Het lukt een groep gedupeerde beleggers maar niet om verhaal te halen bij JR Shipping in Harlingen. Ook het gerechtshof wijst hun verzoek af.

In 2018 werd de rederij gedwongen elf containerschepen te verkopen aan een Britse investeerder, waarvan de naam geheim is gebleven. Die executieverkoop raakte 2700 particuliere beleggers. Zij hebben in totaal 87 miljoen euro gestoken in de scheeps-cv’s (commanditaire vennootschappen) van JR Shipping.

Enkele van de gedupeerden, waaronder een bankemployee, een jurist en een econoom, probeerden de identiteit van de nieuwe scheepseigenaar alsnog te achterhalen. Ze klopten aan bij het Openbaar Ministerie, de AFM (Autoriteit Financiële Markten) en de Nederlandsche Bank, maar boekten geen resultaat.

Uiteindelijk klaagden ze bij de tuchtrechter notaris Fokko Keuning en kandidaat-notaris Bert Gunnink aan. Beide juristen begeleidden destijds de omstreden scheepstransactie tussen de Duitse HSH Nordbank en de onbekende Britse investeerder.

Het notarisduo is nu ook in hoger beroep vrijgepleit. De notaris- en gerechtsdeurwaarderkamer van het gerechtshof Amsterdam oordeelt dat Keuning en Gunnink niks valt te verwijten. De raadsheren volgen grotendeels de eerdere uitspraak van de notariskamer in Arnhem.

De klagers vinden dat zij als vennoten ,,via list en bedrog van de opdrachtgevers buitenspel zijn gezet’’. Ze stellen dat er bij de verkoop juridische trucs zijn gebruikt om de identiteit van de Britse durfkapitalist te verhullen. Daar hadden de notarissen niet aan mogen meewerken, vinden de gedupeerden. Econoom Tom den Hertog liet eerder aan deze krant weten dat hij het vertrouwen in het notariaat is kwijtgeraakt.

Ook het gerechtshof ziet echter geen bewijs ,,voor tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van de notaris en de kandidaat-notaris’’. Bovendien is volgens het hof de positie van de beleggers door de gedwongen verkoop van de schepen niet wezenlijk gewijzigd of benadeeld. ,,Na de herfinanciering had de commanditaire vennootschap nog steeds een schuld, alleen aan een andere schuldeiser’’, aldus de uitspraak.

,,De belangen van de commanditaire vennoten vormden bij de overneming van de vordering geen beletsel’’, constateert het gerechtshof. ,,Zij zijn op het moment van de overneming van de vordering niet hun economisch belang bij de schepen kwijtgeraakt.’’

Je kunt deze onderwerpen volgen
Economie
Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct