Ajax kan dit weekeinde voor de 35ste keer landskampioen worden. Schrijver/acteur Maarten Spanjer beleefde veel van de triomfen op zijn eigen wonderlijke wijze en bundelde z’n avonturen in een boek vol liefde voor ’t voetbal, mijlenver weg van Super League-graaier en andere romantiekverdrijvers: Toen godenzonen niet bestonden . Een gesprek over de knipoog van Cruijff, het stukgesneden shirt van Keizer en de toorn van Michels.

Bij hoge uitzondering werd hij gezien als deskundige van het voetbalspel en dientengevolge als analist uitgenodigd voor zo’n praatprogramma van Fox Sports, inmiddels ESPN. Ging best redelijk, totdat presentator Jan Joost van Gangelen hem achteloos vroeg: „Wat vind jij eigenlijk van Richard Lee?”

„Het zweet brak me uit. Richard Lee… Wie is in godsnaam Richard Lee? Acteren, dacht ik. Nú acteren! Een compleet clichéfestival gooide ik eruit. ‘Goed dat je ’t vraagt’, zei ik. ‘Jongen met mógelijkheden, maar hij moet nog wel wat stáppen maken. Je moet hem voorzichtig bréngen’. Naast me knikte collega-analist Kenneth Pérez (oud-speler van o.m. AZ, Ajax en PSV, red.) bevestigend. ‘Dat heeft Maarten goed gezien’, oordeelde de kenner. Zo’n moment van glorie moet je als eenvoudige voetballiefhebber uiteraard koesteren. Later werd me duidelijk dat Richard Lee een voornaam is. Riechedly Bazour, tegenwoordig vedette van Vitesse. Hij heeft geloof ik wel wat stáppen gemaakt.”

We zitten aan de stamtafel van zijn huis aan de rand van het Vondelpark in Amsterdam. Boven zijn hoofd bungelt een parachutist, het valscherm is blijven hangen aan het houten hekje dat woonkamer en kantoortje op één hoog scheidt. Een levensechte pop die gebruikt schijnt te zijn in de oorlogsfilm The Longest Day. Het bizarre tafereel wordt ernstig gadegeslagen door vier mannen op een legendarische foto uit 1967 van Paul Huf aan de muur van het kantoortje: de heren Cruijff, Keizer, Nuninga en Swart.

„Ik was hilarische voetbalverhalen uit mijn leven aan het optekenen, keek naar die plaat en wist: dat wordt de cover van het boek.” Vier fenomenen in een rood shirt zonder reclame, symbool van de eenvoud uit een tijd dat er nog een beetje normaal werd gedaan. Toen spelers nog niet deden alsof ze Jezus zelf waren als ze een bal in het doel hadden geschoten. Toen godenzonen niet bestonden.

„Ik wilde een bundeling van oude en nieuwe verhalen over pure liefde voor het voetbal. De romantiek is uit het wereldje verdwenen. En dat proberen ze dan te compenseren met sentimentele onzin, zoals het veld op lopen met een kindje aan je hand. En dan Ruud Gullit die reclame maakt voor energy socks… Dat is toch net alsof Beyoncé steunkousen staat aan te prijzen?”

Is voetbal nog leuk?

„Ja, sommige wedstrijden zijn fantastisch om naar te kijken, ik begin zelfs te wennen aan lege stadions. Maar aan die videoscheidsrechters wen ik nooit. Honderd keer op een beeldscherm naar hetzelfde turen… En dan staat iedereen zwijgend af te wachten. Het lijkt wel alsof er twee minuten stilte wordt gehouden voor de doden. Zo idioot. De uitbundigheid na een doelpunt… Volledig weg, want er moet worden gewacht op de VAR. Afschaffen die gekkigheid.”

Suppoosten zijn veiligheidsmedewerkers geworden.

„Ja, ook vreselijk. Zo’n mooie ouderwetse suppoost met een pet, die kon je nog omkopen met een verkreukeld briefje van 5. Nou ja, ik niet. Ik kwam ook wel voor niks binnen.’’

Je was als jochie wereldkampioen glippen.

„Kwestie van concentratie en routine. Speuren naar een groot gezin en dan net doen alsof je daar bij hoorde. Overdreven hard tegen een vader met vijf kinderen roepen: ‘Nou pap, ik weet niet of Ajax vanmiddag gaat winnen’. Dacht zo’n man: die spoort niet. Glipte ik mee naar binnen en werd het achterste kind tegengehouden, omdat de suppoost toch echt al vijf koters had geteld.”

Je rooie broer kon het niet.

„Ik had ’m uitgelegd hoe het moest en toen hij zenuwachtig bij zo’n gezinnetje stond, riep ik – al aan de andere kant van het hek – tegen de suppoost: ‘Meneer, die rooie heeft geen kaartje hoor’. Bij dat soort geintjes bleef het. Er was weleens een knokpartij op de tribune, maar altijd met oudere mannen, die te veel hadden gedronken. Dan wilde er nog weleens een flesje op iemands hoofd sneuvelen. Jonge mensen hoorde of zag je niet. Die genoten van het voetbal. Ik besef nu pas: Johan Cruijff heeft mijn jeugd kleur gegeven. Hij droeg bij aan mijn levensgeluk. Met eindeloos geduld gaf Johan me voor de zoveelste keer een handtekening. Mét een knipoog, waardoor ik stellig het gevoel had: wij hebben wel iets, samen. Door m’n hoofd gonsde: ik heb nog geen bal aangeraakt en nu al ziet Cruijff een groot talent in mij. Later werd me duidelijk dat hij die knipoog aan alle jongetjes gaf.”

Je hebt wel de grote Pelé een keer door de benen gespeeld.

„Ja, maar ook daaraan kleeft een zwarte kant. Het gebeurde in Amsterdam. Fietsend naar huis draaide ik in m’n hoofd het filmpje terug en besefte: de grote meester heeft met opzet z’n benen voor mij geopend. Laat ik zeggen: ik heb nooit de gelegenheid gekregen om in m’n voetbaldromen te gaan geloven.”

Kreeg je als ballenjongen van Ajax een hartstikke stoer trainingspak van de club, moest je het subiet weer inleveren, omdat je per ongeluk met een bal trainer Rinus Michels voor z’n kanis schoot.

Met de stem van Michels: „Kan dat ellendige klapkauwgumpje onmiddellijk van onze velden worden verwijderd…”

„Vond ik heel erg. Moest meteen dat trainingspak uittrekken. Ajax was niet een erg warme club, zal ik maar zeggen.”

Het was wel het begin van een wonderlijke relatie van Michels en jou.

„Ik heb – als imitator – een aardig centje aan de man verdiend, als je dat bedoelt. Speelde hem in het theaterstuk Abe, later in een tv-serie over Cruijff, deed reclamespotjes met zijn stem. Totdat Peijnenburg-koek zich meldde. Het bedrijf was zo netjes om Michels te bellen of hij het goed vond dat een acteur hem nadeed. ‘Dat is zeker die Maarten Spanjer weer’, zei de trainer. ‘Als er een roestig stuivertje mee is te verdienen, kan ik het beter zelf doen’. Daar ging m’n schnabbel. Mijn redelijk treffende imitatie van de man heeft Dick Advocaat nog bijna een baantje als assistent-bondscoach gekost. Michels belde hem en Dick dacht dat ik een geintje uithaalde. ‘Sodemieter op idioot, ik weet echt wel wie je bent’, kreeg Michels tot drie keer toe te horen. Toen hij z’n vrouw Will liet bellen, kwam het alsnog goed.”

Dit weekeinde wordt Ajax weer kampioen, maar de beleving van nu valt in niets te vergelijken met die van 1968.

„Even nog los van corona: zo’n titel wordt tegenwoordig zielloos gevierd. Afstandelijk. Men vernielt een paar lantaarnpalen, men laat een hoop rotzooi achter. De spelers zwaaien wat, de burgemeester wordt uitgefloten. Heeft niks te maken met de beleving die ik had in ’68. Ik dacht op het veld het shirt van Piet Keizer te bemachtigen. We stonden er met tien man aan te trekken. Ik leek te winnen, totdat mijn hand veranderde in een bloederige massa. Een jongen uit de buurt wilde met z’n mes een stukje van het shirt afsnijden. Hij miste het textiel, maar niet mijn duim. Werd een retourtje eerste hulp. De volgende dag kreeg ik van die jongen wel een fruitmand, aangeschaft bij een goedkope groenteboer. En een bebloed stuk van dat shirt. Het was niet eens een mouw. ‘Niet wassen’, zei hij. ‘Met bloed eraan is ’t meer waard’. Vond ik een rare tekst. Als ’t nou bloed van Piet was geweest.”

Nico Scheepmaker schreef: ‘Johan was de beste, maar Piet was beter’.

„Ja, prachtig. Maradona had ook zo’n onvergetelijke: ‘Een strafschop missen is als dansen met je zuster’. In m’n hart vond ik Cruijff een grotere voetballer, maar als je wilde laten blijken dat je een tamelijk intellectuele kijk op het spel had, dan moest je zeggen: Keizer is beter.”

Je ruilde Piet Keizer als held in voor Wim Suurbier, nadat je in het blad Sport & Sportwereld had gelezen dat de international Wim S. tijdens een sportlunch op het KNVB Centrum in Zeist de elftalbegeleider met z’n geslachtsdeel een lichte hersenschudding had geslagen.

„Dat bleek achteraf een tikkeltje overdreven, verzekerde Suurbier mij later. Het betrof een kale elftalbegeleider, dus er waren geen haren die de klap konden dempen, maar desondanks was volgens Wim geen sprake van een hersenschudding. Zelfs niet van een lichte.”

Je wilde een sportwagen en een Ajax-vrouw. Want Ajax-vrouwen waren katachtige wezens in bontjas met plakwimpers en rinkelende sieraden om pols en hals.

„Maja Suurbier… Meestal staken haar lange benen in knie- of lieslaarsen van zwart suède. Ajax-vrouwen wekten op z’n minst de indruk dat hun parfums uit de PC Hooftstraat kwamen, Feyenoord-vrouwen hadden een spuitbus die ze onder hun oksels leegspoten. Dat verschil zag je in mijn Amsterdams-gekleurde ogen ook tussen de verzorgers van beide clubs. Salo Muller van Ajax sprintte – na lessen van atleet Henk Visser – kaarsrecht, zonder een druppel te morsen uit zijn waterzak. Die kunst beheerste Gerard Meijer van Feyenoord niet.”

Jij beheerste vooral de kunst van de relativering, op tv als typetje Het Miskend Talent in Voetbal ’80.

„Daar ging een ander door regisseur Jan Mulder bedacht fenomeen aan vooraf: De Doodschop. Kwamen we voor in de rouwkamers van Van Vuure in Hilversum terecht, ik als slachtoffer van de doodschop. Lijk, met een labeltje aan m’n teen, niet echt m’n favoriete rol. Kwam ook gedonder van, dus bedachten we Het Miskend Talent, in een wit tenue met een lullig wit mutsje op, dolend door het bos en – heel actueel met die Super League-fiasco van nu – op de vlucht voor de commercie. Ik deed ’t niet van harte, vond ’t een nogal lullige rol, maar Jan Mulder vond het prachtig.”

Je promoveerde in hetzelfde programma wel mooi tot geleerde in de voetbalkunde: Drs. Vijfje.

„Ja, maar met zo’n onnozele halve zwart-wit geblokte bal op m’n kop. Vondst van – jawel – Mulder. Hij had ooit een schilderij gezien van een man wiens hoofd overging in een zwart-witte bal. Ik kreeg toch stellig het idee dat Jan z’n uiterste best deed om mij zo schlemielig mogelijk over te laten komen. Als uitvloeisel van de doctorandus werd ik Het Reserveballetje van de Lotto, met een getal op m’n hoofd. Doodongelukkig liep ik over de sportredactie van de NOS naar de studio en daar zat Mart Smeets, onderuitgezakt, benen op het bureau. Hij sprak de historische woorden: ‘O, mijn god, als NOS Sport zich nu ook al op het glibberige pad van de humor gaat begeven…’ En toen moest ik die studio nog in om m’n lollige act te doen.” Droeve blik: „Pijnlijk.”

loading

Titel Toen godenzonen niet bestonden

Auteur Maarten Spanjer

Uitgever Nieuw Amsterdam

Prijs 18 euro (160 blz.)

loading

Je kunt deze onderwerpen volgen
Boeken
Interview
Voetbal
Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct