Jan Keman in militair galatenue en zijn Joodse vrouw Jettie Kan op een familiebruiloft op 30 maart 1940 een paar weken voordat Nederland werd gemobiliseerd en Keman in actie moest bij de Grebbeberg.

18 april 1945: Wat oom Jan nooit vertelde

Jan Keman in militair galatenue en zijn Joodse vrouw Jettie Kan op een familiebruiloft op 30 maart 1940 een paar weken voordat Nederland werd gemobiliseerd en Keman in actie moest bij de Grebbeberg.

Op woensdag 18 april 1945 werd Makkum bevrijd, als laatste plaats op het Friese platteland. Hans Keman ging op zoek naar zijn peetoom Jan en diens rol in het Makkumer verzet. Nu is er een boek. En een afgelaste herdenkingsrede.

Oom Jan, dat was die mysterieuze man die langskwam op verjaardagen. De oudere broer van pa die nooit over vroeger wilde praten. De peet-oom die moppen ging tappen als het te serieus werd. ,,Alles weglachen”, zegt Hans Keman, emeritus professor aan de VU Amsterdam en woonachtig in Oudemirdum. Hij kon zijn neef overrompelen met onverwachte vragen en verrassende opmerkingen. ,,Moed bestaat niet, doodsangst wel”, was er zo eentje. Of: ,,Angst is pissen in je broek”.

Eigenlijk wist Hans Keman (71) tot voor kort amper iets van het verleden van zijn peetoom. Goed, hij was reserve-officier en kapitein en had gevochten bij de Grebbeberg. Dat was duidelijk, zijn uniform hing in een kast. ,,Dat mochten we als kinderen wel eens aantrekken.” Maar erover praten, dat gebeurde niet. ,,Er is never nooit niet iets over gezegd.”

Georganiseerd verzet

Toen Hans Keman in 2000 naar Friesland verhuisde sloeg een golfmaat aan op zijn achternaam. Jan Keman die in de oorlog een leidende rol had vervuld bij het verzet in Makkum – was dat familie? Hans had geen idee. Voor zover hij wist woonde oom Jan in Amsterdam en later in Zandvoort. Familie om navraag bij te doen was er niet, dus ging de historicus zelf spitten.

Zo ontdekte hij dat tijdens de bezettingsjaren in Makkum een trio verantwoordelijk was voor het georganiseerde verzet. De gebroeders Aart en Tijmen van den Berg, die een conservenfabriek runden waar vele onderduikers zaten, en zijn peetoom Jan Keman.

Jan Keman (1905-1987) was voor de oorlog reclame-ontwerper in Amsterdam. Eerst bij de Hema, later bij de Bijenkorf. Daar ontmoette hij zijn latere vrouw Jettie Kan, een joods meisje. In die tijd was hij ook actief als reserve-officier bij het leger.

Op 28 augustus 1939 werd de algemene mobilisatie van het Nederlandse leger afgekondigd. Oom Jan vocht in mei 1940 bij de Grebbeberg. Hans Keman denkt dat zijn oom donders goed zag wat er stond te gebeuren. ,,Het zal hem zeker niet ontgaan zijn wat er in Duitsland en in Polen gebeurde met de Joden. Vergeet niet dat hij een Joodse echtgenote had en werkte bij een Joods bedrijf.”

Administrateur

Na de capitulatie werden alle officieren voor de keuze gesteld: een Loyaliteitsverklaring onderschrijven of als krijgsgevangene naar Duitsland. Keman: ,,Hij heeft zich in de wanorde van het terugtrekkende leger na de capitulatie op 15 mei meteen aan gevangenneming onttrokken en is later met zijn Joodse vrouw uit Amsterdam naar Friesland vertrokken.”

Daar werd hij administrateur bij de visconservenfabriek van Aart en Tijmen van den Berg. De Van den Bergs waren handige jongens. Ze wisten tot de Sicherheitsdienst van Sneek en Leeuwarden door te dringen en kregen opgepakte verzetsmensen vrij in ruil voor gerookte paling en drank. Jan (schuilnaam Engelbert) werd sectiecommandant van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (NBS) en hoofd van de voedselvoorziening aan onderduikers.

In de laatste oorlogsmaanden was de Makkumer groep belangrijk voor de NBS. Eerst al door de Wons-stelling die de Afsluitdijk beheerste. Hierlangs trokken de Duitse troepen naar Holland als de geallieerden hun opmars zouden maken. Het gebied was zeer geschikt voor wapendroppings. Bovendien hadden de Makkumers een radiozender waarmee werd gecommuniceerd met Londen.

Een dikke week voor de bevrijding ging het vreselijk mis. Op 7 april 1945 hield de bezetter een razzia in een poging het verzet in Makkum op te rollen. Verraders waren geïnfiltreerd bij Keman en zijn groep. De kopstukken van het verzet en de zender werden niet gevonden, zes mannen werden opgepakt en zonder vorm van proces gefusilleerd.

Keman bleef onder water tot Makkum op 18 april als laatste plaats op het Friese vasteland werd bevrijd door de Canadezen. Woest van woede spoorde hij, met politieman Cornelis van Wijk, de verraders op en bracht ze voor het gerecht. Krantenberichten melden dat hoofdgetuige Keman zo ongelooflijk kwaad werd tijdens de zitting dat hij tot rust moest worden gemaand. ,,Driftkikkers, dat zijn we allemaal in de familie”, zegt zijn neef. ,,Dat hij het verraad niet had kunnen voorkomen. Daar had hij last van.”

Jan Keman sprak in de rechtszaal en zweeg daarna over alles wat er was gebeurd. Als zijn neef naar zijn diensttijd vroeg, kreeg hij ontwijkende antwoorden. ,,Dan zei hij dat betoonde moed en vermeende dapperheid meer op doodsangst, gebrek aan ervaring, domheid en onbezonnenheid berusten.”

Geknakt

Zijn peetoom was geknakt door de periode. Na de oorlog scheidde hij van Jettie, verloor zich in werk en drank en begroef de sores in zijn hoofd. ,,Als het serieus werd, lachte hij het weg. Trok een façade op. Die strijd, dat is triest.”

Sinds Keman weet wie zijn oom was, bezoekt hij steevast de dodenherdenking in Makkum. Dit jaar zou hij een rede houden over hem en het boek dat hij over hem heeft geschreven. De herdenking is afgelast, maar uiteindelijk is verteld wat zijn oom Jan niet kon.

menu