canon van onze Friese geschiedenis kreeg de graaf een eigen hoofdstuk. ,,Mar yn East-Fryslân stiet gjin inkeld stânbyld foar Cirksena’’, zegt Vries. De Duitse Ost-Friezen zijn hun eigen graaf dus vergeten, maar hechten nog wel sterk aan het Friese vrijheidsgevoel, merkt hij.

Het gebied waar de Cirksena’s heersten, verruilde de Friese taal voor het Nedersaksisch, net als de Groningers. Ost-Friezen zien hun vrijheidsgevoel nog als typisch Fries, terwijl Groningers helemaal afstand hebben gedaan van hun oude identiteit.

Tot in de negentiende eeuw leefde het Friese gevoel overigens nog op het Groninger platteland, weet Vries. Ook Hollanders zagen zichzelf in een ver verleden als Friezen, maar in de loop van de middeleeuwen begonnen zij zich als een afzonderlijk ‘Bataafs’ volk te beschouwen.

Alleen de noordelijke Hollanders in West-Friesland koesteren nog een Frieszinnige identiteit. Hun enorme mondigheid past in het rijtje typisch Friese kenmerken die in 1785 al beschreven werden: ,,Ook zyn ze van een aanzienlyk en bevallig weezen, waarin eene onbeschroomde achtbaarheid doorstraalt, welke zy, vooral in ‘t spreeken, door een rondborstige vrymoedigheid weeten aan den dag te leggen.’’

Deel 3: Hoe de Friese taal en cultuur ons laat bloeien en tegelijk beknot

loading

,,Wil jij een kopje thee?”

Ik was, hoe oud was ik? Klein in ieder geval. Mijn moeder vroeg me om een man uit te nodigen die bij ons loonbedrijf een zakelijke boodschap had, een heer met een hoed op, dat weet ik nog. En niet Friestalig. ,,Wilt U een kopje thee”, moest ik zeggen van mijn moeder. Maar ik was eigenwijs, in het Fries is ‘jo’ immers de beleefde aanspreekvorm en dat leek meer op ‘jij’ dan ‘u’. Dus.

Het zijn misschien wel mijn eerste woorden in het Nederlands geweest. Verder was Fries de voertaal - in het gezin, in het dorp. En op de kleuterschool. In de eerste klas van de lagere school, nu zou je ‘groep 3’ zeggen, trouwens ook. Onze lagere school, in Sondel, maakte deel uit van een experiment: veel ruimte voor het Fries.

Pas aan het eind van dat eerste schooljaar kwam er wat Nederlands bij. En daarna was steeds één heel dagdeel bestemd voor het Fries. Met dat Nederlands kwam het sowieso wel goed, ook via radio en televisie en de krant. Vrijwel de hele school was Friestalig van huis uit - ik herinner me één meisje, Anna, die buiten de lessen Fries nooit een woord in die taal sprak. Moest kunnen.

Verder waren Nederlands en Engels de talen van buiten, de talen waarin de wereld tot ons kwam. Fries was de taal van ons, van ons eigen kleine wereldje. Al konden we er wel om gniffelen dat het Fries zo veel gemeen heeft met het Engels, qua woordenschat en grammatica ( ik ha west , al hoor je dat niet vaak meer correct gebruikt).

Ik bofte wel met het Fries. Op het Bogerman College kon je in de brugklas ook Fries krijgen - het hoefde niet, er waren twee soorten brugklassen. Een paar jaar en twee keer zittenblijven later koos ik, enigszins uit balorigheid, voor het Fries als examenvak.

Dat was opnieuw een experiment, destijds (rond 1980) waren er welgeteld twee scholen in heel Friesland waar dat kon. Ik haalde er zelfs de eindexamenrubriek van de Volkskrant mee. Heel veel belangstelling was er niet, trouwens: we hadden les samen met de leerlingen van de havo (ik deed vwo). Douwe Willemsma, FNP-gemeenteraadslid en broer van beeldhouwer Ids, stampte het Fries er bij ons in.

Weinig belangstelling

Dat er weinig belangstelling was voor Fries als eindexamenvak is eigenlijk wel raar. Het is immers voor velen van ons in Friesland de moedertaal, en Nederlands is wel verplicht. Die balorigheid waarmee ik mijn keus maakte verdween trouwens al snel, al kon ik toen nog niet vermoeden dat ik er nu, als LC-journalist die Friezen in het Fries citeert en ook verder nog wel eens een stuk in de memmetaal tikt, nog zo veel profijt van zou hebben.

Nog op de middelbare school kreeg ik veel lol in de Friese literatuur. Ik las veel meer dan strikt noodzakelijk voor de boekenlijst. Dat er nu niet direct een Nobelprijswinnaar bij zat, dat was me ook wel duidelijk. Maar er viel genoeg te ontdekken: ouder werk van Rein Brolsma of Nyckle Haisma, modernere (in meerdere opzichten) boeken van Anne Wadman en Trinus Riemersma, de grootste wat mij betreft. En: het was allemaal in het Fries, in mijn eigen taal. En het speelde zich vaak af in mijn eigen provincie. Dus dat voelt dan dichtbij.

Och, had iedereen in zijn jonge jaren maar zo’n gedegen educatie in het Fries gehad. Een die verder gaat dan een uurtje per week Friese liedjes zingen. Dan waren er vast meer jonge literatoren, muzikanten en theatermakers geweest die voor de memmetaal gaan. Maar de werkelijkheid is weerbarstiger.

Vraag het dichter Tsead Bruinja. Die kreeg op de Dr. J. Botkeskoalle in Damwâld ,,hiel goed ûnderwiis yn it Frysk”, maar toen het gezin naar Kollum verhuisde was dat voorbij. ,,Dêr waard folle minder Frysk praten, en ek oars. Foelst op ast goed Frysk pratest, en dat wie net altiten posityf.”

Vraag het zangeres en theatermaakster Nynke Laverman. Of vraag maar niet. ,,Ik kin my dêr amper wat fan herinnerje.” Later op de middelbare school had ze de keus tussen Fries en Latijn. ,,Allebeide koe net. Ik keas Latyn, ik tocht, dêr ha ik mear oan as it giet om ynsjoch yn oare talen.”

Ze had wel het geluk dat ze opgroeide in Weidum, ,,yn de Greidhoeke, wêr’t goed Frysk praten waard.” Ze had veel aan haar moeder, zelf wat minder Friestalig want afkomstig uit de Stellingwerven. ,,Dy woe wol goed Frysk leare, dat se die in kursus. Dêr ha ik ek in soad fan oppikt.”

Maar toch. Ook al vertaalt ze wel toneelstukken in het Fries, ze vertrouwt zichzelf nog niet helemaal met haar moedertaal. Er moet nog iemand ,,dy’t der echt in stúdzje fan makke hat” naar kijken. ,,Wol apart. It is myn eigen taal, de taal dêr’t ik my thús yn fiel. Dêr sit in diskrepânsje.”

Een omweg naar het Fries

Bruinja’s weg naar het Fries was een omweg - via het Nederlands en het Engels, de taal waarin hij zijn eerste gedichten en teksten schreef. En via Groningen, waar hij betrokken raakte bij literaire festivals als Dichters in de Prinsentuin en Winterschrift. Hij ontmoette Marijke de Boer, toen redactielid van het Friese literaire blad Hjir die hem om gedichten vroeg, hij las de poëzie van Albertina Soepboer - ,,hiel moai” - en hij zag Tsjêbbe Hettinga optreden.

Dat zette hem aan om zelf ook in het Fries te dichten, al moest hij nog wel wat aan zijn taal doen. ,,Ik hie in aksint, en ik leau dat ik de tiidwurden ek noch omdraaide.” Dat veranderde wel toen hij, tijdens zijn schoonmaakbaantje nota bene, in het Fries aan het dichten sloeg. Over een onderwerp dat wel heel dicht bij hem stond: zijn doodzieke moeder. ,,Doe gie de boarne yn ien kear iepen. Ik fûn myn eigen stim, myn eigen kearn.”

Bij Nynke Laverman sloeg het Fries toe via Amsterdam. Daar op de Kleinkunstacademie, waar ze in de klas zat met Wende Snijders, was ze eigenlijk helemaal niet bezig met dat Fries. ,,Je wolle net de hiele tiid as dat Fryske famke delsetten wurde.” Tot ze, op verzoek van haar klasgenoten, een liedje in het Fries zong - een vertaling van een nummer van Jacques Brel.

,,Nei twa sinnen koe ik net mear fierder sjonge. Ik hie gjin idee wat der barde. It grypte my sa oan. It siet ynienen folle tichter by myn emoasje.” En ze kreeg meteen oor voor de muzikale kwaliteiten van haar eigen taal. ,,Ik fielde dêr in leafde foar dy’t ik net hie foar it Nederlânsk of it Ingelsk.”

Het Fries, dat muzikale Fries dat haar zo na aan het hart bleek te liggen, bood haar ook de uitweg om eindelijk iets te doen met de Portugese fado, op zo’n manier dat ze er zelf wat aan toe kon voegen. Iets eigens. Dat werd Sielesâlt , haar doorbraak.

Lucht bij erfgoed

De voordeur is geblokkeerd, appt Sjoerd Bootsma, loop maar achterom. Best Fries en best plattelands, ook al woont hij in Leeuwarden en is hij ondanks zijn naam eigenlijk niet eens Fries want geboren in Gelderland. Voor Bootsma, die graag nadenkt over zulk soort dingen, zijn Lavermans fado-vertolkingen een dankbare verrijking voor het Friese erfgoed.

,,Ik geloof dat erfgoed geen sterfgoed moet worden. Er moet lucht bij kunnen, nieuwe invloeden, betekenissen, relaties. Dan vernieuwt het zich en daar wordt het sterker van. Als je het onder een stolp zet, verdwijnt alle zuurstof eruit. En dan wordt het eng. Kunst is bij uitstek een discipline die voor nieuwe zuurstof kan zorgen. Nynke Laverman die verbindingen maakt tussen het Fries en fado, dat is een voorbeeld van hoe je de taal, je Friese erfgoed levendig houdt, vernieuwt.”

Bootsma is iemand in de Friese culturele wereld. Mede-oprichter van Podium Asteriks en de festivals Welcome To The Village en Explore The North, nauw betrokken bij Culturele Hoofdstad en legacy -organisatie LF2028. We praten over Welcome To The Village, het festival waar hij tot vorige week artistiek leider van was. Is dat een Fries festival?

,,Het is een regionaal festival, geen stadsfestival. Regio’s lijken meer op elkaar dan we denken. De uitdagingen waar ze voor staan, de waarden die ze aanhangen. Krimp, verschraling van biodiversiteit, mienskip of noaberschap, net hoe je dat wilt noemen. Het is Fries omdat het hier is en door Friezen wordt gemaakt. Met soms een Fries en Friestalig programma, maar soms ook niet.”

Van alle Culturele-Hoofdstad-projecten was Under De Toer misschien wel het meest typisch Fries, denkt Bootsma. Dat speelde zich immers af in en rond kerken, opgetrokken op terpen. En laten we de invloed van die terpencultuur op Friesland en de Friezen niet onderschatten.

,,Als we duizend jaar teruggaan in de tijd, zien we een waterrijk gebied, zonder dijken en zonder polders, met heel veel terpen. Elders in Europa werden op centrale plekken grote kathedralen gebouwd, hier kreeg elke terp zijn eigen kerk. Het wordt hier wat minder gewaardeerd als je als een kathedraal overal bovenuit steekt, maar er zit ook een soort schoonheid in.’’

Van alles een beetje

,,Omdat je gewend bent om altijd samen te werken, te helpen, te zorgen dat iedereen van alles een beetje heeft. Dat heeft een kracht en een zwakte. De neiging om te nivelleren is in een regio als deze vrij sterk. Dat zie je ook in de nieuwe cultuurnota van de provincie: iedereen een beetje.’’

,,Niet echt keuze maken. En als er te weinig is, iedereen een beetje minder. Ik vind het heel goed, hoor, dat nieuwe generaties een stem krijgen, en dat het veel diverser is geworden. Het is allebei. Ook die terpencultuur.”

Hoe help je de zaak dan vooruit? Bootsma ziet het zo. ,,Het is een uitdaging om te zorgen dat er genoeg Friestalig talent is. Dat begint op de basisschool. Het kunstonderwijs hebben we verdomde hard laten verslechteren. Als je investeert in goed kunstonderwijs, dat je kinderen stimuleert zich in hun eigen taal te uiten, daar begint het mee. Als je als provincie de Friese taal en cultuur echt een boost wil geven, moet je zorgen dat er spannende, inspirerende kunst wordt gemaakt, waardoor jonge mensen denken: wauw, dat wil ik ook. Die moet je opleiden, in de basis en in de top.”

En als dat talent zich eenmaal heeft ontpopt, komt het aan op: ambitie. ,,Het is moeilijk om hier ambitie te hebben. Je kunt je druk maken over waarom slimme jonge mensen weggaan, maar dat heeft ook hier mee te maken. Een van mijn lessen van Culturele Hoofdstad is dat ambitie het beste tegengif is tegen het Calimero-syndroom.’’

Een kathedraal bouwen

,,Want ambities motiveren zeker je beste mensen om echt boven zichzelf uit te stijgen en iets goeds te doen wat ook effect heeft op heel veel anderen. Daarom is dat zo belangrijk. Soms moet je wel die kathedraal willen bouwen.”

En soms moet dat dan zonder het Fries. Nynke Laverman werkt aan haar nieuwe voorstelling, plus bijbehorend album, Plant . Grotendeels in het Engels. Lange tijd wilde ze de wereld de muzikaliteit van het Fries laten horen, maar met Plant wil ze iets met de wereld delen waarvoor het Fries niet toereikend is. ,,De gefolgen dy’t ús manier fan libjen yn it Westen hat op de wrâld.”

Op zich geen nieuw thema voor haar en partner Sytze Pruiksma, ,,mar it wurdt wol hieltyd urgenter. Wy sitte hjir wol moai by Weidum tusken de greiden, mar it is allegearre dea produksjelân.”

Bruinja merkte hoe hij met zijn Friese poëzie al snel landde in het Friese literaire wereldje: gedichten in Hjir , een eigen bundel. ,,Dat wie my yn it Nederlânsk sa gau net slagge.” En nu dicht hij in het Fries èn in het Nederlands, als Dichter des Vaderlands. Vanuit woonplaats Amsterdam houdt hij Friesland wel degelijk in de gaten, en hij signaleert ook verdeeldheid op de Friese terpen.

,,Ik bin Frysk dichter, gjin Fryske beweger. Dat wegerje ik. En ik bepaal lekker sels wannear as ik yn it Frysk dichtsje. Ik bin eigen baas.” Zijn gedichten, in zijn hoedanigheid als Dichter des Vaderlands royaal verspreid in de media, roepen hoe dan ook wat op, ten goede of ten kwade. ,,As ik wat sis oer Swarte Pyt, wurdt der protesteard. Krij ik klappen.”

Blokkeren is on-Fries

En daar kan Janpier Brands zich weer kwaad over maken. Brands, muzikant bij Meindert Talma, voormalig directeur van het Leeuwarder popcentrum Neushoorn, daarvoor lang verbonden aan de Academie voor Popcultuur aldaar en nu directeur van het Rotterdamse kunstcentrum Worm, stelt dat hij de Blokkeerfriezen niet begrijpt. En dat gaat, let op, ook over Friese identiteit en cultuur.

,,Dat fyn ik ten djipsten ûn-Frysk. Hoe kinst dat no dwaan, de A7 blokkeare foar in oare minderheid.” Want dit is wat hij altijd heeft meegekregen over Friezen, terpencultuur, minderheden: ,,Datst solidêr bist mei oare minderheden. Frieze wiene de earsten dy’t de Feriene Steaten erkenden, dy’t har tsjin slavernij yn Suriname kearden. Omdat wy witte hoe’t it is, om allinne te stean as minderheid. Doe mei dy blokkade, doe snapte ik der neat mear fan.”

Wat hem vooral ergert, is dat zulke groepen op de loop gaan met de Friese identiteit en de symbolen daarvan - je krijgt soms bijna een rare smaak als je een Friese vlag ziet wapperen. ,,Dy aksje fan dy Boeren by Skearnegoutum, ‘Fryslân’ skriuwe mei trekkers: wat wolle se dêr mei sizze? Wat is harren ferhaal no krekt? Wy moatte dy Fryske identiteit werom kleme. Dy flagge is net fan jimme, dy is fan ús.”

Vanuit het wel heel stedelijke Rotterdam, waar witte mensen op hun beurt een minderheid vormen, ziet hij dat Friesland helemaal niet zo’n homogene cultuur heeft. ,,De stêdske dynamyk is hjir fansels folle grutter, mar yn Ljouwert hast dy ek.”

Over ambities wil hij nog wel wat zeggen. ,,Der is in slach artysten dy’t yn Fryslân wol rûnkomme kin, mar ast in bytsje alternativer bist, moatst wol fierder sjen. It is as mei dy transportbedriuwen dy’t yn plakken as Stroobos en Surhústerfean opdûke. Jonges mei ambysje, dy wolle fierder. Mar dy komme ek altiten wer werom.”

Deel 4: Hét Friese landschap bestaat vooral in ons eigen hoofd

loading

,,Wat is voor jou een typisch Fries landschap?’’, vroeg ik laatst aan een vogelman. Hij antwoordde dat hij aan groene landerijen dacht en aan jagende luchten en aan zichzelf in de weidse vlakte. ,,En dat het dan lijkt alsof ik alleen op de wereld ben.’’

Vlak daarvoor las ik een interview met Maxim Februari. ,,De mens is geen datasetje maar maakt deel uit van het universum’’, zei de schrijver-filosoof. ,,We zijn deel van een groter geheel.’‘

Ik humde instemmend. Niet alleen de mens, dacht ik, maar ook het landschap is veel meer dan een datasetje alleen.

In mijn keuken hangt een schilderij van wijlen Els Hupkes, de echtgenote van Ferdi Elzas, die in 1987 Gerrit-Jan Heijn ontvoerde en vermoordde. Ze schilderde een heuvelachtig landschap met bomen en links onderin een vriendelijk, scheef, groot huis, met roede-verdeelde ramen.

Het is een lief schilderij dat geborgenheid uitstraalt en als ik er naar kijk ontroert het me omdat ik weet wie het heeft gemaakt. Toen een arrestatieteam haar man oppakte, werd ook Els Hupkes met een zak over haar hoofd uit huis gevoerd. Het leek alsof er middenin de nacht een bom ontplofte, schrijft ze in haar boek De Kleine Britt .

Het hele gezin werd uit bed gesleurd. In alle kamers van het huis liepen mannen in het zwart. En een paar uur later hoorde Els in een cel, gekleed in een plastic overall, dat ze werd verdacht van medeplichtigheid aan wederrechtelijke vrijheidsberoving en zware mishandeling met voorbedachte rade.

Net als haar kinderen had ze geen flauw benul dat Ferdi de ontvoerder en moordenaar van Gerrit Jan Heijn was. Haar zoon zei jaren later dat hij tijdens de verhoren, toen hij hoorde wat zijn vader had gedaan, in een dichte mist was weggezakt waar hij niet meer uit kon komen.

En lang na die oerknal schilderde Els dus dat veilige huis in een heuvellandschap. In mijn ogen is het veel meer dan gewoon een landschappelijk datasetje met een bosje en solitaire bomen en landerijen in verschillende schakeringen groen. Ik zie een toevluchtsoord, ik voel kalmte.

Datasetjes

En zo denkt iedereen ook het zijne over het Friese landschap dat natuurlijk niet gewoon één typisch Fries landschap is. Het stikt hier werkelijk van de datasetjes. Neem alleen al de Waddenzee en het coulisselandschap in De Noardlike Wâlden met boomwallen en elzensingels en koeien in knusse, beschutte weilanden. Van daaruit rijd je zo naar het open, winderige terpenland achter de dijken en dan weer terug naar de meren, de kliffen, de heidegebieden en de bossen.

Friesland bestaat uit heel veel landschappen, misschien is dat juist typisch Fries, maar mijn hoogstpersoonlijke Friese land is toch het open land. Het laaggelegen waterland, met zeiltjes die langs de horizon scheren. Ik ben acht, zit aan het roer in een zeilboot en ben bang dat ik op ramkoers lig met een zestienkwadraat in de verte. ,,Geen zorgen’’, zegt mijn vader die mij leert zeilen. ,,Kijk maar naar het baken op de wal.’’

Ik tuur naar de positie van de zestienkwadraat en het rode driehoekje aan de horizon. De boot schuift er langzaam voorbij. ,,Zie je wel’’, zegt mijn vader. ,,Dat betekent dat we niet botsen. Hij gaat straks voor ons langs.’’

De theorie heet de aanvaring-peiling, weet ik nu. Ik herinner me het spattende schuim, het baken in de verte, het geklapper van het zeil, het roer in mijn zweethanden en de Goïngarijpster Poelen waarop mijn overgrootvader, bakker te Sneek, in de jaren dertig van de vorige eeuw ’s middags na het werk al zeilde. Als hij even rust hield, zette hij thee met een keteltje water uit het meer.

Misschien sprokkel je onbewust landschapsbewustzijn in je jeugd. Bij harde wind en grijze schuimkoppen op woelig water denk ik aan mijn broer en ik, in onze roeiboot. Staand op de bodem hielden we vuilniszakken in de lucht, die ons terug naar lager wal bliezen.

In de herfstvakantie gingen we surfen, in strakke, rubberen wetsuits. Als we vielen stak de kou er als een mes doorheen. Friesland was riet, gras, wind en water en bij tijd en wijle proefde je gevaar.

Soms waren de meren ineens ongenadig en verdronken er mensen en soms ook zagen we op zoele zomeravonden vanuit de kuip van onze zeilboot een oranje gloed aan de horizon. Hooibroei kon boerderijen in vlammen doen opgaan, leerde ik. Onderin de boot, in de hondenkooi, huiverde ik bij de gedachte aan stiekem, smeulend hooi dat even eerder, tijdens de ‘ȗngetiid’ oftewel de oogstperiode nog zo feestelijk was binnengehaald.

Het landschap is meer dan een dataset. Veel meer dan een boompje hier, een poel daar, en de scheve dampalen van een overbodig geworden hek in de verte. Het zwiept je terug naar lang geleden, of juist naar ‘de kracht van het nu’. In de zomerbijlage van dagblad Trouw noemde een yogalerares de waddeneilanden deze maand nog heel modern ‘krachtplekken’, oftewel ‘grote spirituele vindplaatsen’.

Misschien bedoelde ze dat mensen zich, met hun tenen in het zand en de blik naar de zee gewend, onderdeel voelen van dat belangrijke geheel waar Maxim Februari het in het begin van dit verhaal over had.

Cultuurlandschap

In 2010 werd Friesland door de Vereniging Nederlands Cultuurlandschap uitgeroepen tot het ‘mooiste cultuurlandschap van Nederland’. Matthijs Schouten, ecoloog en huisfilosoof van Staatsbosbeheer, sprak tijdens de prijsuitreiking over het belang van historische landschappen.

Jaren geleden was hij met studenten op veldtocht in de Burren, een oeroud uitgestrekt landschap in Ierland. Er was ook een verveeld meisje bij. Zeldzame bloemen noemde ze ‘plastic’. Ze liet zich nergens door betoveren tot ze op een rij stenen ging zitten en Schouten haar vertelde dat ze op een 4500 jaar oude muur zat. De volgende dag zei ze dat ze het zo ‘cool’ had gevonden. In haar verbeelding had ze het oude dorp in het oude landschap gezien. Ze was aangeraakt geweest door iets groters.

Ik las het en dacht aan de Grienedyk, de oude dijkweg tussen Firdgum en Minnertsga die rond het jaar 1200 werd opgeworpen om de Middelsee te keren. De dijk ligt nog altijd hoog in het landschap. In de zomer is het er lieflijk, in de herfst en winter blaast de wind er keihard in je oren.

Zevenhonderd of achthonderd jaar geleden was ik vast en zeker al jong aan ontberingen overleden, maar nu fiets ik er op mooie dagen overheen. De Griene Dyk is veel ouder dan wij. Op de Griene Dyk voel ik me een pluisje in de tijd. En zo koestert iedereen zijn eigen, persoonlijke Friese landschap.

,,Is niet de relatie met onze omgeving een van de meest intieme die we in ons leven kunnen aangaan?’’, schrijft directeur Bert Looper van het Friese archief Tresoar in zijn voorwoord bij het boek ‘ Ienkennich lânskip, eenkennig landschap ’ van dichter en schrijver Eppie Dam en fotograaf Gijs Dragt.

Het boek eert het riet, het bouwland, een boom langs een sloot, een veengat, zwarte elzen, gele plompen en grauwe wilgen, maar het is ook scherp. Want de weilanden hebben nu de kleur van ‘gamma-latex’. ,,De kleur ferkeapet himsels’’, schrijft Dam. ,,En weiland moet zijn naam bevechten op een groene vorm van migraine’’, oftewel ,,- en greide befjochtet syn namme op in griene foarm van migrêne.’’

Twee jaar geleden al kwam het boek uit en de controverse over de kleuren en geuren van het land is na alle trekkerprotesten van de afgelopen maanden alleen maar scherper geworden. Het landschap staat onder druk. En nee, niet alleen van de boeren maar van ons allemaal.

Niet voor niets pleitte rijksbouwmeester Floris Alkemade vorig jaar voor een ‘new deal’ tussen boeren en de maatschappij. Samen met het college van rijksadviseurs maakte hij het vergezicht Panorama Nederland, met plaatjes van koeien in nat laag sappig gras en zonnepanelen op daken in plaats van in de weilanden.

Het is een plan waar je met goed fatsoen eigenlijk niet tegen kunt zijn, maar gek genoeg wordt het al links en rechts door de werkelijkheid ingehaald. Overal schieten zonneparken, windmolens en datacenters de grond uit en ondertussen moeten we trots zijn. Trots op groene energie die onze eindeloze honger naar elektriciteit stilt. Trots op de werkgelegenheid. Trots op ons land dat de wereld voedt.

Brij van windmolens

Arm landschap. Als je vanuit Leeuwarden richting Bolsward rijdt verspert een brij van windmolens het zicht op de stad en we zijn er nog lang niet. Vorig jaar hoorde ik een planoloog in Den Haag zeggen dat alle Nederlandse windturbines bij voorkeur in de zogenaamd ‘kansrijke gebieden’ moeten worden neergezet.

Ik schrok wakker. Want die kansrijke gebieden, waar het bijna altijd waait, liggen in Friesland, Groningen, Drenthe en Zeeland. En ja, zo’n concentratie van molens aan de randen van Nederland zou best eens opschudding onder de bevolking gaan geven, zei de planoloog. Om te voorkomen dat de periferie een ‘wingewest’ voor de Randstad zou worden, dienden de windrijke regio’s daarom te worden gecompenseerd.

Met spiegeltjes en kraaltjes zeker, dacht ik bitter.

Filosoof en oud-directeur van het Wereld Natuur Fonds Johan van de Gronden maakt zich al jaren kwaad over het typisch Nederlandse nuts-denken dat het landschap bedreigt. In 2014 zei hij dat landschappen blijkbaar alleen tellen als je er in kunt wandelen, of fietsen, of varen, of er anderszins geld mee kunt verdienen.

Nooit mag iets er gewoon zijn. Dat er ook vogeltrek-routes lopen door de kansrijke windgebieden op zee en op het land? Jammer dan. De industrie vreet stroom en ook onze elektrische fietsen, waarmee we deze corona-zomer Nederland herontdekken, moeten nu eenmaal worden opgeladen.

Twee weken geleden nog maakten onderzoekers van de Wageningen Universiteit bekend dat de sterfte onder vogels door windmolens zwaar wordt onderschat. In de besluitvorming wordt daar veel te weinig rekening mee gehouden.

In feite is het natuurlijk weer het oude liedje. We gaan voorbij aan alles wat er onder onze neus kapot wordt gemaakt, maar we maken ons wel druk over stropers in Afrikaanse natuurparken.

In 2015 bracht het Wereld Natuur Fonds samen met verschillende soorten-organisaties het eerste Living Planet Report voor Nederland uit waarin de toestand van onze nationale natuur in kaart werd gebracht.

Er waren bijna geen lichtpuntjes. Of zoals Johan van de Gronden destijds zei: ,,Op het Nederlandse platteland is het zo’n bende dat er op termijn economisch noch ecologisch garen bij valt te spinnen.’’

Achteruitgang

Ook het nieuwste rapport, uit februari dit jaar, laat vooral dalende cijfers zien. Over de hele linie namen alle dier-populaties in heel Nederland sinds 1990 met 15 procent af. En in het agrarische land en in open natuurgebieden zoals heidevelden ging het met een achteruitgang van 50 procent nog veel slechter.

En ja lezer, ik hoor u morren. Ik begon dit verhaal toch met een lofzang op de meren. Op de Griene Dyk? Op de Wadden? Op het coulisselandschap in Noardeast-Fryslan?

Friesland is mooi. Maar het landschap is als een huis waaruit de bewoners worden verdreven. De grote sterke gebruikers zijn er nog steeds. Dat zijn wij mensen. Maar zo langzamerhand maken we wel heel veel op. De koelkast raakt al aardig leeg.

Dit voorjaar verscheen het boek Veldwerk , van dichter Jan Kleefstra en kunstenaar Christiaan Kuitwaard over het verdwijnen van de biodiversiteit in de Friese natuur.

Minstens een keer in de veertien dagen trokken de makers erop uit. Jan Kleefstra noteerde alle geluiden, Christiaan Kuitwaard ving het landschap in waterverf. ,,Er moet iets gebeuren’’, zegt Kuitwaard in de inleiding. ,,Wij kunnen en willen niet leven in een omgeving waar geen plaats is voor andere aardbewoners naast onszelf en onze landbouwdieren.’’

Er is heus nog schoonheid, vindt Jan Kleefstra, maar die wordt wel bedreigd. En misschien helpt het, noteert hij, als we gaan nadenken over de gevolgen van ons handelen voor de aarde en de dieren en alles wat leeft.

In Nieuw Zeeland heeft de Whanganui-rivier bij wet het recht gekregen om rivier te zijn, vertelt hij in het boek. Eigenlijk is het natuurlijk idioot dat je zoiets vanzelfsprekends in een contract moet vangen. Maar blijkbaar moet het. En met Veldwerk leveren de makers een schreeuw om respect voor het Friese landschap af.

Op 23 april 2018, om kwart over acht ‘s avonds zitten de mannen bij buurtschap Soarremoarre. Het land ligt er ,,moe en zwijgend bij’’, noteert Kleefstra. ,,De vijftig liederen van de veldleeuwerik zijn haar wijs gemaakt. Grutto’s balanceren hoog boven de gestaag wegkwijnende weideklanken. Zo klinkt de koning die niet vergeten wil worden.’’

Ik blader terug naar de inleiding van het boek. Naar de woorden van drs. A. A. M. Brok, onze commissaris van de koning die schrijft dat de veldleeuweriken, ,,die minstens vijfduizend jaar in ons landschap hebben gezongen’’ nu bijna zijn verdwenen. ,,Als we willen dat het weer de goede kant op gaat, moeten we allemaal ons steentje bijdragen.’’

Mooie woorden.

Maar een paar maanden geleden nog schoof de gemeente Waadhoeke de bescherming van het landschap op de lange baan. Eindelijk, eindelijk, eindelijk zou er vaart mee gemaakt worden, maar op het laatste moment toch weer liever niet omdat het gebied rond Franeker en Harlingen eerst herverkaveld moest worden. De gebruikers van het gebied hadden geen belang bij restricties. Het nut was weer eens leidend.

Pijnlijk

Pijnlijk is ook het verhaal van de Pingjumer Gulden Halsband, de oudste binnenringdijk van Friesland, die dik duizend jaar geleden werd aangelegd om de bevolking op zeven terpen tegen het water te beschermen. Tot 1892 deed de dijk dienst als zeewering, daarna werd hij deels afgegraven.

Jarenlang vochten de inwoners van Pingjum voor een beschermde status van de restanten waar nu een wandelroute langs loopt. Nooit eerder in Nederland was een dijk tot monument verklaard, maar vorig jaar oktober was het eindelijk zover. Niet alleen de dijk, die in gure natte tijden met bloed, zweet en tranen werd opgeworpen, maar ook de polders en weilanden er omheen werden voor de toekomst bewaard.

,,Uniek’’, jubelde de Friese afdeling van de erfgoedvereniging Heemschut. Mogelijk zouden andere bedreigde, gave, eeuwenoude dijkjes in Friesland nu ook beschermd kunnen worden.

Eind goed, al goed. Maar begin dit jaar bleek dat een deel van de Pingjumer Halsband bij nader inzien niet meer tot monument kon worden verheven. Het stuk was plat geschoven door een boer die last had van de welvingen in het land. In 2015, toen de gemeente ter voorbereiding op de monumentenstatus de dijk in kaart bracht, was het dijkdeel er nog. Maar in de aanloop naar de monumentenstatus werd het vernield.

Het kon en het mocht. Destijds was de dijk immers nog geen monument. En zo wordt de geschiedenis op veel meer plekken in Nederland uitgewist. Geen haan die ernaar kraait. Niemand die zegt dat de boer de glooiingen van de Gulden Halsband maar weer moet herstellen. Weg is weg.

Misschien zijn we wel afgestompt.

Laatst keek ik vanaf een bovenverdieping naar een rij tuinen in een nieuwbouwwijk. Ik zag strak betegelde achtererven waar driehoekige doeken boven waren gespannen voor de broodnodige schaduw. Bijna overal stond een barbecue op wielen en voor de afwisseling hadden sommige bewoners een bloemenposter of een plaatje van een tropisch strand aan hun schutting geprikt.

Het was hoogst onderhoudsvriendelijk allemaal. Ik kreeg er dorst van.

Ik snap dat het fijn is om een tuin te hebben waarin alles onder controle is. Maar ik kan me ook voorstellen dat het prettig is om in een decor te vertoeven dat je niet kunt aanvegen omdat het groter is dan jijzelf. Eigenlijk denk ik dat we daar vaak naar zoeken.

Ik herinner me een bloedhete zomermiddag, twee jaar geleden, onder een boom bij de sloot. Aan de andere kant van het water lag een haas. Hij hield zijn oren plat en dacht dat hij, met zijn kin en buik diep in het gras, onzichtbaar was. Het was doodstil. We waren twee wezens in een landschap dat trilde van de hitte. Twee onderdeeltjes in een groot, zinderend geheel.

Als de haas er niet had gelegen had ik me die middag vast niet meer herinnerd. Maar ik weet het nog omdat hij er lag. Een levend, ademend, wild deeltje in de dataset van het landschap.

Wolken

Maar was het wel Fries? Wat vinden anderen eigenlijk typisch Fries? Ik vroeg het maandag aan Christiaan Kuitwaard toen ik hem belde omdat ik graag een van zijn waterverven als illustratie bij dit verhaal wilde hebben. ,,Wolken’’, zei hij. ,,Ik vind wolken typisch Fries.’’

Ik bladerde in Veldwerk en las nog eens wat Jan Kleefstra over Soarremoarre schreef. ,,Als ik mijn hoofd iets achterover buig rest er bijna geen grond meer. Alleen de aandoenlijkheid van wolken houdt mijn taal nog bezig.’’

Wolken ja. Riet. Plat land waarover de storm vanaf zee komt aanrollen. Op 9 februari vorig jaar nam ik het geluid ervan op. Onder het dak van de schuur hoorde je de wind suizen en razend aanhalen. Het leek bijna alsof het huis met alles erin elk moment kon opstijgen.

Een typisch Fries landschap is denk ik een landschap van de zintuigen. Weids, ruim, lieflijk, onheilspellend, altijd wind tegen en nu en dan een natte poot.

Afgelopen weekend reed ik vanuit Rotterdam terug naar Friesland. Ik probeerde te kijken met de ogen van een buitenstaander. Al op de Afsluitdijk zag ik het kerktorentje van Cornwerd. Ik zag het water, de grijze lucht en even verderop schapen op een strak afgekloven dijk. Ik passeerde een ingestorte schuur, keek naar de toren van de Grote Kerk in Harlingen en boven dat alles dreven grote witte wolken. Op een of andere manier vond ik het allemaal typisch Fries. Ik was ehmmm, mja, thuis.

Deel 5: Altijd weer de boeren

loading

,,Is Stegenga der net?’’ In de bovenzaal van Hotel Goerres in Akkrum keek een grote boer over mij heen. Collega Willem, de befaamde landbouwverslaggever, zat met zijn maten ergens in een kroeg. Ik, de jonge vrouwtjesjournalist, verving hem. ,,Stegenga hat in wichtiger putsje’’, zei ik.

Tussen de ruitjesblouses ging ik luisteren naar de vergaderboeren achter de tafel op het toneel. Het was 1990.

Een paar jaar eerder was ik in Leeuwarden aangekomen. Op een zondag, met de trein vanuit Utrecht, rugzak, fiets en schaatsen mee. Friesland was bedekt met mist. Het land leek zee, de boerderijen waren schepen. Ik was verrukt.

Een dag later begon ik bij persbureau Penn van Klaas Jansma. Vanuit Leeuwarden berichtte het bureau over het Friese nieuws in landelijke media. Jansma was een harde baas, het leerde snel. Over de economie moest ik onthouden: Friesland is een land van boeren en schippers. Van klei, zand en veen, van coöperaties en een hele berg afkortingen van verenigde belangen, ABTB, CBTB, UTD, CCF, CAF, FRS, IFKS, SKS, NAK. Inderdaad begon en eindigde elke bijeenkomst waar ik verslag van deed met de oproep om gear te wurkjen.

Hier geen prikkeldraad, er waren sloten. Iedereen wist altijd waar hij was, feilloos werden de windstreken aangewezen, dáár is de zee. Friezen waren kenners van het weer en van ijs en ze konden uitzonderlijk goed vertellen.

Zelfredzaam, taai

Dertig jaar later vat de bijlagenredactie van de LC het plan op om ‘de Friese identiteit’ te ontleden. Het hoofdstuk economie is voor mij. Het is nogal een worsteling. Waar moet ik de vinger bij leggen, welk perspectief moet ik kiezen? Goed beschouwd was dat boeren- en schippersverhaal van Klaas eind jaren 80 al achterhaald, al wordt het nog steeds graag uitgeserveerd. Ik denk vanwege associaties met zelfredzaamheid, taaiheid, kop in de wind.

Identiteit impliceert begrenzing. Eerst maar eens een hek om het onderwerp. Ik zie het voetbalstadion van Klagenfurt voor me, dat vorig jaar door de Zwitserse kunstenaar Klaus Littmann werd volgeplant met bomen. Je kunt er gratis op de tribune gaan zitten en kijken. Velen dachten dat Littmann een klimaatactivistisch statement maakte, maar dat is niet zo. Wie kijkt moet zich verhouden tot wat hij ziet, dat is alles.

Een verleidelijk beeld. De Friese economie als een overzichtelijk bos waarin alle bomen met hun wortels verstrengeld zijn, de kruinen elkaar kopjes geven, de grootsten niet alle licht van de kleintjes wegvangen. Een traag groeiend, fijn woud waarin van alles krioelt en ritselt. Met muren die de kijkrichting dwingend bepalen: naar binnen.

We kennen elkaar in Friesland allemaal en komen elkaar altijd weer tegen, nietwaar? In wisselende afhankelijkheid zodat de kantjes nooit echt scherp worden.

Het beeld is me te cliché, te vastgespijkerd, te gesloten. Het hint nadrukkelijk op het ‘DNA fan Fryslân’, dat kleffe, rassenwaanzinnig marketingconcept dat ons in 2018 voortdurend in de kelen werd gespoten.

Aan andere wankele beweringen over het Friese economiebos wil ik ook geen letters verspillen. De vermeend grote werklust bijvoorbeeld, de wederzijdse aanhankelijkheid tussen werkgever en werknemer, of het gebrek aan ambitie.

Ik parkeer mijn bos en ga cijfers bekijken. Het zou interessant zijn te weten hoeveel Friese bedrijven in de afgelopen twintig jaar een buitenlandse eigenaar hebben gekregen en later zijn teruggekocht. Dat zou iets kunnen zeggen over de gehechtheid aan de eigen, misschien wel ‘typysk Fryske’ manier van bedrijfsvoering.

Ik zoek data over het aantal baanwisselingen per werknemer. Over het aantal werknemers dat tussen de middag naar huis fietst om warm te eten. Of gaat lunchen in de stad. Het levert weinig op. Bakken vol Friese cijfers zijn er, maar in hoofdzaak gaan die over de agrarische sector, veel minder over andere bedrijfstakken.

Systeemplafond in het bos

De cijferaars opereren als Friese kunstenaars, die ook zelden industriële gebouwen of kantoren tot onderwerp kiezen. Ze kijken er omheen. Terwijl, of misschien ook wel omdat, het gros van de werkende Friese bevolking daar de werkdag doorbrengt.

Waarschijnlijk maakte juist daarom de installatie Habitat zo’n indruk op me. De kunstenaars Bouke Groen en Jerke Mulder monteerden in 2014 tijdens het festival Into the Great Wide Open op Vlieland een sy-steemplafond in het bos, compleet met tl-balken. Iedereen ging er spontaan onder zitten, ik ook. Het was vreemd, wat was daar in hemelsnaam te vinden?

Binnen werd er buiten, buiten werd binnen. Ik denk dat het geen toeval is dat Habitat in Friesland ontstond. Hier heb je op elk moment van de dag besef van buiten. Je kunt in de zorg, het onderwijs, de ambtenarij of de zakelijke dienstverlening werken, gekooid en geknecht, maar 5 minuten fietsen en je bent in agrarisch gebied waar je fraaie luchten cadeau krijgt. De nabijheid van buiten geeft een gevoel van autonomie. Ge-maakt-me-de-zeik-niet-lauw, dat.

Terug naar 1990. Bij persbureau Penn schoten de verdiensten niet op. Ik was overgestapt naar de al maar groeiende LC waar ik tegenover landbouwverslaggever Stegenga kwam te zitten. Meteen brak er boerenverzet uit. De graanprijzen waren te laag, daar hadden de aardappelboeren last van. Op 22 februari bestormden ze op hun trekkers de trappen van het Paleis van Justitie in Leeuwarden. Ik tekende het verhaal op van een boerin die zo zuinig aan moest doen dat ze een fietstochtje met haar kinderen van tevoren verkende om geen patattent te hoeven tegenkomen. Een Bildtse boerenleider nodigde me uit om eens mee te gaan op konijnenjacht. Het was relaxed. Met iedereen viel prima te praten.

Ik ging vaak voor Stegenga op pad, hij had het druk. Er viel oeverloos te schrijven over boeren, schaalvergroting, fusies. En drijfmest. Altijd weer ging het over drijfmest. Los het op, dacht ik vaak. Los het op! In plaats daarvan werd het ondergewerkt. De hardnekkige associatie van boeren met stront en urine, deed niets af aan hun status. De basishouding was: respect.

Hulpbehoevend economietje

Andere soorten bedrijvigheid dan de agrarische kregen in mijn ogen een karige en wat vreemde behandeling. Weerkerend ging het over werkloosheid, afbrokkelende Noordensteun, spreiding van rijksdiensten waar de klad in zat, het afglijden naar een filiaaleconomie, de gemiste kansen van Harlingen-Haven en het risico dat Philips uit Drachten zou vertrekken. Als het al over ondernemingen ging, waren overheid en subsidieregelingen nooit ver weg.

Het deed allemaal nogal afhankelijk aan, alsof Friesland een eigen hulpbehoevend economietje had. Terwijl Friesland deelnam aan een van de beste economieën ter wereld, de Nederlandse. Als een provincie maar 3 procent bijdraagt aan het bruto binnenlands product en er zoveel voor terugkrijgt, was blijmoedigheid ook een optie geweest.

Braindrain

Eén schijnbaar problematisch thema intrigeerde me bijzonder. De braindrain. Ik had er nooit eerder van gehoord. Goed opgeleide jongeren trokken weg uit Friesland. Naar plekken waar wél interessante banen waren op hun niveau. En wél doorgroeimogelijkheden. Uiteraard, dacht ik. Ga vooral weg van je geboortegrond, de wereld is groter.

Gaandeweg bleek de pijn niet alleen in de vertrekkers te zitten, maar ook in de achterblijvers. Wie in Friesland bleef en zijn top bereikt had, bleef jarenlang zitten op een wolk van gesmoorde ambities. Ik kwam een overmaat aan ouwe heren tegen met praatjes uit de oude doos.

Die verstopte arbeidsmarkt was een hardnekkig fenomeen waar pas tijdens de financiële crisis (2008-2014) de kurk af ging. Dat gebeurde hardhandig. Op grote schaal vielen ontslagen. Met kunstgrepen loosden werkgevers hun oudere gardes. Ze dunden uit, maar verjongden niet. Jongeren die net van de opleiding kwamen, werden massaal zzp’er.

In 2012 markeerde de daverende ondergang van de Friesland Bank het afscheid van dit tijdperk. Voor de trotse nazaat van agrarisch coöperatief Friesland ging de tijd te snel. Rabobank nam de boedel over en saneerde stevig.

Optimisme verkoopt

Twee jaar na het begin van de crisis was het leger zzp’ers al aangezwollen tot 24.000. De sfeer in werkend Friesland veranderde. Wie zichzelf en zijn talenten steeds opnieuw aan de man moet brengen, brengt beter een opwekkende boodschap. ‘Optimisme is een plicht’ werd het nieuwe credo, op Twitter parmantig vertaald met de hashtag #goedwurk. Nu, tien jaar later, zijn 34.000 Friezen zzp’er: 1 op de 10 werkenden. De coronacrisis raakte hen meteen vol in de maag.

De grotere, dikwijls afgedwongen flexibiliteit van de beroepsbevolking betekende niet het einde van de braindrain. Het verdriet hierover bleef ook. De generatie die er na de crisis stem aan gaf, was de verse culturele voorhoede die van Leeuwarden de Culturele Hoofdstad van Europa 2018 wilde maken. ‘Wij willen blijven, maar we blijven alleen als het interessant is’.

Was Friesland in de afgelopen decennia dan niet boeiender geworden? Voor hoger opgeleiden zeker wel. Een combinatie van internationale marktontwikkelingen en regionaal economisch beleid had na de eeuwwisseling gezorgd voor een grotere variatie aan banen en meer intelligent werk. Telde Friesland begin deze eeuw 59.000 banen op het hoogste niveau 4, nu zijn het er rond de 78.000.

De markt deed het meeste werk. Aangemoedigd door grenzeloos internet, goedkope vliegtickets, goedkoop internationaal telefoonverkeer, open grenzen in Europa en groeiende koopkracht in het buitenland waagden Friese bedrijven zich vaker aan internationale ontplooiing.

Een Friese handelspost opzetten in Riga was in 2006 opeens geen dwaze onderneming meer. Een stel avontuurlijke jongens uit de prille Friese ICT-scene deed het gewoon. ,,En door naar New York!’’ Er kwamen handelsmissies naar het opkomende China, deelnemers mailden naar de krant over ongelooflijke 8-baans wegen. China was veel verder dan iedereen dacht.

Die nieuwe internationale activiteiten vroegen om exportmanagers, kwartiermakers, normeringsspecialisten en kenners van het internationale handelsrecht, allemaal functies op niveau. Jarenlang liet de inmiddels flink gegroeide economieredactie van de Leeuwarder Courant wekelijks een Fries over de buitenlandse werkavonturen aan het woord. Ze zaten in alle bedrijfstakken, lang niet meer alleen in de agrarische.

Afgezet tegen de landelijke prestatie stelt het Friese aandeel in de export nog steeds weinig voor (circa 2 procent), maar groei is groei. Het cijfer verhult dat veel Friese bedrijven weliswaar niet zelf exporteren maar wel meeliften met exporteurs elders in het land. In de metaalsector gebeurt dat dikwijls.

Van oudsher was er ook een politieke drang om de Friese economie naar een hoger plan te helpen. Er was een diep besef van economische ijlheid: van bijna alles is te weinig om dominant te zijn, een ander afhankelijk te maken.

We zijn maar met weinig, 645.000 man/vrouw. Een gemeenschap met ongeveer de omvang van Rotterdam, maar zonder volwaardige haven, zonder achterland en tot voor kort verstoken van universitair onderwijs. Economisch aandikken was een logische wens.

Verschillende strategieën werden beproefd. Tot diep in de jaren 90 was het lokken van bedrijven van buiten de belangrijkste. Kandidaten kregen een wortel voorgehangen in de vorm van subsidies op bouwgrond en personeel.

Nu eens viel een vlaaienbakker voor de pegels, dan weer een fabrikant van vliegtuigkarretjes. Er zaten ook zeperds tussen. Het deed wat lukraak en soms ook onderdanig aan. Af en toe duwde het rijk een ambtelijke dienst deze kant op, maar dat waren ook niet altijd blijvertjes.

Geografische concentratie was de volgende strategie. Na lang soebatten werd een beperkt aantal industriële groeikernen aangewezen. Heerenveen was een van de winnaars, met het Internationaal Businesspark Friesland waar nu grote internationaal georiënteerde werkgevers zitten als A-ware, Fonterra en Ausnutria. Successen waren soms meer toeval dan beraamd.

Magneet

De jongste strategie is clusteren op inhoud. Versterking hoeft niet langer op Friese grondgebied plaats te vinden, zolang de Friese economie maar profiteert. Deze netwerkaanpak werkt aantoonbaar als een magneet op jonge slimmeriken.

Eerst kwam het Leeuwarder watertechnologie-instituut Wetsus met provinciale en stedelijke steun uit de startblokken, later het ICD, het Innovatiecluster Drachten.

In korte tijd wist de wateruniversiteit zich op te werken tot middelpunt van een groot, internationaal web van universiteiten en bedrijven. Binnen Friesland bracht het watercluster al tientallen bedrijven en bedrijfjes voort. Buiten Friesland zijn nieuwe markten ontwikkeld. Allemaal nog niet groot, maar wel in de voorhoede, met nieuwe banen op hoog niveau. Schoon water is mondiaal een urgent onderwerp, groei is aannemelijk.

Het ICD was aanvankelijk een club van Friese hightechbedrijven met Philips als middelpunt, maar kreeg al snel versterking van ondernemingen uit de omliggende re-gio’s. Het zijn er nu twintig. Vooraanstaand in hun vakgebied, internationaal actief. Een echte doe-club, die kennis en kenniswerkers uitwisselt.

Grenzeloos en toch geworteld. Deze ruimvallende jas past Friesland goed. Veel beter, naar mijn overtuiging, dan de strak afgebiesde Noordenjas. Die noordelijke beknelling houdt Friesland onnodig klein.

Het ei van Columbus zijn de netwerken niet. Ze genereren vooral banen in de technische en biologische hoek. De aanname dat investeringen in de top uiteindelijk ook banen op het laagste niveau genereren is een logische maar ik vond hiervoor geen overtuigend cijferbewijs. Feit is dat het aantal banen op het laagste niveau 1 in krap twintig jaar is teruggevallen van 34.000 naar 26.000. Het is een segment met veel matig gewaardeerde flexbanen.

Toch weer boeren

Doen de ijlheid van de economie en het gevecht ertegen iets met de identiteit? Ik zou het niet weten. Hoe ik de moderne Fries-economische identiteitspuzzel ook probeer te leggen, steeds past er iets niet. Ik hou stukjes over. Met plaatjes van boeren.

Een middag in 2018. In Post Plaza had ik afgesproken met collega Jantien de Boer die midden in een onderzoeksproject zat. Het was haar opgevallen dat het land zo stil geworden was. Ze miste de geluiden in het veld. Het floot, zoemde en ritselde nog maar zo weinig. Ze had een reeks interviews gehouden met boeren en burgers. Het verband met moderne agrarische technieken was onmiskenbaar.

Wat het project extra apart maakte was de enorme beladenheid. Praten over landschap bleek een hyper-emotionele aangelegenheid, vertelde Jantien. Sommige mensen reageerden woedend op haar vragen. Ook burgers. ‘Láát de boeren, ze hebben het al zo moeilijk, ze had zeker zelf geen boeren in haar familie, bek houwe, opsokkebolje.’ Landschapspijn werd een pijnlijk boek. Jantiens mailbox stroomde vol met haatmail.

Onder onze ogen, in luttele jaren, net te langzaam om alarmerend te zijn, waren met de ribbels, de dijkjes en de sloten ook de verhalen uit het landschap geveegd. De landbouw viel steeds moeilijker te begrijpen. Het gros van de melkveehouders was gaan lijken op managers van koeienmagen. Ze stuurden via hun computers een mix van abstracte verbindingen door de reactor en oogstten dan twee stromen, melk en mest.

Boerenstempel

Wanneer spreekt men nog een boer? Het bovenzaalcircuit is weg. Van de boerenstaat die Friesland ooit was (rond 1500 was ruim 70 procent van de Friese bevolking verweven met agrarisch activiteit), is nog maar een schim over. Een paar duizend man die elkaar op internetfora treffen.

Vanuit die relatieve onzichtbaarheid drukken ze niettemin een stevig stempel op het Friese economische leven. Achter elke melkveeboer staat een baaierd aan bedrijvigheid en een belangencluster van jewelste. Dierenartsen, kunstmest- en voerleveranciers, grondverzetters, melkrijders, mestverwerkers, banken, loonwerkers, kalverexporteurs, landbouwmachinebouwers, destructiebedrijven, de farmacie, noem maar op.

Ook ver buiten deze kringen wordt nog verbondenheid gevoeld. Menig Friese fabrikant die al lang iets anders maakt, heeft in de ontvangsthal vitrines staan met schaalmodellen van melkschuiten, botertonnen of kaaspersen. Vanouds en nog steeds zijn de lijnen kort met enkele politieke partijen, vooral CDA en VVD.

Bovenal: de boeren hebben grond. In Friesland driekwart van het vasteland. Juridisch hun eigendom (of van de bank of van de kerk), mentaal publiek bezit. Daar knettert het.

Haatdragend

Woensdagmiddag 18 december 2019. Trek-keractivisten blokkeren de toegangsbrug naar de Leeuwarder Courant en het Friesch Dagblad . De meeste zijn jonge loonwerkers. Enkele had ik ’s ochtends op het Zaailand en op de Tesselschadestraat gesproken. Ik spreek ze opnieuw aan. Hoezo deze blokkade? Ik kijk in keiharde, haatdragende ogen. ,,Kutkrant. Fake news, fake news.’’ Noem eens wat, probeer ik. ,,Kutkrant, ik lês him net.’’

Ik loop terug naar de redactie. Een kwartier later belt de balie: ,,Ze zijn binnen. Ze eisen dat de landbouwredacteur komt.’’

Voor dit verhaal was het misschien mooier dat ik, dertig jaar na dato, gezegd had: ‘Van der Meulen hat in wichtiger putsje’. Ik zei: ‘Ze kunnen de pot op’.

Later hoorde ik dat boerenbestuurders in Drachten op hetzelfde moment zwaar bedreigd zijn.

Bruine sfeer

Dat is de bruine sfeer van nu. Provocerend, intimiderend, knokploegachtig, wie snel stemming wil maken krijgt hulp van trollenlegers. De richtinggevende structuren zijn verkruimeld, vakbonden en standsorganisaties gemarginaliseerd, het gezag van instituties betwist. Fragmentatie is een leidende kracht geworden.

Latere generaties moeten maar duiden wat dit zegt over de Friese economische identiteit. Eén ding is wel duidelijk. Friesland, eigenlijk heel Nederland, is niet goed in het voortvarend aanpakken van agrarische problemen. Ontkennen, wegkijken, over de schutting gooien, laten sudderen, eindeloos niks doen, pleisters plakken.

De Leeuwarder Courant was op 1 november 1969 volgens archiefdienst Delpher de eerste krant in Nederland die het woord ‘mestoverschot’ afdrukte. We zijn een halve eeuw verder. Los het op.

Deel 6: Wat als je niks hebt met fierljeppen, kaatsen en skûtsjesilen?

loading

In november 2002 gebeurde er iets met me wat ik voordien niet voor mogelijk had gehouden. De locatie was de Argentijnse stad Paraná, een kleine 400 kilometer ten noordwesten van Buenos Aires. We stonden op een groot plein, er werd gekaatst. Opgewonden Argentijnen moedigden hun favorieten luidkeels aan, maar dat weerhield ze er niet van om vol bewondering naar de tegenstanders op te kijken. Letterlijk.

Chris Wassenaar en Klaas Anne Terpstra, twee boomstammen van Friezen, droegen voor de gelegenheid oranje shirts. Ik moest mezelf in de arm knijpen, maar het was echt zo: dit was het wereldkampioenschap kaatsen. Chris en Klaas Anne waren door de lokale bevolking liefkozend omgedoopt in ‘El Gigante’ en ‘Terstaras’. Bij elke bovenslag die uit de kolenschop van Chris vertrok, klonk vanuit de menigte een bewonderend geroezemoes op.

Dit gebeurde er met me: ik voelde een trots opwellen die ik niet kende en die me ook wat belachelijk voorkwam. Doe niet zo raar man, je bent verslaggever, het is maar sport. Dat zei ik tegen mezelf. Ik zag Chris Wassenaar en Klaas Anne Terpstra al jaren op de Friese kaatsvelden, elke zomer weer. Gewone jongens uit Minnertsga, geen superhelden om trots op te zijn. Dat was iets voor hun eigen heit en mem.

Een kleine zeven jaar later zat ik in de Rotterdamse Kuip. SC Heerenveen speelde de bekerfinale tegen FC Twente. De reguliere speeltijd zat er bijna op, de stand was 1-1. Plotseling zette het blauwwitte deel in het stadion het Friese volkslied in, massaal en met een ongekende vurigheid meegezongen. Alsof ze met hun allen tegen het rood-witte deel riepen: ‘Kom mar op, no daalks mar even’.

Kippenvel

Een ogenblik later stond het kippenvel me duimendik op de armen. Nooit eerder was me dat overkomen, al helemaal niet tijdens al die opgelegde vertolkingen van het volkslied voorafgaand aan de thuisduels van SC Heerenveen.

Het is gek, maar bij bovengenoemde gelegenheden voelde ik ineens, halje-trewalje, de Fries in mezelf ontwaken. Identiteit is bij mij blijkbaar iets wat suddert, op de waakvlam staat, en waar ik me misschien zelfs wel een beetje voor geneer: doe toch gewoon, stel je niet zo aan. In elk geval zie ik het als iets particuliers, niet iets om met de massa te beleven. Dat komt omdat ik vind dat het dichtbij chauvinisme ligt en dat schurkt dan weer tegen nationalisme aan en dat vind ik eng. Sowieso heb ik een aangeboren afkeer van groepsgedrag en kunstmatig, opgelegd gedoe.

Maar goed, dan is daar plotseling Chris Wassenaar die ver van huis, als een soort Grutte Keats-Pier, een stel Argentijnen mores leert en dan borrelt de trots zomaar ineens en ongevraagd in mij op.

Hoe kan het dat andere Friezen daar minder ingewikkeld over doen en dat gevoel kennelijk altijd paraat hebben? Ik weet dat ze er zijn, ik ken ze, ik zie ze rondom. Het zijn de mannen en vrouwen die zelfs bij de kleinste kaatswedstrijd uit volle borst het Friese volkslied meezingen en die ik dan altijd een beetje meewarig en met plaatsvervangende schaamte aankijk. Ze zitten ook bij het fierljeppen, het skûtsjesilen, het kortebaanschaatsen en de Elfstedentocht. En als ze de kans krijgen, staan ze in een Friese trui bij het Frysk damjen, de Fryske hynders en gaan ze er ook nog in te aaisykjen. Wat is dat toch? Wat hebben zij dat ik mis?

Ik bel Anne Tjerkstra, kunstschilder, meervoudig Elfstedentochtschaatser en – bovenal – voormalig skûtsjeschipper van Joure en Langweer. Op en top Fries, op en top sportman. ,,Sels it tipeljen haw ik noch dien’’, zegt hij. ,,Kenst dat?’’ Tjerkstra (net 74) zit op de racefiets. Thuis in Goingarijp vertelt hij even later dat de emoties bij hem toch wel wat dichter aan de oppervlakte liggen.

,,Ast my fregest hoe Frysk fielst dy, dan tink ik ynearsten oan de Alvestêdetocht’’, zegt Tjerkstra. ,,Fryslân is op sa’n dei it middelpunt fan de wrâld en dêr bist in ûnderdiel fan. Ast dan moarns yn it ierdetsjuster op de Swette strekest en de feilige stêd Ljouwert achter dy litst, it aventoer temjitte op wei nei Snits, ja, dan krijst pikefel. Dan hast in brok yn ‘e kiel, dan fielst dy hûndert persint Fries. Dan tinkst: dit is Fryslân, dit is myn lân, myn thús. In hiel apart en moai gefoel.’’

,,Mei skûtsjesilen haw ik dat ek. As jo yn Grou yn de sleep sitte mei fjirtjin machtige skûtsjes en jo wurde de Pikmar op sleept, dan sit dêr in muzykkorps op it startskipke fan Frisia. En dat spilet it Frysk folksliet wylst dy skippen de Mar op geane en tûzenen minsken it fanôf harren boatsjes besjogge. Man, as it folksliet oer it wetter galmet, stiet it pikefel my op ‘e earms. Dan kin it wol wêze dat der in bytsje lei wetter út myn eagen rint. Op sokke mominten fiel ik my gjin hûndert persint Fries, mar twahûndert persint.’’

Misschien heeft Anne Tjerkstra bij zijn geboorte al een voorsprong op me genomen die nooit meer in te halen valt. Heit Bernardus was skûtsjeschipper en de jonge Anne groeide ermee op. Het was kort na de oorlog, de SKS (Sintrale Kommisje Skûtsjesilen) was in 1945 opgericht en heit Tjerkstra deed mee aan een prachtige jonge sport, het skûtsjesilen. Met zijn eigen skûtsje, waarmee hij doorgaans turf en mest naar boerderijen vervoerde en waar het hele gezin op woonde.

Het was de tijd dat schippers hun skûtsjes nog zo licht mogelijk maakten door het huisraad eruit te halen. Anne Tjerkstra lacht. Hij heeft de hele evolutie meegemaakt tot de dag van vandaag, waarin de in 1985 opgerichte Originaliteitscommissie erop moet toezien dat de skûtsjes zo veel mogelijk authentiek blijven en niet al te geavanceerd worden.

,,Ik sjoch ús dêr noch yn Grou op de steiger stean: ús mem, trije bern oan har rok en it hûsrie der neist. Heit liet de potkachel en de naaimachine achter op de steiger, de swiere dingen. En mem bleau dêr de hiele dei stean te wachtsjen, wêr moast se oars hinne? We wiene sigeuners op it wetter. De skûtsjeskippers graafden de terpen ôf. Wa’t earst by de terp wie, koe it earst lade. Dat wie al in wedstryd. As jonkje krijst dat dan mei en dan wolst dat sels ek. Dêr sit foar my al in hiel stik Fryslân yn.’’

Dat gevoel, die identiteit, krijg je er dan als vanzelf bij. ,,Jo identiteit wurdt foarme yn jo bernejierren’’, bevestigt de in Schingen geboren sporthistoricus Pieter Breuker. ,,Jo moatte yn de kultuer opgroeie. Sels haw ik alles mei it keatsen en it reedriden, mar neat mei it skûtsjesilen. Mar ik erken en herken it wol as typysk Fryske sport.’’

,,It giet om gefoel, folle minder om feitlikheden. Feitlik is it keatsen bygelyks hielendal net in Fryske sport. It is rûn 1200 yn Noard-Frankryk ûntstien en kaam 300 jier letter pas yn Fryslân. Der wurdt noch altyd keatst yn fyftich lannen. Mar omdat it yn Nederlân allinne noch by ús bart, fiele we it as typysk Frysk. En dêr giet it om. ’’

Frans Helfrich vertelde ooit dat hij als vierjarige al op de PC kwam toen zijn heit Pieter er als kaatser meedeed. Later won Frans de PC zelf vier keer en na zijn kaatscarrière kwam hij er elk jaar als liefhebber, in 2010 voor de 85ste en laatste keer. Een paar maanden later was hij dood.

Beetje week

,,Op de moarns fan de PC kin ik earst altyd wol in potsje grine’’, dat zijn de woorden van Frans Helfrich die ik nooit zal vergeten. Net als die van de in 2008 overleden Marten van der Leest, tweevoudig PC-koning. De stoere Stienzer werd op de ‘fyfde woansdei’ altijd een beetje week. ,,Op de PC bin ’k de emosjonele kant it neist’’, vertelde Van der Leest me ooit. ,,Fan it Italiaanske Umbrië wurdt sein dat it ‘een uit de hemel gevallen stukje grond’ is. Sa is it mei it Sjûkelân tidens de PC ek.’’

Ze kregen het kaatsen allebei met de paplepel ingegoten. Daar begint het mee. Op dezelfde manier raakten de broers Taeke, Douwe en Pieter Bult als jongens verslingerd aan het fierljeppen. Thuis in Hemelum hadden ze een vijver en hun heit bouwde er een ‘barte’ bij. Er ging geen dag voorbij of ze sprongen er met de polsstok overheen. Of erin. Later kwamen de wedstrijden, gingen ze op pad.

,,Dan kaamst altyd deselde minsken tsjin’’, weet Pieter Bult. ,,Ik tink dat soks typysk is foar it ljeppen: de sterke famyljebannen. Itselde jildt foar keatsen, skûtsjesilen, mar ek it Frysk damjen. It hat absolút raakflakken mei elkoar. Ut al dizze sporten wei binne minsken grutsk, der wint ien út it eigen doarp. Dêr ydentifissearret men har mei. Dat is foar my typysk Frysk.’’

En daar lig ik dus al op achterstand. Als tiener in Rottevalle kreeg ik bar weinig mee van de typisch Friese sporten, het (kortebaan)schaatsen daar gelaten. Skûtsjesilen? Ver van mijn bed. Die ene keer dat ik het zag, bij de Veenhoop, vond ik het maar gedobber . Frysk damjen? Een blauwmaandag als kind. Fierljeppen? Niet bij ons. In de jaren vijftig hielden ze nog weleens een wedstrijd over De Lits. Daar kwamen zomaar 2000 mensen op af. Dat was in de beginjaren van het ljeppen, toen de Bond van Friese Vogelwachten nog meehielp bij het organiseren van de wedstrijden en iedereen nog met houten polsen sprong.

Zo ontstond die sport dus: vanuit het aaisykjen. Elke eierzoeker nam een houten pols mee het weiland in. Kan het Frysker? Maar naarmate de eisen strenger werden en de afstanden groter, haakten steeds meer dorpen af – ook Rottevalle - en concentreerde het ljeppen zich meer en meer op vaste accommodaties. ‘Arena’s’ noemde wijlen fierljepgoeroe Taeke Bult ze. Hout werd aluminium, aluminium werd carbon. Nu zijn de ljeppers alleen nog te vinden in plaatsen als It Heidenskip, Burgum, Joure, Winsum, IJlst, Buitenpost en Grijpskerk. Maar populair blijft het.

,,Allinne al yn Drylst komme op jierbasis fjouwertûzen minsken út binnen- en bûtenlân op de clinics ta’’, weet Pieter Bult, die lange tijd allerlei functies bekleedde binnen de ljepsport. Zo trad hij acht jaar geleden nog op als bemiddelaar tussen de kemphanen Jelle Roorda en Hans Helmholt. Roorda wilde dat het fierljeppen dichter bij de traditie zou blijven, Helmholt streed voor verder uitbreiden van de (top)sportgedachte. Onverzoenbaar waren ze. ,,Ik ha beide mannen om tafel hân, beide hiene de triennen yn de eagen. In hiele emosjonele tastân’’, herinnert Pieter Bult zich.

Jelle Roorda legde het af, al is het inmiddels wel zo ver gekomen dat het fierljeppen – net als het skûtsjesilen – op de Nationale Lijst Immaterieel Erfgoed staat. ,,De sport hat it yn 2012 wûn fan de tradysje, mar we ferjitte de tradysje seker net’’, zegt Bult. ,,Minsken dy’t oan de clinics meidogge krije ynsjoch yn de skiednis fan it ljeppen. En as ik poldertochten organisearje, dan lit ik de minsken sleatsje springe. Want dat is de link nei eartiids. Dat sille we noait ferjitte.’’

Zonder twijfel, maar de ljepperij zoals ik ‘m in de jaren negentig als verslaggever voor deze krant volgde, leek in niets op het slootjespringen waaruit de sport voortkomt en die in Friesland al sinds het begin van de zestiende eeuw wordt beoefend. En omdat ik er in de jaren vijftig dus niet bij was geweest in Rottevalle en bovendien zelf als slootjesspringer en aaisiker een onhandige kultsjebrekker was, werd ik dus ook al niet gegrepen door de fierljepperij.

En het kaatsen? Toen ik in 1996 kaatsverslaggever werd voor deze krant, kende ik de spelregels nauwelijks. Ik was 26 en had geen kaatsbal meer aangeraakt sinds we op mijn negende van Jorwert naar Rottevalle waren verhuisd. Maar collega Bonne Stienstra stond erop dat ik de plek innam van de gepensioneerde Simon Visser en ik durfde geen nee te zeggen.

Zo begaf ik mij op een zomerse zaterdag met knikkende knieën naar Hallum. Wat moest ik hier nou weer van maken? Ik kende drie, hooguit vier kaatsers van gezicht: Gerben Okkinga, Thomas van der Meer, Erik Seerden en Tunno Schurer. Maar waar ze stonden, en wat ze deden, ik had geen idee.

Als tiener was het kaatsen verder en verder van me af komen te staan. Sinds onze verhuizing van de Greidhoeke naar de Wâlden was mijn aandacht verflauwd. Een echte Rottevalster kaatst niet en ik deed mijn uiterste best om een echte Rottevalster te zijn. Ik riep ‘heite’ en ‘bûke’ of mijn leven ervan afhing en ‘hij’ werd ‘hy’. En ik hing mijn jas voortaan op aan een hekje , want als ik jekje zei dan werd ik gepest.

Grootmeesters

Alleen in de stille beschutting van onze achtertuin keerde het kaatsen soms terug in mijn systeem. Dat kwam door drie namen. Als de verslaggever van Radio Fryslân over Sake Saakstra, Piet Jetze Faber en Johannes Brandsma begon, spitste ik mijn oren. Wie ze waren en wat ze deden, ik kon er geen touw aan vastknopen. Maar op de een of andere manier boeiden ze me, trokken ze me de radio in. Zij, de grootmeesters van een spel dat ergens ver weg in duistere plaatsen als Franeker, Sint Jacobiparochie en Stiens werd gespeeld, mysterieuze oorden waar de aanwezigheid van ons, Wâldpiken, niet op prijs werd gesteld.

Ik raakte gefascineerd door een sport die voor mij het ultieme Friesland belichaamde, maar die tegelijk zo exotisch was dat het me onmogelijk scheen. Wij woonden toch zeker ook in Friesland? Waarom konden wij dan niet kaatsen? Waarom stonden wij dan zomers alleen maar een beetje op een surfplank op de Leien te wiebelen?

Ik wist van toeten noch blazen maar iets was er wel, een gevoel. Aha, het kon dus wel! Pas jaren later, ik liep inmiddels al als verslaggever tussen de nieuwe Sakes en Piet Jetzes, viel alles op zijn plek. Ik las ‘Kening op sokken’ van Hylke Speerstra voor het eerst. Sindsdien beschouw ik dat boek als een van de drie beste werken uit de Friese literatuur. De andere twee zijn ‘De Fûke’ van Rink van der Velde en ‘De sûnde fan Haitze Holwerda’ van Ulbe van Houten. Ik las ze alle drie rond mijn 27ste, in een periode waarin ik ongelukkig was en er even niet uitkwam.

Het mooie is dat de drie boeken totaal verschillende onderwerpen en hoofdpersonen hebben, maar toch allemaal zo duidelijk ‘Fries’ zijn. Op de een of andere manier ontroerden ze me en deden ze me beseffen dat ik ergens bij hoorde. Ze wakkerden een gevoel aan dat binnenin me zat en daar kennelijk altijd had gezeten, zonder dat ik het wist. Een diepe emotie die ik niet meteen kon beredeneren, maar die ik voor het gemak maar ‘Fries’ noem. Het voelde lekker, melancholisch. Droevig op een prettige manier. Troostrijk. Alsof de provinciegeschiedenis in je lichaam huist, in je genen.

In ‘Kening op sokken’ beschrijft Hylke Speerstra op literair-journalistieke wijze de verhalen van kaatskoningen uit het begin van de twintigste eeuw. Met mannen als Klaas Kuiken, Hâns Knol en Hotze Schuil gaan we terug naar de tijd waarin kaatsen zoveel meer was dan sport. Waarom kon er wel gekaatst worden en niet gevoetbald? Simpel: in menig klein dorp kon je nooit een voetbalteam of korfbalploeg samenstellen. Kaatsen, met z’n drieën, kon wel.

Er was armoede, gebrek, en op het kaatsveld verdienden de heren soms in één dag meer dan ze in veertien dagen bij de baas bijeen schraapten. Dat ging ook wel eens mis en in het dorp zag men dat de volgende dag natuurlijk. ‘Regina skopt sa yn ‘e klompen om. Piter is der justermiddei grif ôfkeatst’.

In het kaatsen zag je de saamhorigheid van de Friese samenleving terug. ‘Mei inoar’, daar ging - en gaat - het om. In zijn boek laat Hylke Speerstra ook Jan Rodenhuis (1917-1987) van Húns aan het woord. De PC-koning van 1942 zegt: ,,Op in dei wurdt men kening. Op in jongespartij en op syn aldermoaist op de PC. It doarp en de kening. Hy moat him neat ferbyldzje. It hiele doarp fielt him de kening te ryk. As de kening in kroan draacht dan is it wol ien mei tûkelteammen. It betsjut privileezje noch status. It is heechút in opdracht: Hâld it doarp heech!’’

Wat dat betreft is er weinig veranderd. Ook vandaag de dag moet de kaatskoning vooral niet denken dat hij in zijn eentje heeft gewonnen. Doet hij dat wel, loopt hij in de ogen van de Friese kaatsliefhebbers naast zijn schoenen, dan wordt daar fijntjes mee afgerekend. En ook de man van de krant krijgt het dan te horen. Een foto op de voorpagina met alleen de PC-koning erop? Schande! Wat zei Marten van der Leest ook alweer? ,,Jo winne it mei syn trijen, tink dêrom hear!’’

Saamhorigheid

Sporter en supporter staan vlak naast elkaar en dat is prettig. Afstand is er niet. Het dorpse, de saamhorigheid, gaat boven alles. ,,Typysk Frysk is, wat de sport oanbelanget, it fermogen om mei elkoar wat op poaten te setten’’, zegt Pieter Breuker. ,,En dat makket net út wêr, want ast ien ding oer Fryske sporten sizze kinst is dat hast net ien oeral beoefene wurdt. Se binne allegear oer regio’s en oer de seizoenen ferdield. En dochs neame we se allegear typysk Fryske sporten. Omdat we it sa fiele. Dat fyn ik hiel nijskjirrich.’’

,,It binende element, dat is de emoasje. It jin mei-inoar ferbûn fielen, derby hearre wolle. Minsken wolle earne by hearre. En it binende elemint by útstek, dat is de Fryske taal.’’

Heel It Heidenskip identificeert zich met de fierljepperij en wat het skûtsjesilen betreft: in de tijd van Anne Tjerkstra’s heit was de boot van de schipper, tegenwoordig vaart de schipper namens het dorp en voor het dorp. Heel Grou is trots als het Grouster skûtsje de SKS-competitie wint.

,,Wy wenje dochs wol yn in spesjaal stikje Nederlân’’, zegt Tjerkstra, die vorig jaar, op zijn 73ste, nog bemanningslid op het Grouster skûtsje van zijn schoonzoon Douwe Visser was. ,,Der is net in provinsje dêr’t yn de simmer safolle aktiviteit is as yn Fryslân. Neam mar op: it keatsen, it fierljeppen, it skûtsjesilen, de Sneekweek. En ek noch allegear doarpsfeesten, it is gewoan net te leauwen. It stikt der fan. Ik fyn it in foarrjocht hjir te wenjen, ik soe net oars wolle.’’

Respekt

En als ik hem vertel dat ik het skûtsjesyl-gen volledig mis, moet de oude skûtsjeskipper lachen. ,,Elk syn eigen’’, zegt Tjerkstra gul. ,,Ik ha sels neat mei keatsen. Ik ken de spulrigels net, ik snap it net. Mar dat wol net sizze dat it minder is, of minder Frysk. Ik ha grut respekt foar keatsers. Dat jildt ek foar fierljeppers, it is ek geweldich knap wat dy minsken dogge.’’

,,Dat fierljeppen’’, denkt Tjerkstra, ,,dat bliuwt sawisa bestean. Dat lûkt minsken oan. En it keatsen sil oer 4,5 miljard jier ek noch bestean, want sa lang is de ierde der noch. Dan dôvet de sinne út en binne we allegear ferlern. Mar foar it skûtsjesilen jildt: dôvet de sinne út, dan giet it gewoan troch. Dan hingje we gewoan in flearmûs (olielamp, red.) yn it wand en sjogge we wol wêr’t we bedarje.’’

Deel 7: Hoe ‘typisch Fries’ een bestuurlijke zwakte werd

loading

Friezen, zegt oud-staatssecretaris Els Veder in het boek De Friese maffia , zijn niet goed in het behartigen van hun eigen belangen. ,,Ze zijn geen goede lobbyisten. Ze zijn eerlijk en leveren geen streken. Dat moet je dan soms door anderen laten doen.’’

Els Veder, inmiddels 98 jaar oud, kon het weten. Ze was in 1967 het eerste Friese vrouwelijke Tweede Kamerlid en klom in 1978 op tot staatssecretaris in het kabinet-Van Agt. In haar latere jaren maakte ze zich sterk voor wat nu Medisch Centrum Leeuwarden heet.

Friezen gaan door voor eerlijk en recht door zee. Stijfkoppig soms. Maar zijn die eigenschappen voldoende om in het huidige poldermodel te gedijen? Veder omschreef het als volgt, aan het einde van de vorige eeuw: ,,Friezen overvragen niet, terwijl dat bij onderhandelingen handig kan zijn. Ze moeten ook niet zeggen dat ze achterlopen, maar zorgen dat ze hun rechtmatig deel krijgen.’’

Het is de kern waar dit verhaal om draait.

Friese staatsmannen

O, wat een staatsmannen heeft Friesland voortgebracht! Ferdinand Domela Nieuwenhuis, Pieter Jelles Troelstra, Pieter Sjoerds Gerbrandy, Jelle Zijlstra, Anne Vondeling, Wim Duisenberg.

Ze stonden aan de wieg van het Nederlands socialisme of leidden Nederland in het geval van ARP’er Gerbrandy als premier zonder parlement door de moeilijke jaren van de Tweede Wereldoorlog. Ze verdienden standbeelden en een vaste plek in de vaderlandse geschiedenis.

Het rijtje namen werpt de vraag op of er zoiets bestaat als een Friese manier van politiek bedrijven. Wat hadden deze mannen met elkaar gemeen?

Pieter Sjoerds Gerbrandy is het meest sprekende voorbeeld. De besnorde advocaat trok naar de Randstad en bracht de oorlogsjaren samen met koningin Wilhelmina door in Londen. ,,Gerbrandy heeft zijn hele leven nee gezegd’’, zegt zijn politieke tegenstander Jaap Burger in de biografie Eigen meester, niemands knecht van Cees Fasseur.

Gerbrandy was ondanks zijn on-Friese lengte van 1 meter 61 een man van stavast. ,,Hij zei nee als calvinist tegen het wereldse. Nee tegen zijn partijleider Colijn, de grootkapitalist. Nee tegen zijn partij toen hij voor de oorlog het ministerschap aanvaardde. En op het meest cruciale moment in het bestaan van Nederland heeft hij nee gezegd tegen Hitler en zijn trawanten. En hoe! Daarmee is hij tot historische onsterfelijkheid gekomen.’’

Fasseur geeft in de biografie een omschrijving van het Friese volkskarakter zoals dat volgens hem in elkaar steekt: ,,Een sterk ontwikkeld individualisme, doorzettingsvermogen, vrijheidszin en emotionaliteit. De boerenzoon uit Goënga paste met zijn leergierigheid, vasthoudendheid en eigenzinnigheid in dit profiel, zij het dat hij zijn emoties doorgaans niet uitte.’’

oDe emoties van Gerbrandy bleken later een grote zwakte. In 1948 gingen ze met hem op de loop. Uit onvrede met het beleid rond Nederlands-Indië hintte Gerbrandy in besloten kring naar de mogelijkheid om de regering gewapend af te zetten.

Gerbrandy vertoont hierin een verrassende parallel met Pieter Jelles Troelstra, de voorman van de SDAP. Ook met Troelstra gingen de emoties op de loop. Hij riep in 1918 tevergeefs op tot een revolutie. Ook Troelstra greep mis.

Jelle Zijlstra, de knappe professor die in 1953 minister van Financiën werd, wordt in het promotieboek Jelle zal wel zien van Jonne Harmsma omschreven als een man met ,,stugge Friese harsens’’.

Zijn opvolger Wim Duisenberg was weliswaar iets flamboyanter van geest, maar ook Duisenberg bleef net als al die anderen zijn leven lang verlangend dromen van it heitelân. En over emotie gesproken: als voorzitter van de Europese Centrale Bank probeerde Duisenberg de beeltenis van een kievit te krijgen op een nieuw bankbiljet van 1000 euro. Het mislukte.

Te vaak van binnenuit

Als er zoiets bestaat als de door Cees Fasseur omschreven Friese volksaard, dan moet er ook zoiets als een Friese bestuurscultuur bestaan. Henk Postma uit Grou was meer dan tien jaar lobbyist voor Noord-Nederland in Den Haag. Hij ontwaarde duidelijke verschillen tussen de bestuurscultuur in Friesland en die daarbuiten. ,,Friezen binne bêst ambisjeus, mar se redenearje te faak fan binnenút.’’

Het is een kwestie van houding en gedrag. Friezen zijn degelijk. Dat klinkt natuurlijk prachtig, maar als je iets voor elkaar wilt krijgen in het huidige politieke krachtenveld is dat volstrekt onvoldoende. ,,Dêr hast strjitfjochters nedich.’’

Friezen komen naar Den Haag met een gedegen plan. Ze omschrijven hun doel, de uitwerking en de risico’s, dienen hun plan netjes in en denken vervolgens ‘Wie kan hiertegen zijn?’ In het Zuiden gaat dat anders. Daar roepen ze eerst iets, met veel bombarie. En komen ze later wel een keer met een inhoudelijke onderbouwing.

Postma noemt de gewenste versnelling van de treinreistijd van Noord-Nederland naar de Randstad een treffend voorbeeld. Daarover wordt al 25 jaar gepraat. ,,Mar per saldo bart der neat.’’ Terwijl de metropool-regio Randstad het kabinet keer op keer en schijnbaar moeiteloos miljoenen uit de zak weet te kloppen voor het ene na het andere dure infrastructurele project.

Of neem die bruggen bij Kornwerderzand. ,,Wát in ellinde! En it is noch hieltyd plak- en knipwurk.’’ Wat Postma betreft past er maar één beschrijving bij de Friese bestuurscultuur. ,,Wy Friezen, wy binne te brááf.’’

Ritselen hoort bij politiek bedrijven. In de periode dat Hans Wiegel commissaris van de koningin van Friesland was zagen we daarvan mooie voorbeelden. Het was de tijd van het kwartetten met rijksdiensten. Met het Herenakkoord in 1989 tussen Wiegel en zijn Groningse collega Henk Vonhoff kreeg Leeuwarden Rijkswaterstaat, de lerarenopleiding op de NHL en Van Hall, Groningen het conservatorium en behield de universiteit, het Frysk Orkest werd opgeheven ten gunste van het Noord-Nederlands orkest.

Wiegel wist wat lobbyen was. Hij bedacht de Friso Bokaal en haalde de captains of industry naar Friesland die onder het genot van beerenburg op skûtsjes kennis maakten met de directies van Friese bedrijven. Het initiatief was een mengeling van lef en jongensachtige bravoure. Maar het werkte wel.

Toen Postma aantrad in Den Haag waren Ed Nijpels, Relus ter Beek en Hans Alders commissaris van de koningin in de drie noordelijke provincies. Ze stonden bekend als de Drie Musketiers. De mannen waren onderling heel verschillend, maar konden stuk voor stuk bogen op een groot netwerk in Den Haag. In 2008 werd na een lange strijd 2,2 miljard euro binnengesleept ter compensatie van de Zuiderzeelijn die niet doorging.

Kijk. Zulke straatvechters heeft een provincie nodig. En minstens even belangrijk is dan hun samenspel met de ambtelijke organisatie op het provinciehuis. Ambtenaren die feilloos snappen hoe het Haagse spelletje werkt.

Als Postma een pot met geld rook, hoefde hij in Groningen maar te bellen of de ambtelijke top ging er direct mee aan de slag. Dat lukte in Friesland nooit. ,,En dan bist krekt dy touringcarsjauffeur dy’t te lang wachtet op de lêste passasjier. Dan is op it ein de benzine op.’’

Een schoolvoorbeeld van hoe het moet is de ontsluiting Assen-Eemshaven. Er was geld in Den Haag en in de buurprovincie werd door de ambtelijke top pijlsnel een lobby opgezet. ,,Dy ferdûbeling is frij hurd regele. Sjoch. Dêr wurdt yn Grinslân folle aktiver oan lutsen.’’

Op een gegeven moment kwam er Haags geld vrij om de krimp te bestrijden. Oost-Groningen, Parkstad Limburg en Zeeland zetten met stoom en kokend water een alliantie op om dat krimpgeld binnen te roeien. Friesland wilde niet meedoen. Friezen vonden krimp maar een negatief woord. ,,Fryslân sei: dat spilet by ús net in dy mate.’’ En vervolgens liep Friesland achter de feiten aan.

‘Dan tink ik: o help!’

Postma mist aan de Tweebaksmarkt een pro-actieve houding. Hij mist vuur. En ja, dan weten de ministeries in Den Haag je snel met een kluitje in het riet te sturen. Precies zoals dat de laatste jaren gebeurde met die Bestjoersôfspraak Fryske Taal en Kultuer; het ministerie van Binnenlandse Zaken gebruikt keer op keer heel vriendelijke woorden over het belang van het Frysk, maar intussen gebeurt er niets.

Iets relatief simpels als het Fries in de rechtspraak is nog altijd niet goed geborgd. Met dank aan die brave, afwachtende bestuurscultuur.

Het cultuurdossier is misschien wel het meest pregnante voorbeeld. Postma vindt dat die portefeuille aan de Tweebaksmarkt ,,dramatysk’’ wordt beheerd. Het Noorden ging een samenwerking aan met het vierjarige cultuurprogramma We the North en vervolgens trok Groningen dat project in de beeldvorming naar zich toe. Terwijl Leeuwarden nota bene Culturele Hoofdstad was van Europa. ,,Dan tink ik: o help!’’

Zwak optreden wordt in de Hofstad genadeloos afgestraft. Temeer daar Den Haag steeds meer opereert vanuit zijn eigen cocon. De Randstad levert de meeste Tweede Kamerleden. In de top van de ministeries worden de baantjes verdeeld binnen de Algemene Bestuursdienst, een Randstedelijke pool van topambtenaren die veelal voor ministeries werken. De Randstad-burgemeesters maken een vuist via de G4.

Dit ons-kent-onscircuit maakt snelle kongsi’s mogelijk tussen bestuurders, politici en topambtenaren. De rest van het land, die we tegenwoordig gemakshalve de periferie noemen, vist dan gauw achter het net.

De laatste minister die Friesland voortbracht was Halbe Zijlstra. De VVD’er uit Oosterwolde maakte furore als ‘de botte Fries’. Dat was beslist geen geuzennaam. Zijlstra ruimde in 2018 roemloos het veld na een uitspraak over een verzonnen aanwezigheid in een Russische datsja.

Friesland heeft momenteel geen ministers in het kabinet. Friesland heeft geen staatssecretarissen. Van alle hoogste ambtenaren zijn alleen Marjolein Sonnema (directeur-generaal Volksgezondheid) en Johan Osinga (directeur-generaal Landbouw, Natuur en Landelijk Gebied) Fries. En ook nog om útens.

Op een totaal van 150 Tweede Kamerleden tellen we met Harry van der Molen (CDA) en Aukje de Vries (VVD) twee Friezen. Dat is ondermaats. Sterker nog: het is een naoorlogs laagtepunt.

Joop Atsma maakte de glorietijden mee. Toen hij aantrad als Tweede Kamerlid in 1998 telde het Binnenhof flink wat bewindslieden en Kamerleden met Friese roots. Ze noemden zichzelf gekscherend ‘de Friese maffia’. In het Paarse kabinet Kok-II zaten Annemarie Jorritsma, Loek Hermans, Gerrit Ybema, Hayo Apotheker en Geke Faber.

Het was een tijd waarin Kamerlid Atsma met journalist Frits Wester en toenmalig PvdA-Tweede Kamerlid Lutz Jacobi onder het genot van een borrel in Nieuwspoort op de achterkant van een bierviltje een motie schreven om de bemande vuurtorenwachters van Schiermonnikoog en Terschelling veilig te stellen.

Op de dag dat Atsma werd beëdigd als staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, op 14 oktober 2010, lag er een brief van Kamerlid Jacobi op zijn bureau. Hoe stond het met de uitvoering van de motie? Atsma blies de automatisering van de vuurtorenwachters af.

De Friese maffia

Oud-parlementair journalist Marcel de Jong van de Leeuwarder Courant schreef een boek over de Friese vertegenwoordiging in Den Haag. Het heet De Friese maffia. ,,Wat voor kabinet ook, een politieke horzel uit Friesland is belangrijk’’, zegt Atsma daarin.

De CDA’er uit Surhuisterveen is inmiddels senator. Hij ziet met lede ogen dat het met die horzels uit Friesland op dit moment niet overhoudt. En de provincie loopt te vaak achter de feiten aan.

De Friese bestuurscultuur is sterk naar binnen gericht, dat is de aard van de mensen. Dat past bij Friezen. Je zou het met een positieve term ‘bescheidenheid’ kunnen noemen. Maar in de praktijk zorgt deze houding ervoor dat Friesland zich te vaak de kaas van het brood laat eten. ,,Friezen ûnderskatte it belang fan it nei bûten treden.’’

Eigenlijk, filosofeert Atsma, zou je eens een masterclass voor burgemeesters, wethouders, gedeputeerden en ambtenaren moeten organiseren over het fenomeen lobbyen. Hoe werkt dat nou? Op welke knoppen moet je drukken? En vooral: wanneer?

Hij ziet hoe andere regio’s opereren. Die doen dat gewiekster. Die zijn altijd een stap eerder. Andere provincies kijken moeiteloos over hun eigen grenzen en trekken eendrachtig samen op naar Den Haag. ,,Ik sjoch oaren foar master opslaan.’’

En zo komen we terecht bij de Noordelijke samenwerking. Het is Atsma een doorn in het oog dat die maar niet goed van de grond wil komen. Volgens hem is dat dé achilleshiel in Den Haag. Zonder samenwerking worden we tegen elkaar uitgespeeld. En dat is wrang, want regionale samenwerking werd juist in Noord-Nederland uitvonden.

Noord-Nederland was het eerste landsdeel dat de bestuurlijke belangen van Friesland, Drenthe en Groningen bundelde in het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN). Maar terwijl andere landsdelen dit voorbeeld met verve volgden, wilde de samenwerking in het Noorden maar niet van de grond komen. ,,Dat is in struktureel probleem.’’

In 2006 gooide Atsma samen met toenmalig PvdA-politicus Jacques Tichelaar een steen in de vijver in de Leeuwarder Courant . Onder de kop ‘Hoe het lobbyen beter kan’ hekelden ze de belangenbehartiging van Friesland in Den Haag. Ze misten slimheid, lijn, eensgezindheid en een duidelijke boodschap.

Er is sindsdien niets verbeterd. ,,It bliuwt muoisum. En je hawwe der lêst fan as je de dingen net goed regelje.’’ Een goeie Haagse lobby staat en valt met mensen die het spelletje snappen en met ambtenaren en bestuurders die op ministeries kunnen binnenkomen. Met een heldere agenda die op 1 A4’tje past. En: met samenwerking over de eigen grenzen heen.

Atsma benadrukt dat hij absoluut niet voor één noordelijke provincie is. Maar het roer moet echt om. Tekenend vindt hij de benamingen in Dagblad van het Noorden . ,,As dy krant oer it Noarden skriuwt, dan bedoele se Grinslân en Drinte. Fryslân telt yn harren bylden net mei.’’

Eigen schuld, want in Friesland wordt het belang van de noordelijke kongsi onvoldoende onderkend. En dan is dit wat er gebeurt. Dan zijn het de werkgevers, verenigd in werkgeversorganisatie VNO-NCW, die het enorme lobbyproject van de Lelylijn moeten trekken. Het signaal naar Den Haag is duidelijk. ,,Dan witst dat dit in hiel drege put wurde sil.’’

Geld op de plank

Toen de Zuiderzeespoorlijn in 2008 werd afgeblazen kwam er een enorme bak compensatiegeld vrij voor Noord-Nederland. Het ging om 2,3 miljard euro.

De miljarden werden uitgegeven aan fragmentarische projecten op het gebied van asfalt en openbaar vervoer (De Haak om Leeuwarden, de N31 bij Harlingen, de rotonde bij Joure). Ze moesten uiterlijk in 2020 zijn uitgegeven, maar zowel in Friesland als in Groningen ligt een deel ervan nog altijd op de plank. En dat irriteert Atsma; met deze wetenschap wordt het heel ingewikkeld om in Den Haag uit te leggen waarom er nu ineens wél een dringende noodzaak is voor de aanleg van die Lelylijn.

En als de provincies dan óók nog verdeeld zijn, dan worden pogingen snel vruchteloos. Atsma wil beslist geen doemdenker zijn. ,,Mar ik bin hiel benijd hoe’t dizze lobby útpakt.’’

In Noord-Nederland streeft iedere stad naar zijn eigen schaatsbaan. SNN is niet meer dan een formaliteit. ,,SNN is noait goed fan de grûn kommen. Der hat noait leafde west. Der is altyd sprake fan gestold wantrouwen .’’

Bestuurders in het Noorden die een vuist willen maken moeten elkaar blind willen steunen, óók op thema’s waarbij ze zelf geen direct belang hebben. Daar kun je op termijn namelijk je voordeel mee doen. ,,Ast oer dyn eigen grinzen stapst, krijst dat letter werom.’’ Maar intussen er is geen Friese bestuurder die zich het vuur uit de sloffen wil lopen voor de redding van vliegveld Eelde.

Handen op de rug

Terug naar de Tweede Kamer. Getalsmatig is de Friese afvaardiging ondermaats. Het Noorden zou tien tot twaalf Kamerleden moeten tellen. Postma: ,,De saak leit skeef.’’

Atsma wil niet in aantallen denken. ,,Aukje en Harry dogge it goed.’’ Op het gasdossier heeft Noord-Nederland een stevige inbreng dankzij Henk Nijboer (PvdA), Sandra Beckerman (SP) en Agnes Mulder (CDA).

Maar Noordelijke Kamerleden werken voor een deel met hun handen op de rug. Net als een lobbyist kunnen ze niets uitrichten als er binnen de drie provincies verdeeldheid heerst. Zonder doel, zonder boodschap en zonder gochme rijst het gevaar dat de drie provincies met ambitieuze projecten in Den Haag tegen elkaar worden uitgespeeld.

Atsma refereert nog eens aan die Lelylijn en spreekt van ,,in grut risiko.’’ Hij ziet het zwerk al drijven; de versnelling van het bestaande spoor via Zwolle, waarover al decennia wordt gepraat, wordt stopgezet omdat er eerst onderzoek moet komen naar de Lelylijn. ,,En dan rinst op it ein dus de kâns datst twa kear neat hast. Dêr moatst hieltyd goed om tinke.’’

Els Veder zei het al: Friezen zijn geen goede lobbyisten. In de vorige eeuw kwamen we daar nog goed mee weg. Eerlijkheid en standvastigheid waren voldoende om in Den Haag potten te breken. Je kon er een standbeeld mee verdienen.

Maar tijden veranderen en Friesland veranderde onvoldoende mee. Hoeveel gedeputeerden, burgemeesters en ambtenaren hebben directe persoonlijke lijntjes met de Haagse top op ministeries?

Postma spreekt licht badinerend over al die Friese burgemeesters en wethouders die zich het vuur uit de sloffen lopen voor hun nevenfuncties binnen de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). Ze denken dat hiermee hun netwerkbemoeienis is afgedekt. Maar de VNG is niet waar het gebeurt. Goede bestuurders zijn gekend binnen de top van de ministeries en binnen de top van hun eigen politieke partij. De sterkste bestuurder is diegene die zijn contacten het beste op orde heeft. ,,Moatst oeral binnenrôlje kinne.’’

Ferd Crone en Hayo Apotheker waren positieve uitzonderingen. Zij wisten een paar weken voor het verschijnen van de Miljoenennota al wat daarin stond en wat Friesland wel of niet had binnengesleept.

In het huidige krachtenveld gelden Arno Brok (commissaris van de koning, VVD) en Sander de Rouwe (gedeputeerde, CDA) als bestuurders met een goede Haagse neus. Maar verder? Postma hoopt van harte dat Sybrand Buma de fakkel van zijn voorganger Crone overneemt. Hij is ongeduldig. ,,Buma moat no wol begjinne.’’

De aanstaande Miljoenennota is de laatste van het kabinet-Rutte III voor de verkiezingen van maart. Als er nog geld valt uit te delen is dít het moment. Op de derde dinsdag van september worden de prijzen verdeeld. Dan zullen we het weten. Een goeie horzel heeft zijn werk gedaan.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Extra