Annemarie Haverkamp, winnaar van de Antwon Wachterprijs voor het beste literaire debuut van de afgelopen twee jaar, schreef exclusief voor deze krant een bijzonder kerstverhaal dat we vandaag publiceren in cultuurbijlage Freed. In Een vriend voor Freek geeft de schrijfster een lieve, zachte ziel een luide stem. Ze werpt het licht op een speciale jongen, een uitzondering op de regel. Om in stilte zelf te lezen of aan de kersttafel voor te dragen: 'Maakt u ook vrienden?', vroeg Freek.

Een kerstverhaal over een lieve kleine grote jongen, een uitzonderlijk mens.

Binnen rook het naar leer en zweetvoeten. Er was verder niemand in de winkel. Het belletje van de deur galmde na in zijn hoofd. Toen het stil werd, deed hij de winkeldeur nog eens open en dicht. En nog een keer. En nog een keer.

Vanuit een achterkamertje slofte een man naar de toonbank. ‘Ja ja’, klonk er. De man droeg een schort, net als Freeks moeder thuis in de keuken. Soms bakte ze een taart. Zomaar op een woensdagmiddag terwijl er helemaal niemand jarig was.

„Maakt u ook vrienden?”, vroeg Freek.

De man trok zijn grijze wenkbrauwen op.

„Ik maak alleen schoenen.”

„Niks anders?”

„Sleutels, soms.”

Freek dacht na. Je kon er deuren mee openmaken, verder had je er niet zoveel aan, sleutels. Een beetje van zijn stuk gebracht keek hij naar zijn schoenen.

De man zei dat hij erg druk was en graag verder wilde met een paar oude laarzen dat moest worden opgelapt. Freek bleef staan, tot de winkelier duidelijk maakte dat hij beter kon vertrekken.

Toen Freek zich omdraaide naar de deur, hing de man over de balie. „Zeg tegen je moeder dat ze die schoenen eens hier brengt”, zei hij. „De zool van de linker is helemaal afgesleten.”

Buiten tilde Freek zijn voeten extra goed op. Niet slepen, zei mama altijd. Stappen – als een paard!

Hij keek naar de grote verlichte bollen die aan onzichtbare lijnen boven de winkelstraat dansten, het leken net planeten.

D oor de geur van oliebollen versnelde hij zijn pas. Bij de kraam ging hij netjes in de rij staan. De meisjes voor hem droegen papieren tassen aan hun arm. Hij zag wel dat ze elkaar aanstootten en begonnen te giechelen, maar hij negeerde ze, zoals hij gewend was te doen.

Freek moest denken aan de woorden van zijn broertje, eerder die dag: „Mijn vrienden vinden hem raar , mama.’ Alex had het niet tegen Freek gezegd, maar Freek had het wel gehoord. Dwars door de muur heen. Mama had in de andere kamer geantwoord dat Alex niet zulke gemene dingen mocht zeggen, Freek was nu eenmaal anders . Zijn broertje klonk boos. Want Freek had de hut van de jongens kapot gemaakt. En Freek was er altijd maar bij . En Freek moest nu zelf maar eens vrienden gaan maken.

Daarop was Freek zachtjes de trap af geslopen en weggegaan.

De juffrouw van de oliebollenkraam zei dat hij het mocht zeggen. Freek begon te stotteren. „Ik wil… alleen iets vragen.”

Ze zette haar handen in haar zij.

„Zo, een vraag?”

Hij durfde haar niet aan te kijken, ze stond zo hoog en van de zoete lucht werd hij duizelig.

„Maakt u ook vrienden?”

„Vrienden? Mijn man maakt oliebollen met en zonder rozijnen. Appelbeignets, wafels. Waar heb je zin in?”

Hij zei dat hij geen honger had. Het enige wat hij zocht, waren vrienden. Dat laatste mompelde hij.

Ze haalde haar schouders op. „Als je vrienden bedoelt van vlees en bloed, dan kan ik je niet helpen.” En ze keek alweer naar de volgende in de rij.

Freek liep door naar de slager. Binnen klonk Jingle Bells , in de vitrine lagen rollades zo dik dat ze bijna uit hun netje barstten. Freek dacht aan zijn oma in haar jurk met ceintuur en moest lachen. Naast de rollades lagen grote hompen rode biefstuk, hier was hij vast en zeker aan het goede adres.

„Ik had graag twee vrienden van vlees en bloed”, zei hij fier tegen het winkelmeisje.

Aanvankelijk zweeg ze. Toen vroeg ze of hij zijn bestelling kon herhalen. Tot slot duwde ze een klapdeur open en riep heel hard naar achteren: „Mam!”

De vrouw herkende hem. „Ben je alleen, Freek?” Ze sneed een plakje worst af en duwde dat in zijn hand. Daarna loodste ze hem naar de uitgang. Hij tilde zijn slechte been eerst over de drempel terwijl zij zei: „Vrienden kun je niet maken, die komen vanzelf.”

Hij ging op een bankje aan de rivier zitten. Schepen gleden voorbij. Sommige hadden kerstverlichting op het dek. Hij keek naar de witte brug in de verte. Daar wandelde hij vaak op zondag met zijn vader, moeder en Alex. Als je naar beneden keek, zag je het water kolken rond de pijlers. Gevaarlijk, zei papa dan. Verraderlijk gevaarlijk. Zijn broertje klom soms op het hek. Freek mocht dat niet. Mama hield hem altijd met twee vingers vast aan zijn capuchon, ook al was hij de oudste.

Het ijzer van het bankje voelde koud aan zijn billen, op zijn armen groeide kippenvel. Hij had natuurlijk een jas aan moeten doen. Hoe lang zou het duren voor die vrienden vanzelf kwamen? En zouden zij hem ook anders vinden? Door al die vragen werd het druk in zijn hoofd.

Hij besloot geduldig te zijn en luisterde naar de meeuwen die krijsend over het water scheerden. Ze wilden brood, dat had hij wel begrepen. Er kwam een hond aan zijn benen snuffelen. Een man riep iets waarna het dier in de schemering verdween.

Het werd stil op de kade. Freek dacht aan thuis. De kerstboom stond al, hij had geholpen met de ballen en de slingers en het engelenhaar. Oma zou straks komen. Opa niet, want die was dood.

Het werd donker en hij geloofde niet dat er nog iets zou gebeuren. Hij stond op, zijn verkeerde been voelde zwaar.

In de etalages zag hij zichzelf. Snel deed hij zijn mond dicht en trok zijn schouders naar achteren. Hij zette een glimlach op en zwaaide verlegen naar de jongen in het raam. Freek kreeg een idee. Meteen voelde hij zich lichter. Hij liep door het doolhof van straten tot hij een winkel had gevonden met sierlijke letters op de gevel: Het Spiegelpaleis.

„We gaan sluiten”, zei een man met een sleutel in de hand.

„Nee!” gilde hij. „Nee nee nee nee nee.”

De verkoper schrok zo dat hij zich door Freek aan de kant liet duwen.

„Ik wil een spiegel”, zei Freek en legde al zijn geld op de balie.

Het gezicht van de beduusde man werd zachter. „Is het een kerstcadeau? Dan ben je net op tijd, jongen.”

Freek knikte heftig. Hij keek om zich heen en zag zijn eigen ogen overal.

De man wikkelde een langwerpige spiegel in bubbeltjesplastic en vouwde er een glanzend papiertje omheen.

De zware spiegel voelde als een blok ijs onder zijn blote arm. Auto’s toeterden, maar Freek kon niet sneller oversteken.

In een plantsoen dat hij niet kende, rustte hij even uit. Hij zette de spiegel tegen een boom, strekte zich uit op het bevroren gras, keek naar de donkerblauwe lucht en bedacht dat hij nu nooit meer alleen zou zijn. Hij was al bijna in slaap toen een auto met zwaailichten naast hem stopte. Een agent stapte uit.

„Ben jij Freek?”

Hij knikte.

„Je moeder en broertje zijn heel ongerust.”

Je kunt deze onderwerpen volgen
Cultuur
Aanrader van de redactie
Instagram
Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct