Thomas de Quincey naar een schilderij van James Archer uit 1855.

Thomas de Quincey schreef jarenlang onder invloed van opium, het verhaal daarover maakte van hem een bekendheid

Thomas de Quincey naar een schilderij van James Archer uit 1855. Foto: National Portrait Gallery London

Thomas de Quincey was een dweper met schulden. Tot hij besloot zijn drugsgebruik te beschrijven. Zijn Bekentenissen van een Engelse opiumeter maakte hem beroemd en ongewild invloedrijk.

‘Wat ik nam, nam ik onder de slechtst denkbare omstandigheden. Maar ik nam het: – en na een uur, oh! lieve hemel! wat een ommekeer! Wat een eruptie uit de diepste diepten van het gemoed! wat een openbaring van de binnenwereld! Dat mijn pijn was verdwenen was in mijn ogen nog het minste: – dit negatieve effect werd verzwolgen door de onmetelijkheid van positieve effecten die mij waren onthuld – in het ravijn van hemels genot dat hier ineens openspleet.’

Thomas de Quincey (1785–1859) was negentien jaar toen hij bovenstaande ervaring opdeed. Dat gebeurde uit noodzaak. Hij zocht een oplossing voor zijn ‘ondraaglijke reumatische pijnen aan hoofd en aangezicht’ – vermoedelijk kiespijn. Een studiegenoot adviseerde opium. Waarop De Quincey naar een drogist ging en een opiumtinctuur kocht. Het hielp zo goed dat hij het ook daarna bleef toedienen. In slechte en goede tijden.

Zeventien jaar later schreef De Quincey een boek over zijn ervaringen met opium. Het betekende niet alleen het begin van een schrijversloopbaan die uiteindelijk zestien boekbanden zou opleveren. Het betekende ook internationale bekendheid. Zijn in 1821 gepubliceerde Bekentenissen van een Engelse opiumeter is nog altijd een sprankelend essay waarin op soms amusante dan weer aangrijpende toon helder wordt gemaakt hoe iemand verslaafd kan raken en wat hem dat brengt.

#

Toen De Quincey voor het eerst opium nam was het een algemeen aanvaard medicijn, een nuttige pijnstiller en kalmerend middel. Arm en rijk gebruikten het. Kinderen kregen het om zoet te blijven. Arbeiders namen het omdat het goedkoper en effectiever was dan alcohol. Nederlanders en Britten verdienden er miljoenen aan door het te verkopen aan Chinezen, die het vervolgens met een pijp rookten. Hongkong heeft haar aparte status aan de opiumhandel te danken.

De Quincey rookte geen opium., maar druppelde het in wijn. Hij was ook geen opiumeter, maar een drinker van een oplossing dat laudanum wordt genoemd. De hoeveelheden die hij nam waren uiteindelijk enorm, soms duizenden druppels per dag. Achterin Bekentenissen van een Engelse opiumeter zijn lijstjes opgenomen met pogingen om tot een dosering te komen die geen inzinkingen zouden opleveren. Dan nog ging het om tientallen druppels.

Opium veroorzaakt geen roes, schrijft De Quincey in zijn boek. Laudanum wel, dankzij de alcohol. ‘Het genot van wijn stijgt snel en bereikt een omslagpunt, waarna het terugloopt. Als het genot van opium begint te werken, blijft het zo’n acht à tien uur op hetzelfde peil. Van wijn verlies je je zelfbeheersing; opium versterkt die juist in hoge mate. Wijn benevelt en ondermijnt het oordeel. Opium schenkt sereniteit en evenwicht aan alle zintuigen.’

Dit soort beschrijvingen hebben ertoe geleid dat Bekentenissen van een Engelse opiumeter werd – en wordt – gezien als een pleidooi voor opiumgebruik. De Quincey staat zo uitvoerig stil bij de zegeningen en schrijft daar zo aansprekend over dat zijn boek gelezen kan worden als het verslag van een enthousiaste recreatieve gebruiker, iemand die niet uit medische noodzaak, maar uit genotzucht drugs tot zich neemt.

#

Uit de structuur van zijn boek blijkt dat het anders zit. De Quincey begint met een enorme aanloop getiteld Inleidende bekentenissen . Daarin vertelt hij over zijn achtergrond: de intelligente zoon van een vroeg overleden koopman die zijn studie niet weet af te ronden en daarna in permanente financiële problemen raakt die hem dwingen van zijn pen te leven. Wat hij niet vertelt is dat hij zo’n groot bewonderaar en naloper van de dichter William Wordsworth (1770 – 1850) is dat hij de praktische kant van het leven verwaarloost.

Het tweede deel van zijn boek, De vreugde van opium , telt nog geen twintig bladzijden en gaat vooral over de misvattingen over opium. Het beschrijft de positieve (bij)effecten van opiumgebruik ten opzichte van alcohol. Het weerspreekt de apathie en lusteloosheid. Volgens De Quincey werkt opium juist inspirerend. En: ‘Het verhevigt die bijzondere vorm van geestesarbeid waardoor wij uit de grondstof van organische geluid een fijnmazig intellectueel genot kunnen construeren’.

Met deze omhaal van woorden wordt een verband gelegd tussen drugs en muziekbeleving. Het idee dat sommige muziek beter klinkt met ‘iets op’ zou vooral in de jaren vijftig, zestig en zeventig van de vorige eeuw aanslaan – denk aan jazzmuzikanten met een heroïneverslaving en artiesten als Jimi Hendrix, Sly Stone en Pink Floyd. Het is niet toevallig dat Bekentenissen van een Engelse opiumeter eind jaren zestig door een nieuw publiek wordt ontdekt.

Deel drie en vier, Inleiding tot het verdriet van opium en Het afwinden van de vervloekte keten , gaan over de keerzijde. Die krijgt De Quincey pas goed in beeld als hij na 1813 van een gelegenheids-opiumeter in een verslaafde verandert. ‘In de zomer van dat jaar had mijn gezondheid lichamelijk en geestelijk een gevoelige knauw gehad als gevolg van een droeve gebeurtenis waarop ik niet verder hoef in te gaan.’ De gevoelige knauw is het overlijden van een dochter van Wordsworth.

Waar het zware gebruik eerst tot nog dromen leidt, krijgen die dromen later gezelschap van diepe angsten en peilloze droefenis. ‘Iedere avond leek het alsof ik niet figuurlijk maar letterlijk afdaalde in diepe kloven en afgrondelijke ravijnen, dieper dan de diepste diepten, waaruit ik het idee had nooit meer omhoog te klauteren. En eenmaal wakker had ik nooit de indruk dat ik ook echt opgeklauterd was’, schrijft hij.

De Quincey raakt besef van tijd en ruimte kwijt. Hij krijgt wanen en merkt dat gebeurtenissen uit het verleden opnieuw tot leven komen. ‘Ik ben er van overtuigd dat er voor het bewustzijn geen vergeten bestaat’, schrijft hij. ‘Duizend toevallige omstandigheden mogen een sluier hangen tussen ons huidige bewustzijn en het geheimschrift in de geest. Soortgelijke omstandigheden kunnen die sluier ook weer wegrukken. Maar gesluierd of ongesluierd – wat in de geest staat geschreven blijft daar staan.’

#

Het waarschuwende karakter van Bekentenissen bleek niet sterk genoeg. Integendeel, de onmiskenbare literaire kwaliteit van het boek nodigde volgens critici anderen uit vergelijkbare ervaringen te ondergaan. Of dat destijds daadwerkelijk gebeurde, is niet helemaal duidelijk. Samuel Taylor Coleridge, een tijdgenoot van De Quincey, was al een groot gebruiker. Diens onnavolgbare en daardoor baanbrekende gedicht Kubla Khan (A vision in a dream) zou onder invloed van laudanum zijn geschreven.

Vast staat dat De Quincey, als het om drugs en literaire arbeid gaat, altijd in een adem wordt genoemd met mensen als Prosper Mérimée, Arthur Rimbaud, Charles Baudelaire en Edgar Allen Poe, dichters en schrijvers die na De Quincey hun trips op papier wisten te krijgen. Zij gebruikten niet alleen opium om het rijk van de verbeelding te ontsluiten, maar ook hasjiesj, absint en andere narcotica en alcoholica.

De Quincey zelf heeft de invloed van zijn boek nooit willen overdrijven. Al ver voor zijn Bekentenissen werd er opium gedruppeld, op grote schaal, met grote gevolgen. Wat hij deed was het fenomeen beschrijven, en goed ook. Waar hij in Bekentenissen opium nog beschrijft als ‘held van het verhaal’ is hij daar in een later vervolg, Suspiria de profundis (1845), minder stellig over. Het is niet opium, maar de geest die verbeelding en dromen veroorzaakt en mogelijk maakt, concludeert hij.

Hoewel het einde van Bekentenissen van een Engelse opiumeter doet hopen dat De Quincey zijn verslaving na 1821 onder de knie kreeg, gebeurde in werkelijkheid het tegendeel. Hij zou tot aan zijn dood in 1859 in armoede in Edinburgh blijven gebruiken. Soms was dat heel veel, soms was het minder. Als hij geen opium gebruikte, schreef hij nauwelijks. En wat hij na Bekentenissen schreef had nauwelijks nog impact.

#

loading  

Titel: Bekentenissen van een Engelse opiumeter . Auteur: T homas de Quincey. Inleiding: A. Dunning. Vertaling: Robbert-Jan Henkes & Erik Bindervoet. Uitgeverij: Candide.

Met dank aan: Robert Morrison (robertjhmorrison.com), Maarten Doorman ( Het romantische bewustzijn ) en Frances Wilson ( Guilty Thing: A Life of Thomas De Quincey ).

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 4,99 per maand. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct