Nu een hele generatie museumconservatoren met pensioen gaat, waait er een frisse wind door museumland. Ook in het Fries Verzetsmuseum, Groninger Museum en het Drents Museum. Drie nieuwe aanwinsten vertellen.

Marre Faber-Sloots (31)

Marre Faber-Sloots (31) ging een jaar geleden aan de slag als conservator van het Fries Verzetsmuseum.

„Oudere generaties zijn vaak bang dat de verhalen over de oorlog in de vergetelheid raken. Zelf maak ik me daar niet zo’n zorgen over. Sterker nog, misschien is de interesse in de Tweede Wereldoorlog wel groter dan ooit. In september 2019 was ik bij de 75ste herdenking van operatie Market Garden. Je wilt niet weten hoe druk het daar was! Duizenden mensen kwamen eropaf, vaak met kinderen en kleinkinderen. Dat gaf me veel vertrouwen: de oorlog leeft nog volop.

loading

Mijn eigen interesse in de Tweede Wereldoorlog ontstond in mijn tienertijd. Mijn vader is amateurarcheoloog en nam me vaak mee naar musea, ook over de oorlog. Toen ik na de middelbare school geschiedenis ging studeren, heb ik me als vrijwilliger bij het Verzetsmuseum gemeld.

Ik vond het fantastisch om het archief door te spitten om documenten, foto’s en andere stukken te indexeren. Geen doorsneehobby voor een 18-jarige, maar het gaf me zo’n kick om de geschiedenis letterlijk vast te kunnen houden. Ik weet nog goed dat ik de originele afscheidsbrief van verzetsstrijder Folkert Bergsma in handen kreeg, die hij schreef, twee dagen voor de Duitsers hem in februari 1944 fusilleerden. Zijn woorden maakte diepe indruk, ook omdat Bergsma op dat moment amper ouder was dan ik. Hier wil ik mijn werk van maken, dacht ik.

Museumbanen liggen echter niet voor het oprapen. Vandaar dat ik naast geschiedenis ook journalistiek ging studeren. Via een stage belandde ik eerst bij Omrop Fryslân en daarna bij het Fries historisch en letterkundig centrum Tresoar. Geweldige werkplekken, maar toen de vacature bij het Verzetsmuseum eind 2019 voorbijkwam, hoefde ik niet lang na te denken. Ik kan soms nog steeds niet geloven dat de baan waar ik twaalf jaar geleden over droomde, nu werkelijkheid is.

Bij het Fries Museum werken meer conservatoren van mijn leeftijd. Dat kan, omdat het — net als het Groninger en het Drents Museum — een grote, professionele organisatie is. Veel kleinere musea draaien vooral op vrijwilligers. Dat zijn vaak gepensioneerden, omdat die geen geld meer hoeven te verdienen. Het gebrek aan cultuurbudget belemmert dus verjonging op die plekken. Jammer, want volgens mij zijn er genoeg jongeren met museale interesses.

Ik print nooit iets uit en werk vaak op drie, vier schermen tegelijk. Misschien dat ik daarin verschil van mijn oudere collega’s. Sowieso ben ik al jaren bezig met het thema digitalisering. Nu ook bij het Verzetsmuseum. Bijvoorbeeld door de verhalen uit onze prachtige collectie te ontsluiten via de website oorlogsbronnen.nl . Zodat ze toegankelijk worden voor zoveel mogelijk onderzoekers en andere geïnteresseerden. Onze collectie is er immers niet voor de medewerkers, maar voor iedereen.

Tegelijkertijd kan een museum nooit zonder tastbare spullen. ‘Kinderen hebben daar toch geen interesse in’, hoor ik regelmatig. Want ja, die zitten immers de hele dag aan hun schermen geplakt. Maar juist daarom spreken analoge objecten extra tot hun verbeelding. Zeker als je daarmee een link weet te leggen naar leeftijdsgenoten in de oorlog. Want uiteindelijk draait geschiedenis niet om dingen, maar om de persoonlijke verhalen erachter.”

Nadia Abdelkaui (28)

Op 1 februari begon Nadia Abdelkaui (28) in het Groninger Museum. Ze is daar conservator Kunst in Groningen van 1850 tot heden.

„Met mijn oud-studiegenoten heb ik een app-groep. Daarin hebben we het veel over de vraag: wiens verhalen vertellen we eigenlijk in onze musea? Vanuit welk perspectief? Welke boodschap geven we daarmee af? Herkennen vrouwen zich voldoende in wat we laten zien? En minderheden? Ik denk dat die brede, kritische blik kenmerkend is voor onze generatie.

loading

Groningen en de Groningse kunst zijn voor mij nieuw, maar sinds mijn studie ben ik al wel gefascineerd door de vorige eeuwwisseling. Het was een tijd waarin er zoveel veranderde. En die bovendien de basis legde voor hoe we nu leven. Gevoelsmatig lang geleden, maar tegelijk heel dichtbij — de ouders van mijn opa’s en oma’s leefden toen. Het maakt dat ik me sterk verbonden voel met die periode.

Als conservator wil ik graag het grote verhaal van deze tijd vertellen. Niet alleen een object laten zien, maar dat in zijn context plaatsen. Neem kunstkring De Ploeg , waar ik me onder andere mee bezighoud. Behalve schilders waren daar bijvoorbeeld ook meubelmakers, dichters en muzikanten bij aangesloten.

Vanaf de oprichting in 1918 stond De Ploeg symbool voor een tijdgeest, voor een veranderende maatschappij. Het was zeker niet alleen een regionale aangelegenheid; de leden hadden ook tal van internationale contacten. Ik verheug me erop die geschiedenis te kunnen delen. Te beginnen met een tentoonstelling over kunstenaar Alida Pott, een van de weinige vrouwen binnen De Ploeg , maar wel een drijvende kracht. Een mooi voorbeeld van een onderbelicht perspectief dat ik graag wil laten zien.

Conservator was trouwens niet een beroep waar ik als kind van droomde. Sterker nog, ik wilde eigenlijk arts worden. Toen ik werd uitgeloot voor de studie geneeskunde, ging ik psychobiologie studeren. Voor de lol volgde ik ook wat colleges kunstgeschiedenis. Eigenlijk is dit veel leuker, dacht ik. En nu ben ik hier. Het fijne aan dit vak vind ik dat ik mijn wetenschappelijke passie voor kunst op een praktische manier kan delen met het grote publiek.

Ik wil zoveel mogelijk mensen bereiken. Zelf ben ik opgegroeid in een volksbuurt in Utrecht. Daar ging niemand naar een museum. Zonde! Daarom vind ik het fantastisch dat het Groninger Museum veel aandacht aan educatie besteedt. We hebben zelfs een outreach -medewerker, die de wijken ingaat. Op die manier verlagen we de drempel en laten we zien dat kunst voor iedereen is.

Dat ik geen link met Groningen had, speelde bij mijn sollicitatie geen rol. Sterker nog, ik denk dat het juist een kracht kan zijn dat ik van buiten kom. Ik benader het museum en de collectie immers met een frisse blik. Dat ik voor deze baan vanuit Amsterdam naar het noorden moest verhuizen, had ik er graag voor over.

Ik woon hier nu vier weken. Mijn eerste indrukken? Heerlijk dat de natuur zo dichtbij is! Ik heb al een rondje rond het Paterswoldsemeer gefietst. Natuurlijk is het lastig om middenin coronatijd te beginnen. Mijn werkafspraken doe ik wandelend, met take-away-koffie. Maar zo leer ik wel meteen de stad kennen.”

Floor Huisman (32)

Floor Huisman (32) is sinds oktober 2020 één van de twee conservatoren archeologie in het Drents Museum.

„Van de vijf conservatoren in ons museum zijn er vier in de 20 of 30. Ik ben hier dus zeker geen uitzondering. Eerder werkte ik wel met oudere conservatoren samen. Dat was nooit een probleem — het is juist fijn om te leren van ervaren collega’s. Ik heb bijvoorbeeld nog steeds contact met mijn voorganger hier, Wijnand van der Sanden, die vorig jaar met pensioen is gegaan. Maar het is vast zo dat jonge mensen anders naar het vak kijken.

loading

Ik herken veel in wat Nadia zegt. Ook bij het Drents Museum zijn we erg bezig om onze maatschappelijke rol als museum opnieuw uit te vinden, en andere groepen aan te spreken. De kernvraag is: hoe maken we onze collectie relevant in het hier en nu? En ja, dat kan heel goed met items die duizenden jaren oud zijn. Bijvoorbeeld door te laten zien hoe mensen vroeger met klimaatverandering omgingen, of hun identiteit uitdroegen. Met zulke actuele thema’s verbinden we mensen uit het verleden met die in het heden.

Een conservator maakt tentoonstellingen, denken mensen vaak. We doen echter veel meer. De collectie op een goede manier presenteren, bewaren en uitbreiden. Er onderzoek naar doen en erover schrijven. En rondleidingen en lezingen geven, bijvoorbeeld. Overigens zijn de tentoonstellingen natuurlijk wel een heel belangrijk onderdeel van ons werk.

Momenteel zijn we bezig met het opzetten van een nieuwe presentatie van onze eigen collectie. Veel mensen weten niet dat we echte archeologische topstukken in het Drents Museum hebben. De kano van Pesse bijvoorbeeld, de oudste boot van de wereld. En onnoemelijk veel belangrijke veenvondsten, waaronder internationaal de grootste collectie veenlijken.

Zelf ben ik min of meer bij toeval in dit vak gerold. Op de middelbare school had ik als profiel Natuur & Gezondheid. Na mijn examen deed ik een jaar een taalcursus in Engeland. Het beviel me daar zo goed, dat ik bleef om Klassieke Geschiedenis en Archeologie te studeren. Ik weet nog dat ik een keer een vuistbijl vasthad, gemaakt door een Neanderthaler. Voor even voelde ik me direct met hem — of haar — verbonden. Heel bijzonder.

Een van de leukste dingen van dit werk vind ik het contact met het publiek. Als ik bijvoorbeeld presentaties of rondleidingen geef, word ik vaak verrast door vragen. Bezoekers kijken heel anders dan ik, met mijn professionele oog. Daar leer ik elke keer weer van. Ik zou het publiek ook graag meer bij ons onderzoek betrekken. Neem vuurstenen. Daarvan hebben we er in ons museum flink wat. Het zou geweldig zijn als bijvoorbeeld amateurarcheologen hun vaak grote kennis over zo’n onderwerp met ons zouden willen delen.

In totaal hebben we bijna 15.000 archeologische objecten in onze collectie, elk met een eigen verhaal. Onlangs kreeg ik van een leerspecialist bijvoorbeeld een vraag over een prachtige leren buidel, waarin de muntschat van Roswinkel werd gevonden. Na meer dan duizend jaar in het Drentse veen te zijn bewaard, is de kwaliteit daarvan nog uitzonderlijk goed. Als ik zoiets in handen heb, word ik helemaal blij. Met zoveel bijzondere spullen raak ik nooit uitverteld.”

Je kunt deze onderwerpen volgen
Cultuur
Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct