Johan de Haan, de hoofdconservator van Paleis Het Loo in Apeldoorn en bijzonder hoogleraar toegepaste kunst en kunstnijverheid aan de Radboud Universiteit: ,,Een fascinatie voor het verleden heb ik altijd wel gehad.''

Paleis-conservator Johan de Haan is een man van de binnenkant

Johan de Haan, de hoofdconservator van Paleis Het Loo in Apeldoorn en bijzonder hoogleraar toegepaste kunst en kunstnijverheid aan de Radboud Universiteit: ,,Een fascinatie voor het verleden heb ik altijd wel gehad.'' Foto: Ruben Meijerink

Vaak gaat monumentenzorg niet verder dan de gevel. Interieurkenner Johan de Haan waakt juist over de binnenkant. Tegen vernieuwen is hij niet, maar als het in een klassieke woning een beetje tocht trek je maar een trui aan, vindt hij.

A ls het gaat om oude interieurs in Groningen en Friesland is er geen grotere expert te vinden dan Johan de Haan, de hoofdconservator van Paleis Het Loo in Apeldoorn en bijzonder hoogleraar toegepaste kunst en kunstnijverheid aan de Radboud Universiteit.

Zou dat verband hebben met zijn geboorteplaats, vraag je je af. Beetsterzwaag is een sjiek dorp immers, waarvan het aanzicht voor een groot deel door de monumentale panden wordt bepaald die adellijke families er in voorgaande eeuwen neerzetten? Met de bijbehorende tuinen, en klassieke interieurs? Drukt zoiets een stempel op jongens als de kleine Johan?

Een verleidelijke gedachte, maar te simpel. Niet ieder kind uit Beetsterzwaag wordt hoogleraar toegepaste kunst. De Haan vertelt dat hij de grote oude huizen van Beetsterzwaag als kind wel interessant vond, met de verhalen van adellijke bewoners. Hij noemt freule Cornelia van Lyndendie zich ontfermde over zieke kinderen uit arme gezinnen en jong stierf aan tuberculose. Lyndenstein in Beetsterzwaag werd na haar dood een kinderziekenhuis en ondergebracht in een stichting die naar haar genoemd was.

„Een fascinatie voor het verleden heb ik altijd wel gehad. Ik weet dat we een keer met zijn allen naar camping Hellendoorn zijn geweest en we naar kasteel Twickel zouden. Ik was 6 of 7, ik kende het niet en ik stelde me er van alles bij voor. En toen mochten we het kasteel niet in. Dat was voor mij de domper van de hele vakantie. Misschien kreeg ik dat ook mee van mijn vader, die geïnteresseerd is in geschiedenis.”

Een feest

Zijn vader werkte bij de Amrobank, Johan was de oudste van drie broers, en toen hij 9 was verhuisde het gezin naar Bolsward. Van een monumentaal dorp naar een monumentale stad die de liefde van De Haan voor oude gebouwen aanwakkerde, in de tijd dat de Open Monumentendag ontstond en in Friesland het fenomeen Monument van de Maand.

Het gezin was hervormd. De Haan is dat niet meer maar „ik snap het collectieve gevoel wel”, zegt hij, en bovendien loopt hij graag kerken binnen. De Martinikerk in Bolsward vond hij als opgroeiende jongen „een feest, met die preekstoel, dat orgel, de ruimte.”

Op zijn achttiende ging hij naar Groningen. „Mijn man komt van de Veluwe en waar ik lyrisch wordt van de eindeloze kleivlakten, heeft hij dat met het heuvelgebied.”

Het idee voor dit verhaal was: we gaan door de tuinen slenteren van Paleis Het Loo en al slenterend spreken. Over dat paleis, over de waarde van oude interieurs.

Pijpenstelen

Op de dag van ons bezoek regende het pijpenstelen. De tuinen waren nog kaal en leeg, een deel van de beelden stond in de berging, de fonteinen waren uit. Bovendien zijn de tuinen lange tijd dicht geweest, vanwege covid-19.

Afgelopen maandag zijn ze weer geopend voor publiek, net als heel veel musea en theaters. Paleis Het Loo zelf gaat volgend jaar pas open, dat wordt grondig aangepakt.

Daarom was het gesprek binnen, in het gebouw waar vroeger de stallen waren, en waar de staf zit tijdens de grondige renovatie van Het Loo. De Haan is een enthousiast verteller en raakt niet snel uitgesproken over oude interieurs en kunstnijverheid, over de balans tussen het behoud van het oude in gebouwen en praktisch gebruik. Hij zegt citeerbare dingen als „armoede is de beste conservator” – met andere woorden: wie niet veel geld heeft en een monument koopt laat vaak meer intact dan wie geld genoeg heeft om het interieur rigoureus aan te laten passen aan hedendaagse eisen.

De Haan vertrok naar Groningen om Romaanse talen (Frans, Italiaans, Spaans) te studeren. Daar dreef hij richting kunstgeschiedenis, en studeerde af op een kunsthistorisch onderwerp. Maar eerst liep hij stage bij veilinghuis Christie’s, in de vestiging in Parijs.

Daar werkte onder andere een expert in Franse meubelstijlen, die hem vroeg: „Wat wil je worden?” „Zoiets als u”, antwoordde De Haan. Daar lopen er al heel veel van rond, waarschuwde de specialist. „Wat weet je eigenlijk van de interieurs uit het gebied waar je vandaan komt?”

„Een goede vraag”, zegt De Haan nu. „Alles wat je over dat onderwerp in Nederland kon lezen, ging alleen over Holland. Hollandse interieurs, Hollandse ontwikkelingen.”

Interieurspecialist

Een jaar na zijn terugkeer in Groningen kreeg hij de kans om onderzoek te doen naar Groninger interieurs en meubels uit de zeventiende en achttiende eeuw, onderzoek waarop hij in 2005 promoveerde en wat het boek Hier ziet men uit paleizen opleverde. Hij stelde vast dat het beeld van Groningen als achterlopend op het gebied van inrichting, helemaal niet klopt. Ook in de zeventiende en achttiende eeuw waren de bewoners van stad en ommeland goed op de hoogte van wat er in de mode was, en als ze het niet konden krijgen, dan lieten ze het maken.

Hij is nu betrokken bij een soortgelijk onderzoek van de Stichting Interieurs in Fryslân, naar bijzondere elementen in Friese huizen en boerderijen, gemeente voor gemeente. Bedsteewanden, stucplafonds, schilderwerk, schouwen, betegelde kelders. Het onderzoek, inmiddels tot aan Leeuwarden gevorderd, ligt nu tijdelijk stil door de coronacrisis.

Het resultaat wordt voorgelegd aan een beoordelingscommissie, waar De Haan in zit. Dat zal uiteindelijk uitmonden in een een enorm overzicht en een boek. „Een publieksboek met voetnoten”, zoals De Haan het noemt, want een breed publiek moet ervan horen, niet alleen historici en liefhebbers. „Zodat gewone lezers zeggen: ‘Dat is ook interessant’.”

„Een interieur is onderdeel van een gebouw, net als de architectuur en de indeling van de ruimte”, doceert De Haan. Een les waar hij maar op blijft hameren, omdat monumentenzorg zich vaak nog nadrukkelijk op gevels richt. Die ziet iedereen, tenslotte. Binnen kan er rigoureus verbouwd worden. „Dan is aan de buitenkant aandacht gegeven aan alle details en binnen alles strak en hetzelfde”, zegt hij. „Inwisselbare interieurs.”

Rugklachten

Zou in zijn ogen alles dan bij het oude moeten blijven? Dat is een ingewikkelde vraag. „Omwille van comfort wordt zomaar iets weggedaan.” Zo deed hij onderzoek, vijf jaar geleden, naar het Harlinger stadhuis uit 1730, als voorbereiding voor een interne opknapbeurt. Daar kwamen de zetels van de raadsleden aan de orde, uit de achttiende eeuw. Opnieuw bekleden? Maar de raadsleden wilden wel eens prettiger zitten. Uiteindelijk won het oude: de stoelen staan er, gerenoveerd en donkerrood bekleed, nog steeds.

„Je moet die meubels natuurlijk niet overboord gooien. Zeker niet als generaties voor je daar ook op gezeten hebben zonder rugklachten. Het is als de tocht hier in het stalgebouw van Het Loo. Dat heb je in oude huizen, dan doe je maar een trui aan. Het is niet dat ik zeg dat iets niet nieuw mag zijn, ik ben niet van alles moet blijven zoals het is, maar voor een combinatie van beide. Het ging om de complete raadszaal, niet alleen om de stoelen. Maar je moet zulke zaken niet overlaten aan de waan van de dag, omwille van ons comfort wordt soms zomaar iets weggedaan, dat gaat wel eens te snel. Kijk eens beter, misschien kun je er nog iets mee.”

Hoe woont hij zelf eigenlijk? „In een nieuw huis in Ede, van 2018”, grinnikt hij. „Maar we hebben wel een heel mooi achttiende-eeuws kabinet en een negentiende-eeuwse Franse kroonluchter. En moderne meubels. Ik ben geen stijlpurist.”

Uiteindelijk lopen we toch even door de tuin van Het Loo. Het motregent, het ruikt naar bos, niks bloeit nog. Opvallend zijn vier grote beelden van Daniel Libeskind: harde, bonte vormen die sterk afsteken tegen de glooiende tuinvormen.

Boven het Loo zelf steken hoge kranen uit, want het wordt ingrijpend aangepast. De Haan is een van de mensen die daar het toezicht op houdt. Meer toiletten, andere entree, winkel, andere routes, meer ruimte voor tijdelijke tentoonstellingen.

William en Mary

„De keuze voor hoe we het nu maken is eigenlijk in 1984 al gemaakt, toen dit een museum werd. Toen is besloten om het terug te brengen in de zeventiende-eeuwse staat, met een deel van de ruimtes binnen.”

Tot nu toe is onder de pet gehouden hoe het museum volgend jaar, als het open gaat, ingedeeld is, maar De Haan wil het hier wel vertellen. Er komen twee routes voor het publiek. Een is gewijd aan William en Mary, het koningspaar van Engeland, Ierland en Schotland, oftewel stadhouder Willem III en zijn vrouw, Mary Stuart, die het in de zeventiende eeuw lieten bouwen als zomerverblijf.

De andere laat zien hoe de Oranjes hier hebben gewoond in de negentiende en twintigste eeuw, van Willem I tot zijn achterkleindochter Wilhelmina. „Van het Nederlands vorstenhuis gaan we de leuke kant en de minder leuke laten zien”, belooft de conservator. „Dat wordt echt iets heel anders dan wat het was.”

Vijf favorieten (en nog een)

Wat zijn de persoonlijke favorieten van interieurkenner Johan de Haan in het Noorden? Hij zette er vijf op een rijtje en sluit meteen niet uit dat hij er een paar is vergeten.

De voormalige raadszaal van het Leeuwarder stadhuis (1760). „Subliem, met die kroonluchter erin.”

Planetarium, Franeker (1774-1781). „Ik móet het Planetarium noemen. Dat ook leuk is omdat de woonkamer een woonkamer is gebleven - die is zo goed bewaard omdat het Planetarium er is.”

Grote zaal, Harstastate, Hogebeintum (1843). „Die is echt heel mooi, de zaal heeft dezelfde sfeer als Huize Voormeer (1755) in Heerenveen , ook zo’n rococozaaltje, eigenlijk heel eenvoudig met mooi stucwerk.”

De hal van de dokterswoning in Stiens (1838): „Die is met zoveel liefde gerestaureerd.”

En het allermooist?

Versailles . Daar wil ik eens per jaar naartoe, vanwege de verhalen, het leven aan het hof. Daar voel je je echt een onderdeel van de geschiedenis.”

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct