Honderd jaar Archeologisch Instituut in Groningen. Dit zijn de hoogtepunten: hunebedden, walvisvaarders en Friese terpen

Hunebed in Diever. Foto Duncan Wijting

Het Gronings Archeologisch Instituut spitte de afgelopen eeuw over de hele wereld in de grond om antwoord te krijgen op die ene vraag: waar komen wij vandaan? Archeologen staan stil bij de in hun ogen belangrijkste projecten.

1. Dierenleven op de terp van Oosterbeintum (1988 – 2011)

De vondst van een vroegmiddeleeuws grafveld met onder meer de overblijfselen van een dwerg en dieren in de terp van Oosterbeintum houdt emeritus-archeozoöloge Wietse Prummel nog steeds bezig. ,,Tussen de mensen lagen zeven reuen en een hengst begraven. De bijzetting van dieren was in de vroege middeleeuwen heel gebruikelijk, ook elders in Europa. We weten alleen niet waarom dit gebeurde. Werden ze geofferd? Hoorden ze bij de overledene? De honden verkeerden in de kracht van hun leven en waren met zeventig centimeter voor die tijd grote dieren. We vonden crematiegraven met de restanten van strandlopers.’’ Die speelden wellicht een rol bij de overgang van leven naar de dood, omdat ze op de rand van zee en land leven. ,,Maar ze werden ook gegeten.’’ In 2011 werden tijdens een opgraving op dezelfde terp dierenbotten uit de ijzertijd tot en met de late middeleeuwen, zoals koeien, varkens, eenden en platvissen, gevonden.
 

loading

2. Een jachtplaats van de laatste jager-verzamelaars van Noord-Nederland (1981 – 2003)

Aan het einde van de middensteentijd, tussen 5400 en 4900 voor Christus, zag de omgeving van het riviertje De Tjonger nabij Oosterwolde er heel anders uit. Jager-verzamelaars joegen in dichte bossen op oerrunderen en edelherten. In de rivier vingen ze bevers ,,Bij de boerderij Jardinga-Johannahoeve werden in 1981 de sporen van een jachtplaats gevonden’’, vertelt emeritus-archeozoöloge Wietske Prummel. ,,De dieren kwamen bij het water om te drinken. Daar werden ze geslacht en het vlees en de huiden werden naar omliggende dorpen gebracht. Dergelijke jachtplaatsen waren tijdelijk en zijn zeldzaam.’’

loading

3. Hoornloze runderen uit de terp Achlum (2009)

Twee schedels van runderen uit de Romeinse tijd trokken de aandacht van emeritus-archeozoöloge Wietske Prummel. De schedels hadden geen hoorns. ,,De eigenaren hadden ze niet zelf verwijderd, de hoorns groeiden van nature niet aan. Dit was het gevolg van een mutatie, die dominant was. Maar er waren in de Romeinse tijd op de terp ook runderen met hoorns. Aan het einde van de Romeinse tijd verlaten de terpbewoners in korte tijd hun woning. Daarna komen vanuit Noord-Duitsland nieuwe bewoners die ook nieuwe runderen – allemaal met hoorns – meenemen.”

loading

4. Halsketting uit bronstijd, Exloërmond (1881 – 2006)

Johan Ludger was een arme veensteker die in 1881 bij Exloërmond een vondst deed die de inspiratie voor generaties archeologen zou worden: een halsketting uit de bronstijd. ,,Via de burgemeester van Odoorn werd hij aan het Drents Museum te koop aangeboden’’, vertelt archeoloog Stijn Arnoldussen. ,,Die bood eerst vijf gulden, maar de burgemeester wist de prijs op te drijven tot tien gulden. Dat lijkt weinig, maar voor Ludger was dit anderhalve week loon.’’ Het halssnoer bevat kralen van barnsteen, tin en faience. ,,Het is echt een iconische vondst, want het bewijst dat het schijnbaar ‘onbeduidende’ Drenthe was opgenomen in een netwerk dat heel Europa besloeg. Hier waren geen tinmijnen, die vond je in Engeland. Barnsteen kwam vooral uit de Baltische Staten en faience werd in Centraal Europa gemaakt. Het is een echte pre-Brexit vondst.’’
 

loading
 

5. Dorp uit de bronstijd bij Elp (1960)

Archeoloog Harm Tjalling Waterbolk is in 1959 tijdens een vakantie in Grolloo op weg naar de paasvuren in Elp. Hij schreef hierover: ‘De paasvakantie met vrienden in Grolloo in 1959 en een toevallig bezoek bij die gelegenheid aan een brandend paasvuur in het naburige Elp leidden tot de ontdekking op een klein heiderestant van een lage grafheuvel die, naar bij een inspectie enkele weken later bleek, op het punt stond te worden afgegraven.’ ,, Hij startte vervolgens een officieel onderzoek’’, vertelt Stijn Arnoldussen. ,,In de omgeving van de grafheuvels stuitte hij op paalsporen en ontdekte zo de restanten van een fors dorp uit de bronstijd.’’ Waterbolk vond een tiental grote boerderijen met verblijven voor vee en schuren. ,,Dit was heel bijzonder. Je hebt natuurlijk de zichtbare monumenten, zoals hunebedden en grafheuvels. Maar waar woonden de mensen? Waarschijnlijk lagen de grafheuvels, het domein van de doden buiten het blikveld van de levenden.’’

6. Satricum, de Pontijnse regio en Crustumerium; van IJzertijd tot Romeinse tijd (1979 – 2020)

Peter Attema was als student al in de antieke nederzetting en in de Pontijnse regio , even ten zuiden van Rome, te vinden. Nu keert hij er als professor nog jaarlijks terug. Generaties studenten van de Rijksuniversiteit Groningen deden hier ervaring in het veld op. Hier leerden ze hoe dorpen uit de IJzertijd zich ontwikkelden tot steden en groeven een immense offerplaats op. Ook brachten zij de invloed van de Romeinse kolonisatie op het landschap in kaart. Het zogeheten Pontijnse project is een van de belangrijkste landschapsarcheologische veldwerkprojecten in de Italiaanse archeologie. En studenten leerden er soms hun toekomstige man of vrouw kennen. Attema: ,,Studenten zijn weken achtereen samen in het veld. Ik ken veel stellen die elkaar tijdens het veldwerk leerden kennen.’’

loading

Tijdens de opgravingen werd aan de kust bij Rome het oudste bewijs van zoutwinning gevonden. De vondst stamt uit de midden-bronstijd (1700 – 1300 voor Christus). Attema: ,,Zout is belangrijk voor het leven. Aan de kust waren ze gespecialiseerd in de zoutwinning. Zeewater werd ingedampt en in aardwerken vaten gekookt. Zo ontstaan zoutkristallen en deze brokken werden tot ver in het binnenland verhandeld.’’

loading

Attema en collega van Leusen deden ook onderzoek naar de gevolgen van een grote uitbarsting van de Vesuvius rond 1900 voor Christus waarbij het landschap onder een laag as werd bedekt. Binnenkort verschijnt een documentaire over het onderzoek.

Van 2006 tot op heden groeven Attema en zijn staf en studenten ook in de antieke nederzetting van Crustumerium aan de Tiber op loopafstand van Rome. In 2016 resulteerde dit in de beroemde Glyptotek in Kopenhagen in een internationale tentoonstelling met grafvondsten die door het Groninger Instituut voor Archeologie was gevonden. Deze trok duizenden bezoekers.

loading

7. Nederzetting Midlaren (2003 – 2005)

Recreatiepark De Bloemert in Midlaren wilde begin deze eeuw vakantiehuisjes laten bouwen, maar het kreeg er prehistorische bouwwerken voor terug. Tijdens archeologisch onderzoek werden duizenden sporen van een nederzetting gevonden, bewijs dat hier sinds het begin van de jaartelling tot ongeveer 1200 na Christus mensen woonden. Archeoloog Johan Nicolay leidde het project. ,,We deden tienduizenden vondsten. Ontzettend veel dozen met aardewerk, hout en metaal zijn naar het depot in Nuis gebracht. We vonden ook twee monumentale gebouwen, voor ontvangsten door de lokale heer. Op deze plek hebben zeker 5000 jaar achtereen mensen gewoond. Het ging om kleine gemeenschappen van hooguit acht tot tien mensen die er in opeenvolgende perioden woonden. We vonden ook glas en metaal waaruit blijkt dat de nederzetting deel uitmaakte van een groot handelsnetwerk, dat van Scandinavië in het noorden tot het Romeinse en latere Frankische rijk in het zuiden reikte.’’

loading

8. Friese terpen (2006 – 2012)

Archeoloog Johan Nicolay legde de geschiedenis van zeven Friese terpen bloot: Anjum, Aalsum, Achlum, Oosterbeintum, Firdgum en Dronrijp (2x) die teruggaan tot de midden-IJzertijd (500 voor Christus) en bewoond blijven totdat er dijken komen en veel van de woonerven naar de kwelder verschuiven. Nicolay: ,,Friesland telt zeker duizend terpen, velen zijn tussen 1850 en 1950 afgegraven voor de vruchtbare grond waarmee in Drenthe grond werd verrijkt. Het onderzoeken van een doorsnede door een deels nog intacte terp is alsof je een stuk uit een taart snijdt. Als je deze doorsnede schoonmaakt dan zie je letterlijk de geschiedenis voor je die teruggaat tot 500 voor Christus. Je ziet allerlei lagen, opgeworpen om in het nog onbedijkte kweldergebied zonder wateroverlast te kunnen wonen. Elke laag is te lezen als een bladzijde uit een geschiedenisboek.’’

loading

9. Huisplaatsen in De Onlanden (2011 – 2012)

Zuidelijk van de stad Groningen ligt een uitgestrekt veengebied dat sinds de tiende eeuw wordt ontgonnen. Inwoners van Roden, tuk op hooi- en grasland, namen met het graven van het sloten het initiatief om het gebied te ontwateren. ,,Maar het veen begon in te klinken, waardoor het er te nat werd om te wonen’’, vertelt archeoloog Johan Nicolay. ,,In de dertiende eeuw vertrokken de bewoners weer.’’ Een slordige driehonderd jaar later ondernemen boeren opnieuw een poging het ‘on-land’ te bewonen, om het in de negentiende eeuw definitief als woongrond te verlaten. Archeologen vonden hier ruim zestig middeleeuwse huisplaatsen, oftewel stukken land waar boerderijen op stonden.
 

loading

10. Walvisvaarders op Spitsbergen (1979 – heden)

Het Arctisch Centrum, dat dit jaar precies een halve eeuw geleden werd opgericht, kreeg grote bekendheid met archeologisch onderzoek naar vijftig graven van Nederlandse walvisvaarders uit de zeventiende eeuw op Spitsbergen. ,,Door de permafrost waren de botten en ook de kleding goed bewaard gebleven’’, legt poolonderzoeker Maarten Loonen uit. ,,Tussen 1600 en 1800 werden er mensen op Spitsbergen begraven. Maar de graven lopen gevaar door de klimaatverandering, waardoor de kans groot is dat ze in zee spoelen.’’ Op Smeerenburg bevond zich een walvisvaarder station met huizen en ovens om de gedode dieren te verwerken. Veel bemanningsleden stierven al op de heenreis door vitaminegebrek. Vanwege het geloof in de wederopstanding kregen ze geen zeemansgraf, maar werden ze op Spitsbergen met het gezicht naar het oosten begraven. Vanwege de bevroren grond zijn ze niet diep begraven en werd er een stapeltje stenen overheen gelegd. Op een andere plek, de Zeeuwse Uitkijk, zijn 150 graven ontdekt. Het is vooral bijzonder dat de kledingstukken intact zijn, want we weten heel weinig over hoe een werkman zich kleedde. Deze mensen werden gewoon in hun Nederlandse winterkleren naar het poolgebied gestuurd. De mutsen zijn bijna allemaal verschillend, vermoedelijk omdat ze elkaar zo konden herkennen. Hun gezichten waren vanwege de kou bedekt.’’
 

loading
 

loading

11. Opgraving Ezinge (1923 – 1934)

De opgraving van de wierde van Ezinge door de grote professor Albert van Giffen mag rustig de ‘moederopgraving’ van de moderne archeologie in Nederland worden genoemd. De professor legde meer dan 85 woonstalhuizen uit de ijzertijd en de Romeinse tijd bloot. ,,Het toenmalig Biologisch Archeologisch Instituut werd hiermee internationaal op de kaart gezet’’, vertelt archeoloog Annet Nieuwhof. ,,Men kwam van heinde en verre om te kijken hoe hier met de nieuwste wetenschappelijke methoden werd gegraven. Voor het eerst was het mogelijk om te zien hoe huizen uit de prehistorie er uitzagen. Het denkbeeld was dat deze mensen in hutten woonden, maar er lagen complete boerderijen met een woon- en een staldeel. Dat zorgde voor nogal wat opschudding. Ezinge is met zestien hectare een van de grootste wierden in Noord-Nederland. Hiervan werd er ongeveer 1,5 hectare afgegraven. Ze haalden extreem veel uit de grond, onder meer ruim twintigduizend stukken aardewerk werden naar boven gehaald. Maar van datering hadden ze destijds nog weinig kaas gegeten. Het is erg jammer dat veel wierden destijds werden afgegraven. Maar ja, terpaarde leverde zoveel op dat over het bezit ervan zelfs belasting werd geheven. Dan kun je het beter laten afgraven. Zo is er ontzettend veel vernietigd en verdwenen.’

loading

12. Hunebedden (1918 – 2012)

Professor Albert van Giffen was er dol op: hunebedden. Toegegeven, de piramiden zijn een stuk imposanter, maar ‘onze’ grafmonumenten uit het stenen tijdperk zijn stukken ouder. Vanaf 1918 tot in de jaren vijftig onderzocht Van Giffen er tientallen. Zijn opvolgers zetten zijn werk voort. ,,Het zijn de oudste monumenten van Nederland en het onderzoek loopt als een rode draad door de geschiedenis van ons instituut’’, zegt directeur Daan Raemaekers van het Groninger Instituut voor Archeologie. ,,Drenthe heeft er nog 52 en Groningen 2 De mensen van de Trechterbekercultuur, oftewel de hunebedbouwers, richtten deze stenen op en legden hier hun doden in. Ook in de eeuwen erna werden er doden bijgezet. Het zijn altijd grafkamers geweest, zowel hier als in het gebied tussen Drenthe en Zweden. We weten helaas maar heel weinig van de omgeving rond de hunebedden. Waar woonden de mensen die ze bouwden en welke rol speelden ze in het dagelijks leven?’’

loading

13. De vuursteenmijnen van Rijckholt (1923 – 1964)

Het klinkt als een passage uit Lord of the Rings: de vuursteenmijnen van Rijckholt (Zuid-Limburg). ,,Het was een van de belangrijkste bronnen van vuursteen met een hoge kwaliteit in Noordwest-Europa’’, legt directeur Daan Raemaekers van het GIA uit. Professor Van Giffen – waar groef ie niet? – ontdekte er medio jaren twintig van de vorige eeuw een mijngangenstelsel. Zijn opvolger en protegé Waterbolk groef in 1964 mijnschachten op. ,,Het was in de negentiende eeuw al bekend dat deze bron van vuursteen bestond. De mijngangen waren nauwelijks een halve meter hoog, dus je moest geen aanleg voor claustrofobie hebben. Het vuursteen werd op industriële schaal gewonnen en in grote hoeveelheden eruit gehaald. Ze werden voor die tijd over enorme afstanden verhandeld. Je vindt ze ook in Drenthe terug.’’

loading

14. Jagers, verzamelaars en boeren bij Swifterbant (1972 – 2010)

Archeologen ontdekten in de jaren zestig na de drooglegging van de polder Oostelijk Flevoland sporen die wezen op bewoning door boeren in de prehistorie. ,,Dit was rond 4000 voor Christus’’, vertelt directeur Daan Raemaekers van het GIA. De boeren woonden langs riviertjes.’’ De grafvondsten en gebruiksvoorwerpen hoorden bij een cultuur die vanwege de vindplaatsen nabij het dorpje Swifterbant voortaan Swifterbant-cultuur zou heten en uiteindelijk de Trechterbekercultuur zou voortbrengen die later ijverig hunebedden bouwde. Al zes eeuwen voor de bouw van de hunebedden deden de mensen van de Swifterbant-cultuur aan landbouw in een moerasgebied. In het waterrijke terrein werden jager-verzamelaars boeren.

loading

Je kunt deze onderwerpen volgen
Extra
Geschiedenis
Fotoserie