Voor dertig man is het moeilijk oefenen, vólle zalen heeft cabaretier Youp van ’t Hek nodig. Maar ja, corona. Schrijver Thomas Verbogt reisde mee naar de try-outs van de oudejaarsconference, z’n tiende en laatste. Een gesprek over hun vriendschap, weemoed, de troost die Youp biedt, zijn nieuwe voorstelling. ,,Ik eindig in Carré op de dag dat ik 70 word.’’

Op de achterkant van zijn nieuwste bundeling columns, In corontaine , zien we Youp van ’t Hek met een mondkapje voor. Op dat mondkapje staat Humor?. Volgens mij lachen zijn ogen boven dat mondkapje, waarschijnlijk om dat vraagteken. Alsof hij zichzelf afvraagt: mág humor nog? Komt het door de tijd die zwaarder is dan voorheen? Ja, die zwaarte is overal voelbaar, ook in hoe mensen reageren op grapjes.

Youp (66): ,,Als ik zeg dat een politicus zich autistisch gedraagt, krijg ik een stuk of honderd brieven; of ik weet wat autisme is? Ik heb Trump ergens psychotisch genoemd. Weer brieven. Kon ik niet zomaar zeggen. Als je iemand snel wilt typeren heb je typerende woorden nodig, alsjeblieft geen omschrijvingen. Hoort bovendien bij humor, overdrijven, vergroten, over een grens heen gaan, ergens zacht tegenaan trappen. Maar iedereen is zo ernstig.

Tijdje geleden schreef ik over het Rijksmuseum. De directeur klaagde over de gevolgen van corona. Snap ik! Dan schrijf ik dat hij natuurlijk een of twee doekjes kan verkopen, een Vermeer en een Rembrandt. Dan hoor en lees ik dus mensen die zeker weten dat ik dat meen. Te onbenullig om verontwaardigd over te zijn. Ik denk er wel over na als ik aan een nieuwe voorstelling werk, want ik wil voor een leuke avond zorgen. Wat kun je doen en wat alsjeblieft niet?’’

Youp komt net aanrijden als ik bij hem heb aangebeld. Er loopt een man naar een busje van een loodgietersbedrijf. Youp vraagt of hij weggaat, dan kan hij zijn auto daar neerzetten, vlak voor het huis. Parkeren is een klus in de binnenstad van Amsterdam. Weer zie ik wat ik zo vaak zie: er ontstaat meteen een zeer vrolijk gesprek, ook een andere loodgieter komt erbij, gesprek wordt nog vrolijker.

Uitbundig

Youp is van iedereen, waarschijnlijk omdat hij bij iedereen hoort. Hij heeft nooit last van zijn bekendheid. Nog nooit maakte ik het mee dat hij het vervelend vond aangesproken te worden. Op de foto? Geen punt. Ook dat is het leven dat hij wil, zo vaak mogelijk uitbundig.

Ik ken hem zo’n vijfentwintig jaar, ook zijn melancholie, zijn hartverwarmende betrokkenheid als er iets niet goed gaat in je leven, maar vooral zijn ongelooflijk vrolijke energie. Als je in de buurt van Youp bent, gaat alles sneller, overal is wel iets aan de hand, met iedereen, altijd is er een grap of verbijstering.

Hij is snel verveeld, je moet op volle toeren met hem meedraaien, maar dat is niet erg, integendeel, je gaat nog meer relativeren dan je al deed, en relativering zorgt voor lucht en ruimte, waardoor je weer ziet wat écht belangrijk is. Bij vriendschap hoort ook dat je iets van de ander leert. Dát: meedogenloos onderscheid maken tussen hoofd- en bijzaken en je er niets van aantrekken als dat je niet in dank wordt afgenomen. Bij vriendschap hoort ook dat je veel bespreekt zonder het te zeggen.

Op deze leigrijze herfstdag is Youp bezorgd over zijn oudejaarsvoorstelling. Tot nu toe speelde hij voor dertig mensen. En hij heeft een volle zaal nodig. Een volle zaal hoort bij de voorstelling. Die werkt mee. Dertig mensen is een te bedeesd aantal, hun lach klinkt ver weg.

Hoort allemaal bij dit vreemde jaar. Als thuiswerker heb ik er minder last van gehad. Veel lezingen en andere optredens gingen niet door en dat was even wennen, maar ik verschanste me in de stilte van mijn werkkamer, die inmiddels een overzichtelijke aanblik biedt. Ik had de tijd veel op te ruimen en dwaalde automatisch door herinneringen om uiteindelijk te belanden bij de vraag wat ik allemaal heb meegenomen uit mijn leven tot nu toe. Dat is bij het begin van een nieuw boek gaan horen.

Corona

Youp: ,,Maar ik werd ziek, corona, kwam in het ziekenhuis terecht. Net niet op de ic, maar wel zo ziek dat ik dacht: doodgaan is niet zo moeilijk. En toen ik eruit mocht, was ik nog niet beter, nog lang niet. Slap, snel moe. Gelukkig was Debby er, mijn vrouw, gelukkig kwam dagelijks de thuiszorg. Ik snap wel dat jij er minder last van had, maar ik vond het toch te lang duren, te lang passen op de plaats, ik ben er te ongeduldig voor, maar daar doe ik niet moeilijk over, want het is voor iedereen ingewikkeld.

Het is een tijd die veel onzin relativeert, we zetten op een rijtje wat ertoe doet en wat niet. Het is een vorm van ontwrichting. En ontwrichting brengt je naar de essentie. Niet kunnen skiën is geen probleem, lijkt me. Het moet maar eens afgelopen zijn met al die vanzelfsprekendheden. Voordeel van zo’n lockdown is dat je ook weer eens met je vrouw praat. Ik bedoel dit cynisch. Ik denk dat veel mensen tot de conclusie kwamen dat het beter is zonder elkaar.’’

Youp woont een groot deel van het jaar in Bergen aan Zee. Ik ook. Met genoegen denk ik aan de periodes waarin hij aan een voorstelling werkte en ik aan een boek. Niet dat we het daar vaak over hebben, maar we delen dat we met iets bezig zijn wat er nog niet is, en het werk dat dat is, vooral denkwerk natuurlijk. Youp begint pas een paar dagen voor de voorstelling met schrijven, dan zit alles al in zijn hoofd. Ergens begin september is zijn eerste try-out, altijd in Theater Pepijn in Den Haag.

Youp is onstuitbaar beweeglijk in zijn leven, maar hecht aan tradities. Een paar dagen voor Pepijn vraag ik of hij alles op een rijtje heeft. Dit jaar ook. Hij schildert die middag een tafel en stoeltjes voor in de tuin, in felle zonnige kleuren.

Ik geloof dat hij het lastig vindt dat ik het vraag. Ik weet wat hij antwoordt en dat antwoordt hij ook: ,,Ik ben bézig.’’ En dan stelt hij voor een potje tafelvoetbal te spelen. Zijn idee voor dit jaar: een kerstdiner met een paar vrienden. Ze blikken terug op het jaar, wat natuurlijk hoort bij een oudejaarsconference. Ik zeg dat het me een goed idee lijkt. Youp vindt dat geen geruststellende woorden.

Youp: ,,Ik heb er iets van geprobeerd, maar het werd niks. Te omslachtig, zo’n tafel vol vrienden. Was ook te particulier. Dan moet je eerst uiteenzetten hoe het zit. Kost veel tijd. Te veel tijd is altijd oponthoud, haalt het ritme uit de voorstelling.

Ik moet altijd denken aan Joop Koopman, die lang geleden mijn impresario was en mijn voorstellingen stevig becommentarieerde. Veel, heel veel moest er weg. Ik voerde ooit een blinde man op en vertelde eerst hoe die man blind was geworden. Joop zei dat hem dat niet interesseerde, ik moest gewoon zeggen dat die man blind was, want dát deed ertoe.

Ook een belangrijke vraag van hem was: ‘Waar gáát je voorstelling over?’ Dat irriteerde me dan en ik riep dat ik dat toch zei. Joop: ‘Maar ik heb het niet gehóórd.’ Ik snap die behoefte aan duidelijkheid. Straks ga ik ook weer zitten schrappen. Als je te veel zegt, zorgt dat voor ruis. Ik weet heel goed wat ik doe. Ik moet niet hoeven uitleggen wat ik bedoel. Wat ik zeg, moet rechtstreeks in de hoofden van al die zevenhonderd mensen gaan zitten.

Nou ja, nu dus iets minder dan zevenhonderd, maar voor dertig mensen geldt hetzelfde, ook al moet je op een andere manier voelen of het overkomt – wat ik dus lastig vind.’’

Amuseert hij zich als hij schrijft?

Youp: ,,Ja, ik moet vaak lachen.’’

Waar gaat je oudejaarsvoorstelling over? Nee, dat vraag ik niet. Wat wil je dat er gebeurt met je publiek?

Youp: ,,Dat ze lachen natuurlijk. En dat ze later soms aan me denken als ze iets zien en horen wat meteen door te prikken is. Dat ze automatisch veel met een korreltje zout nemen, dat ze opgeblazen geleuter ontmaskeren. Dat ze even weg zijn van het leven buiten het theater.

Ik krijg vaak brieven van mensen die schrijven dat ze zich getroost voelen, bijvoorbeeld door hoe ik het over de dood heb, of over ouderdom. Een vrouw schreef dat haar vader op zijn sterfbed naar conferences van mij had liggen luisteren, waardoor het allemaal draaglijker werd. Je begrijpt dat het me goed doet zoiets te horen. Zinloosheid zin geven, dat is mijn werk, geloof ik. Daar begint het in ieder geval mee.’’

Lang geleden hadden we het erover, over de dood, over hoe de dood in zijn leven kwam. Dat was al heel vroeg, toen twee klasgenoten bij een brand in huis waren omgekomen en hij hun kleine kisten in de kerk zag staan, een tafereel dat hem ontstelde. Angst voor de dood, daar leeft hij tegenin, daar schrijft en speelt hij tegenin. De herinnering aan de gestorven klasgenoten zou ik hem trouwens graag zien opschrijven, een verhaal in een boek over de melancholie van de rasentertainer.

Een paar dagen later reis ik met hem mee naar de schouwburg van Leiden. In 2014 en 2015 maakten Youp en ik aan het einde van het theaterseizoen een korte tournee met de voorstelling Mooie verhalen . Daar heb ik tintelende herinneringen aan, ook aan de reis erheen en de terugtocht naar Amsterdam.

Met rechterhand Simon achter het stuur, het nieuws bespreken, lachen, veel lachen, op de terugweg Youp die doodernstig en plechtig showbizzweetjes uit De Telegraaf voordraagt, over Gordon en Patricia Paay. Op weg naar Leiden voel ik lichte heimwee naar die dagen. Even lijkt er niets veranderd; Simon, Youp, lachen, veel lachen, vlogs van Glennis Grace.

Youp werkt al vijfentwintig jaar met hetzelfde team. Ze weten allemaal wat ze aan elkaar hebben en wat er moet gebeuren om van een voorstelling een topvoorstelling te maken. Niemand hoeft ‘aangestuurd’ te worden. Voor Youp is dat een voorwaarde: dat hij zich alleen maar druk hoeft te maken over zijn eigen rol op het toneel. Soms wordt hij gevraagd gastles te geven op een cabaretopleiding, een ‘masterclass’ (hij spreekt het woord met enige weerzin uit) en het belangrijkste vindt hij dan dat zijn studenten begrijpen dat ze voor uitstekende randvoorwaarden moeten zorgen, zodat ze alle ruimte hebben voor hun tekst en de werking ervan.

’s Avonds zie ik een zeer geestige voorstelling in wording. Met veel ernstige aanleidingen: de leden van de Tweede Kamer die wegrenden toen de salarisverhoging van werkers in de zorg zou worden behandeld, de agressie in de samenleving, het gezeik en gezeur, het humorloze.

Bij het glas na afloop valt de beslissing verder te gaan met de voorstelling en die op oudejaarsavond uit te zenden. Er moet alleen worden gezocht naar de manier waarop.

De volgende dag weet Youp wat eruit gaat nog niet helemaal zeker, maar straks is er een repetitie die veel duidelijk zal maken. We hebben het over een personage uit de voorstelling, Schele, die hij al eerder opvoerde, het type man dat Youp ligt: gemoedelijk, recht door zee, geen loze praatjes, niet belangrijk doen, veel humor. Het zijn ook de mensen met wie hij zich omringt.

Is wat eruit gaat een gevolg van de reacties van het publiek?

Youp: ,,Nee, van mijn eigen enthousiasme. Als ik merk dat ik een tekst moeilijk onthoud, dat ik er even naar moet zoeken tijdens de voorstelling, weet ik dat die er waarschijnlijk uit gaat. Als iets niet werkt, ligt dat aan mij, nooit aan de zaal. Ik sta er altijd van te kijken als ik collega’s hoor klagen over hun publiek.’’

Youp vindt het geen moeilijk onderwerp: dit jaar voor het laatst oudejaarsavond. Vindt hij het erg?

Youp: ,,Nee, echt niet. Ik neem met een goed gevoel afscheid van die traditie. Ik ben er in 1989 mee begonnen en heb het met onbedaarlijk veel plezier gedaan. Telkens vond ik het een eervolle opdracht en ik hoop het vrolijk af te ronden. Het is tijd voor de volgende generatie. Weet je nog dat Koot en Bie zeiden: ‘oude lullen moeten weg’? Ik zeg in de voorstelling ook niet voor niets met een relativerende grijns dat ik onderhand misschien te oud ben.

Maar ik ga nog even door, hoor. Er komt gewoon een nieuwe show. Ik stop alleen met de oudejaarsconference. Overigens werd ik daarvoor al in 1985 gevraagd, maar toen vond ik mezelf nog te jong, te weinig ervaren. Twee jaar later weer, maar ik twijfelde nog. Kort daarna durfde ik het aan, ik had voldoende kilometers gemaakt.’’

We komen over Toon Hermans te spreken. Toen die Youp in 1995 op televisie had gezien, belde hij op om te zeggen dat hij iets minder druk moest doen, want ‘het is maar een heel klein kastje’. Toon Hermans zag hij voor het eerst met zijn ouders in Carré, hij was nog jong en wist het zeker: dat wil ik ook.

Youp: ,,In 1996 belde Het Parool voor een interview. Ik had daar geen zin in, ik had er al zo veel gehad, was even uitgepraat. Toen vroeg ik aan de toenmalige hoofdredacteur, Matthijs van Nieuwkerk, of het geen goed idee was als ik Toon Hermans voor de krant zou spreken. Vond hij een goed idee.

Toon stemde toe, maar niet langer dan een uur. Het werden zes uur. We hadden het over alles wat in het theater van belang is; timing, hoe iets neer te zetten, details die veelzeggend zijn, hoe aandacht vast te houden, over durven. Ik kende niemand met wie ik daarover kon sparren. Met hem op volle kracht. Ik bewonderde veel in Toon, ook zijn eenvoud. Misschien is dat wel de essentie van theater, die eenvoud. Van Toon Hermans heb ik veel geleerd.’’

Heb jij die rol ook?

Youp wil nooit hoog van de toren blazen, hij denkt even na. ,,Claudia de Breij kwam vroeger bij me. Was ze een jaar of 16, 17. Ze stelde vragen waardoor ik dacht: dat komt wel goed. En Pieter Derks heeft een tijdje met me meegereisd.’’

En dan is het 2 januari. Wat dan?

Youp: ,,Dan ga ik een vrolijke show maken waarmee ik langs alle zalen ga waar ik ooit gespeeld heb, ook in België. En dan eindig ik in Carré op de dag dat ik 70 word. Een buiging en dan klaar. En daarna? Ik zie wel. Geen idee, daar kan ik vier jaar over nadenken. Maar ik neem afscheid, dat staat vast. Ik stop liever twee jaar te vroeg dan tien minuten te laat. Alsjeblieft geen druppelende kraan.’’

Ik hoop dat hij verhalen gaat schrijven. Zijn hoofd zit er vol mee. Hij vertelt ze graag, anekdotes, tragische geschiedenissen, absurde gebeurtenissen. Zolang we elkaar kennen heb ik er tientallen gehoord. Hij vertelt graag, weet precies hoe hij een verhaal op temperatuur moet brengen.

Maar eerst nog die vier jaar, de laatste ronde. Een vraag die je hem niet moet stellen, stel ik toch: hoe wil hij herinnerd worden?

Youp: ,,Ik weet het niet, ik weet ook niet of ik het wil weten. Ik geloof dat ik iets aan onze mentaliteit heb gedaan. Ik hoor mensen zeggen dat ze door mij anders zijn gaan denken. En wat ik al zei: ook zeggen mensen dat ze zich getroost voelen. Waarschijnlijk blijf ik in ieder geval het kereltje dat zo veel aandacht nodig had. En ik hoop: de cabaretier die bleef zeggen, tegen alle klippen op: zeur niet zo, zeik niet zo, lach alsjeblieft.’’

Je kunt deze onderwerpen volgen
Media
Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct