John Coltrane in 1962.

Vrijheid in de muziek: Free jazz - Vrij tussen de oren

John Coltrane in 1962. FOTO ANP

Als het gaat om muziek en vrijheid, moeten we het natuurlijk hebben over free jazz. Over vrijheid, strijd en nieuwigheid.

Bij de bevrijding van 1945 kwamen we misschien al een heel eind met Glenn Miller (kort daarvoor verongelukt toen zijn vliegtuig verdween boven Het Kanaal) en The Andrew Sisters. Misschien gaat Rum And Coca-Cola ergens ook wel over vrijheid, maar dan toch op een indirecte manier. Vrijheid werd meer een onderwerp in de jaren zestig, want in zekere zin ging dat hele decennium daarover.

Freedom’s just another word for nothing left to loose’ , zong Janis Joplin in Me And Bobby McGee (in de woorden van Kris Kristofferson, want die schreef het). Een beetje magere analyse, gezien het tijdsgewricht. Nee, dan Richie Havens en Freedom , het lied dat hem beroemd maakte, vooral omdat hij het uitvoerde op het beroemde Woodstock-festival. Sterker: hij bedacht het ter plekke (al baseerde hij het her en der op de traditional Motherless Child ), omdat hij door zijn repertoire heen was en de organisatie erop aandrong dat hij door bleef spelen – artiesten konden het terrein niet bereiken, wegens grote drukte.

Vrijheid kent ook grenzen. Niettemin is het een fraai schouwspel in de Woodstock-film, Havens voor een uitzinnig, veelkoppig publiek, dat hem tot deze geïmproviseerde ode aan de vrijheid inspireerde: ,,Ik zag de vrijheid voor mijn ogen”, zou hij later zeggen. Hij springt over het podium, zijn oranje gewaad doorweekt. Vrijheid is hard werken, zeker als je zwart bent.

IJssalon

Vertel dat jazzmuzikanten maar, vaak ook zwart immers. Bessie Smith, blueszangeres eigenlijk, stierf in 1937 na een auto-ongeluk omdat het ziekenhuis waar ze eerst naar toe werd gebracht geen zwarten behandelde. Rietblazer Eric Dolphy legde in 1964 het loodje na een zware diabetes-aanval. In het Berlijnse ziekenhuis waar hij terecht kwam zag men hem aan voor een junkie. Trompettist Miles Davis werd mishandeld door een politieagent, toen hij buiten een jazzclub, tussen twee sets door, met een vrouw stond te praten. Een blanke vrouw. Toen Duke Ellington met zijn orkest door het gesegregeerde Zuiden van de Verenigde Staten toerde, moest Fredi Washington, ‘gezegend’ met een opmerkelijk blanke huidskleur voor een ‘zwarte’ zangeres, ijsjes halen voor de bandleden die de ijssalon niet in mochten.

Het zijn maar een paar voorbeelden van het racistische klimaat waarin zwarte jazzmuzikanten in Amerika moesten werken en leven. Dan krijgt een term als ‘free jazz’ wel even een andere lading dan die van ‘gratis jazz’, wat het ook betekent. Free Jazz is ook de titel van een van de beroemdste albums van het hele genre, of de hele beweging, net hoe je het noemen wilt. Een sleutelplaat, hoe dan ook, met op de hoes een abstract schilderij van Jackson Pollock.

loading

Dubbelkwartet

Altsaxofonist Ornette Coleman breidde bij die gelegenheid (in 1960) zijn groep van toen uit tot een dubbelkwartet, en met die ongegeneerd nieuwe instrumentatie leverde hij een collectieve improvisatie af, niet gebonden aan zulke benauwende zaken als akkoordenschema’s of een vast metrum. Het werd een omstreden sensatie, geheel in lijn met zijn verrichtingen tot dan toe.

Daarmee had hij al diepe voren getrokken in de jazzgemeenschap van toen. De ene helft vond hem een charlatan die niet kon spelen en zijn akkoorden niet kende, de ander zag in hem een pionier, een messias die de jazz verloste van knellende harmonische en ritmische ketenen. Albumtitels als The Shape Of Jazz To Come , Something Else!!!! en Change Of The Century (allemaal nog van voor Free Jazz ) lieten geen misverstand bestaan over zijn intenties.

Met deze vrijheidsdrang sloot de muziek alsnog aan op ontwikkelingen in andere kunstvormen: abstractie, surrealisme, de emancipatie van het onderbewustzijn, de vrije vormen. Het raakte een snaar, ook bij musici die eerder al actief waren. Zoals Cecil Taylor, die notenreeksen van intense massaliteit aan zijn piano ontlokte. Pianisten waren niet heel dominant in de free jazz, gitaristen ook niet trouwens. De dwang van de gelijkzwevende stemming stond dat in de weg.

Tenor- en sopraansaxofonist John Coltrane had tot zijn vroege dood (in 1967) wel degelijk pianisten aan zijn zijde, eerst de pas overleden McCoy Tyner en in de laatste jaren zijn vrouw Alice. Coltrane was al beroemd, onder andere wegens zijn werk bij trompettist Miles Davis, en hij ging volop mee, de nieuwe weg op. Zijn magnum opus is Ascension , opgenomen een dik half jaar na zijn veel bekendere A Love Supreme en stukken radicaler. Ook hij breidde zijn vaste groep hier uit, tot een elfmansbezetting. Die verzette hier met man en macht radicale klankblokken, die de ziel nog immer mateloos beroeren.

loading

Seances

Coltrane had een sterk spirituele agenda, wat vooral bij zijn concerten tot uiting kwam in lange stukken die soms meer van seances weg hadden dan van een vrolijk mopje muziek. Er is nog altijd een kerk in San Francisco, gewijd aan de man, zijn muziek en zijn spirituele inslag: de Saint John Coltrane African Orthodox Church.

Die inslag had hij dan gemeen met tenorsaxofonist Albert Ayler, die rechtstreeks putte uit de kracht van oude gospel-spirituals en deze inspiratie onderwierp aan een wilde maalstroom van improvisaties, tornend aan de grenzen van de tonaliteit, nieuwe timbres verkennend door dubbeltonen en andere uitzinnigheden aan zijn sax te ontlokken. Daar kon Coltrane ook wat van, hoe verder hij zijn spirituele pad betrad. Net als Ayler ging hij steeds verder in zijn zoektocht naar nieuwe klanken. Experimenten met uitgebreide bezettingen bijvoorbeeld: veel trommels bij Coltrane, cello en viool bij Ayler. Beiden voelden zich uiteindelijk, hun technisch kunne niet te na gesproken, beperkt door hun instrument: Coltrane ging zingen en Ayler zowaar doedelzak spelen. Dat klinkt net zo uitzinnig als je verwacht, en minstens zo goed.

Naast dat spirituele domein, en waar kun je vrijer zijn dan daar, zat er ook een sterk politieke, activistische inslag in het genre. Dat had in 1964 zelfs zijn eigen Oktoberrevolutie: een vierdaags, uitverkocht festival in het New-Yokse Cellar Cafe. Daar speelde ook de blanke, Canadese pianist Paul Bley. Maar verder was de free jazz nauw verwant met de cultuur en ervaringen van de zwarte Amerikaan, en we zagen al dat die het niet gemakkelijk had in die dagen.

De grote zwarte leider Martin Luther King sprak bij de opening van het Berlin Jazz Festival in 1964 over de blues als het verhaal van de problemen in het (zwarte) leven. ,, Modern jazz has continued this tradition, singing the songs of a more complicated existence. When life itself offers no order or being, the musician creates an order and meaning from the sounds of the earth which is flowing through his instrument.”

Het is af te lezen aan de titels: Freedom Suite (tenorist Sonny Rollins), We Insist (drummer Max Roach), Alabama (Coltrane, over in brand gestoken kerken aldaar waarbij enkele zwarte meisjes verbrandden), Attica Blues (saxofonist Archie Shepp, over de rellen in de gelijknamige gevangenis). Shepp vooral ontpopte zich als strijdbaar activist. Ook belangrijk: Liberation Music Orchestra, opgericht door bassist Charlie Haden en toetseniste Carla Bley, dat stukken speelde geïnspireerd op de Spaanse burgeroorlog. Haden, net als Bley blank en lange tijd aan de zijde van Ornette Coleman, stond voor zijn overtuigingen en moest dat bezuren. Bij een concert in het dictatoriale Portugal van 1971 droeg hij een uitvoering van zijn Song For Che op aan de revolutionairen in de Portugese kolonies in Afrika. Hij werd prompt gearresteerd.

loading

Zaligheid

Het zit hem natuurlijk niet alleen in veelzeggende, goed gekozen titels. Als je bedenkt dat free jazz een heel directe uitdrukking is van je ziel en zaligheid, of het gebrek daaraan, dan is wel duidelijk dat de maatschappelijke omstandigheden hoe dan ook in je muziek doorklinken – ook als niet elke discriminerende ervaring direct neerslaat in deze drumklap hier of die hoge noot daar.

Free jazz gaat ook over de gelijkwaardigheid van de instrumentalisten. Het opengooien van de beat gaf de drummer een meer geluidsbepalende rol, bijvoorbeeld. De uitgebreide bezettingen van Free Jazz (de Coleman-plaat) en Ascencion (Coltrane) gingen ook over nieuwe, op gelijkwaardigheid gebaseerde organisatiemodellen. Wat de muzikanten, vaak door de sociaal-economische nood gedwongen, vaak inspireerde tot nieuwe samenwerkingsverbanden: muzikantenorganisaties en -collectieven, eigen labels, minder gebruikelijk en zelf opgezette speelplekken. Daar ontleent het subgenre loft jazz (New York, jaren zeventig) zelfs zijn naam aan.

Free jazz is enerzijds nauw verbonden met de jaren zestig (Coltrane stierf in 1967 aan de gevolgen van een wilde levensstijl in een eerder bestaan, Ayler werd in 1970 opgedregd uit de Hudson), maar anderzijds: het leeft nog altijd. Soms als ecstatic jazz of fire music , soms samengesmolten met of slinks geïnfiltreerd in andere stijlen. De muziek van Kamasi Washington, hip en populair, is ondenkbaar zonder dit erfgoed. De Duitse saxofonist Peter Brötzmann, vertegenwoordiger van de Europese tak, stond zelfs op hardemuziekfestival Roadburn. Vraag een serieus scheppend muzikant in wat voor genre dan ook om zijn of haar invloeden en grote kans dat daar zo’n vrijzinnige jazzgeest, of meer, bij zit. Dus wie deze muziek afdoet als ‘piepknor’ is voorgoed af.

Ook al kun je niet zo vaak naar buiten, al blijft je gemeenschapszin beperkt tot Zoom en Teams en al ben je niet vrij om je ziel te laten verheffen bij concert of festival: bij de beste platen uit dit genre komt de vrijheid vanzelf tussen je oren terecht.

loading

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct