Het Groninger Instituut voor Archeologie bestaat honderd jaar. Het gebouw van het GIA aan de Poststraat in de binnenstad van Groningen is doordrenkt van een eeuw lang speur- en graafwerk over de hele wereld. Hier bracht Albert Egges van Giffen (1884-1973), de ‘founding father’ van het GIA, de moderne archeologie in Nederland ter wereld.

Het Groninger Instituut voor Archeologie is gevestigd in een smal straatje in een oud postkantoor. Een deel van het gebouw was eeuwen geleden onderdeel van een klooster. Professor Van Giffen legde hier precies honderd jaar geleden het fundament van ‘het Biologisch-Archeologisch Instituut der Rijksuniversiteit Groningen’. Zijn DNA is nog overal in het instituut terug te vinden: van de wonderlijke bottenzolder tot de verbijsterende collectie archeologische vondsten in de kelder.

Nalatenschap van ‘founding father’ professor Van Giffen nog overal te vinden

Het instituut is een heerlijk kruip- en sluipdoor bouwsel voor de 140 studenten. Trap op, gangetje door, trap af en dan weer een trap op, dat werk. De zoölogische zolder herbergt de vergelijkingscollectie. Mocht een archeoloog of student tijdens een opgraving op een bot stuiten dat vraagtekens oproept (is het van een mens of dier bv) dan is de kans meer dan groot dat in een van de talloze laden het antwoord ligt. Het instituut bewaart hier botten van alle bekende dieren, ook die van uitgestorven exemplaren. Een doodenkele keer gebeurt het dat een rechercheur een bot laat zien waarvan de herkomst moeilijk is vast te stellen.

Een donkerbruine kaak met grijzige kiezen

Op een houten tafel ligt een donkerbruine kaak met grijzige kiezen, de restanten van een wild zwijn dat een slordige zevenduizend jaar geleden in de bossen zijn kostje opscharrelde. Het is een van de projecten van universitair docent Canan Çakirla.

loading  

,,Zo’n zevenduizend jaar geleden kwamen de eerste boeren via Zuid-Limburg in ons land. Dat was nog in de periode van de jager-verzamelaars. Ik wil graag weten wanneer de vermenging tussen varken en wild zwijn begon, want dat vertelt ons iets over de overgang naar het boerenbedrijf. De chemische kenmerken van een varken zijn net als die van een mens, terwijl die van een wild zwijn als van een hert zijn.’’

Een holenbeer op de vensterbank

Een vissenskelet hapt met opengesperde muil in het luchtledige. Drie berenschedels liggen bijna achteloos op een vensterbank. Twee zijn bijna spierwit, maar de grootste, een ontzagwekkend exemplaar, is grijsbruin van de ouderdom. ,,Een holenbeer’’, legt directeur Daan Raemaekers van het instituut uit. ,,Waarschijnlijk nog door Van Giffen aangekocht. Mogelijk dat hij hem in het buitenland ruilde voor wat Drentse potten.’’

Van Giffen, zijn naam wordt een halve eeuw na zijn dood in het instituut nog steeds met eerbied uitgesproken. Zijn onderzoeksmethoden zijn verplichte lesstof en hij legde honderd jaar geleden de fundamenten voor het instituut. Een begeesterende man met een encyclopedische kennis die zijn medewerkers met zijn charisma, enthousiasme en eruditie tot grote hoogten opstuwde, maar collega’s door zijn eigengereidheid ook tot wanhoop bracht.

Van Giffens naam wordt nog steeds met eerbied uitgesproken

Hij werd op 14 maart 1884 in Noordhorn geboren als derde zoon van een predikant. Zijn vader verruilde nogal eens van preekstoel en de jonge Van Giffen groeide op in Diever, Boazum, Appingedam, Goutum en Zuidhorn. Hij studeerde plant- en dierkunde in Groningen. In 1908 maakte hij voor het eerst kennis met de archeologie tijdens een afgraving van een wierde in Dorkwerd. De grond van de eeuwenoude woonheuvels was erg gewild om arme zandgronden mee te verrijken, want deze was rijk aan voedingsstoffen.

loading  

En aan archeologische voorwerpen. Potten, gereedschappen, siervoorwerpen, botten: de gravers haalden van alles naar boven. Wie weet wat er door het hoofd van de jonge biologiestudent ging, maar feit is dat hij zijn aandacht naar de archeologie verlegde. En hoe. Op zijn motorfiets – die hij stoomfiets noemde - tufte hij door het land en Europa, zoekend naar kennis en vondsten. Archeoloog en oud-directeur van het GIA Harm Tjalling Waterbolk (1924 – 2020) schreef over zijn oude leermeester:

‘Het is alsof er een raket werd afgevuurd, zo hard ging Van Giffen aan het werk. Hij beperkte zich niet tot Dorkwerd, maar ging ook andere terpen inspecteren. In januari 1909 stond hij al met zestig tot zeventig terpen in verbinding. Hij trok naar Friesland om hetzelfde te doen en reisde met de Duitse geoloog H. Schütte naar de Noordfriese Halligen om daar de bewoonde buitendijkse terpen te bestuderen. Het Museum van Oudheden stelde Van Giffen werkruimte ter beschikking. Het Centraal Bureau kon het tempo van Van Giffen nauwelijks bijhouden en gaf in de verslagen over 1908 en 1909 blijk van verwondering, dat Van Giffen in feite veel meer had gedaan dan hem was opgedragen.’

Schijnwerpers van de wereld op Ezinge gericht

Negen jaar na de oprichting van het Biologisch-Archeologisch Instituut richtte Van Giffen de schijnwerpers van de wereld op Ezinge waar hij de grootste archeologische opgraving van een wierde ooit leidde en hij zijn naam als opgraver definitief vestigde.

loading  

Na de beurskrach in 1929 was er aan goedkope arbeidskrachten geen gebrek. De energieke professor dirigeerde in Ezinge verspreid over enkele jaren een klein leger van soms honderd man. Grote boerderijen uit de ijzertijd en de Romeinse tijd werden blootgelegd, waardoor Van Giffen definitief een einde maakte aan de heersende opvatting dat de woonheuvels eeuwenlang door zieltogende stakkers in armzalige hutten werden bewoond. Welnee, het waren echte boeren met een voor die tijd flinke veestapel die zelfs Romeins vaatwerk uit Tunesië bezaten.

Veel van deze vondsten lagen vroeger tussen de muren van het instituut, maar wordt nu in het depot in Nuis bewaard. Raemaekers komt via een smal trappetje op de ‘bottenzolder’ van het instituut waar de zoet muffe geur van bejaard hout hangt. Het was – jawel – Van Giffen die de basis voor de collectie die hier wordt bewaard, legde. Meer dan zevenhonderd verschillende vogelskeletten liggen hier in een van de archiefkasten die op de krakende planken staan.

Bovenop een kist met het opschrift ‘grijze walvis’ liggen ook dolfijnenschedels en een reusachtig gewei. En ook de beenderen van kamelen – waarschijnlijk afkomstig van een exemplaar dat Romeinen naar Trier meenamen - ontbreken niet. In een aparte ruimte bevindt zich het ‘rariteitenkabinet’. Een blik op een tweehoofdig kalfje dat naast de donkerbruine kies van een mammoet ligt - door vissers van de bodem van de Noordzee geschraapt – leert hoe het deze naam kreeg. In een hoek staat een gigantisch mammoetbeen naast dat van een oeros. Kortom: het instituut beschikt over een breed kabinet.

Het kanon van de Queen Anne

Een ander gebouw van het instituut, op een steenworp afstand en naast het Academiegebouw van de Rijksuniversiteit Groningen, huisvest de afdelingen conservering en botanie. Conservator/restaurateur Gert van Oortmerssen houdt een pot van aardewerk uit het stenen tijdperk omhoog, opgegraven in Dalfsen waar het grootste grafveld van de Trechterbekercultuur, die ook de hunebedden bouwden, in Noordwest-Europa ligt. Maar hoewel grafmonumenten van de hunebedbouwers nog steeds onverwoestbaar toeristen trekken, is hun aardewerk er soms minder fraai aan toe. Van Oortmerssen puzzelt het stukje voor stukje met engelengeduld weer tot een geheel. Witte strepen gips steken scherp af tegen het donkerbruine aardewerk.

Naast een roestvrijstalen spoelbak ligt bijna terloops de zwarte loop van een robuust kanon van zeventig kilo, uit het 18de eeuws scheepswrak dat door archeologen The Queen Anne wordt genoemd, omdat haar beeltenis op lepels stond. Het werd in 2018 in de Noordoostpolder gevonden. De lading, inventaris, tuigage en bewapening bleken uitstekend bewaard. De vondsten, een deel ligt nu in het Universiteitsmuseum, worden schoongespoeld, ontzilt, gestabiliseerd en gereconstrueerd.

Het heilige der heiligen

Maar het heilige der heiligen bevindt zich in de kelder van het instituut: de collectie archeologische vondsten uit de steen-, brons-, en ijzertijd. Op de planken liggen duizenden en duizenden voorwerpen: potten, wapens, gereedschappen. In plastic bakken liggen roestige kanonskogels. Niet alles werd door Van Giffen, zijn collega’s en archeologen na hem uit de bodem gehaald. Zoals gezegd, er vond soms ook ruilhandel met (buitenlandse) musea plaats. Het opschrift van een delicatessenzaak op een houten bakje met oeroude potscherven verraadt dat het begin vorige eeuw bruidsuikers bevatte. Een vrolijk gekleurd Egyptisch sigarettendoosje bewaart scherven uit een hunebed in Drouwen.

DNA van mens en dier

Raemaekers haalt bijna vertederd een houten opbergbakje uit een van de stellingen. ,,We hadden vroeger een timmerman in dienst, die honderden van dit soort bakjes in alle denkbare maten maakte. Tot de jaren negentig groeide onze collectie. Het meeste ligt nu in Nuis. Maar er ligt hier nog steeds ontzettend veel, we weten soms zelf niet wat we hebben. Enkele jaren geleden werd er onderzoek gedaan naar het gebruik van grafkamers van de hunebedden. Crematieresten uit hunebedden kunnen ons hier veel over vertellen, maar we dachten dat we die niet hadden. Maar een student vond in totaal 8 kilo! Nu weten we dat kinderen en volwassen vrouwen en mannen werden gecremeerd. De verbrandde botten weren daarna in het hunebed bewaard.’’

loading  

Veel vondsten die hier liggen, komen uit hunebedden die met grote zwerfkeien werden gebouwd. Het is daarom ook ironisch dat het juist een zwerfkei was die in de jaren vijftig de bouw van een lift verhinderde die het vervoer van zware voorwerpen van de kelder naar andere delen van het gebouw aanzienlijk zou vergemakkelijken. ,,Maar bij het graafwerk stuitten ze dus op een zwerfkei. Je ziet: de fundering van dit gebouw bestaat letterlijk en figuurlijk uit geschiedenis.’’

Dat volgens hem nog een lange toekomst heeft. ,,Net als andere wetenschapsgebieden is de archeologie steeds meer onderverdeeld geraakt in specialismen. De eilanden van dat ‘eilandenrijk’ hadden en hebben hun eigen tijdschriften, hun eigen congressen en dreven steeds verder van elkaar af. De laatste tien jaar zien we een tegenbeweging: er wordt steeds meer interdisciplinair samengewerkt omdat door die samenwerking nieuwe inzichten komen. De nieuwe onderzoeksmethoden zoals DNA-analyses van mensen en dieren, en chemische analyses van materiële cultuur, mensen en dieren produceren data die het beste in samenhang kunnen worden begrepen.

Een tweede grote ontwikkeling komt voort uit die methodische vernieuwing: het besef dat mensen in het verleden zich veel vaker en over grote afstanden verplaatsten. Europa was en is een continent van migranten. Dit grote verhaal moet nu beter onderzocht worden, waarbij de expertise en collecties van het GIA belangrijke waarden zijn om een grote bijdrage te leveren.’’

Je kunt deze onderwerpen volgen
Extra
Geschiedenis
Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct