Boeddha.

Joost Halbertsma introduceerde in de negentiende eeuw het boeddhisme in Friesland

Boeddha.

Joost Halbertsma was niet alleen medeverantwoordelijk voor het enige klassiek geworden Friese boek uit de negentiende eeuw, hij was ook de man die Nederland kennis liet maken met het boeddhisme. Na ruim 175 jaar is er een nieuwe uitgave van Het buddhisme en zijn stichter uit 1843.

E en Nederlandse predikant die het boeddhisme beschrijft als een serieus te nemen godsdienst in plaats van als een vorm van bijgeloof of afgoderij, dat was ongekend in 1843. In de ogen van velen was het ronduit schokkend. Zelfs een geestverwant als Jeronimo de Vries, die samen met Halbertsma streed voor het behoud van de vrijzinnige stroming binnen de doopsgezinde koepel, was onthutst.

De Vries schreef Halbertsma in een brief: ‘Vraagt gij mij oprecht of ik het publiceren en in het licht en vergelijking brengen van het Evangelium van Buddha goedkeur? Zoo en in die voege? Zoo mag ik niet anders zeggen dan Neen! (…) Het was niet onaardig en hoogstbelangrijk ja stichtelijk als Ued nog eens bepaald de zaak in vergelijking nam om te tonen, hoe veel voortreffelijker, heerlijker, Gode waardiger de blijde boodschap van het Christendom is.’

Volgens hoogleraar sinologie Barend ter Haar aan de Universiteit van Hamburg – een van de drie inleiders van de heruitgave – was Het buddhisme en zijn stichter niets minder dan een kleine revolutie in het Nederlandse taalgebied. ,,Helaas heeft het geen onmiddellijke navolging gehad, ook niet in de kritische zin, omdat Nederland blijkbaar nog niet toe was aan dit soort tolerante opvattingen over verre religies.’’

Tjalling Halbertsma, bijzonder hoogleraar Oost-Azië en Mongolië aan de Rijksuniversiteit Groningen en nazaat van Joost Halbertsma’s broer Tjalling, schrijft in zíjn inleiding dat de publicatie niet zonder gevolgen bleef. ,,Het kostte de auteur de laatste van een aantal kansen om het felbegeerde professoraat te bemachtigen.’’

loading  

R imen en teltsjes

De naam Joost Hiddes Halbertsma (1789-1869) is onlosmakelijk verbonden met Grou en de Friese literatuur. In Grou werd hij geboren in een doopsgezind bakkersgezin, hij groeide er op met zijn broers Eeltje en Tjalling, met wie hij – eenmaal volwassen – Rimen en Teltsjes zou schrijven. Rimen en teltsjes is een verzameling Friese gedichten en verhalen die zich tot in de huidige tijd in een zekere mate van populariteit mag verheugen. Ook was hij de eerste die geprobeerd heeft de Friese taal in een woordenboek te vangen. De klus was echter te groot voor een persoon om die in korte tijd te klaren, verder dan de F is hij niet gekomen.

Het grootste deel van zijn leven heeft Joost Halbertsma doorgebracht in Deventer, waar hij jarenlang predikant was in de doopsgezinde kerk. Hij beperkte zich in de Overijsselse stad niet tot het schrijven van preken en Friese stukjes, hij hield zich ook onledig met een grote verscheidenheid aan wetenschappelijke onderzoekingen, in het bijzonder op het gebied van taal.

In die hoedanigheid correspondeerde hij met geleerden uit een groot deel van Europa. Cultuurhistoricus Alpita de Jong schreef er in 2009 een boek over: Knooppunt Halbertsma . Negen jaar later verscheen er ook een biografie van haar hand: Joost Halbertsma 1789-1869 - Triomfen van een uitmiddelpuntig man.

Alpita de Jong is, samen met Barend ter Haar en Tjallling Halbertsma, inleider van Het buddhisme en zijn stichter . Ze was er vanaf het begin bij betrokken. ,,Ik waard in pear jier lyn belle troch de siktaris fan it Nederlands Boeddhistische Archief. It wie yn 2018 175 jier lyn dat it boekje fan Joost Halbert-sma útkaam. Oft wy dêr net eefkes by stilstean moasten?’’

N ew York

Ha lbertsma publiceerde Het bud-dhisme en zijn stichter in eerste instantie in de Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren . Korte tijd later gaf hij de tekst in eigen beheer in boekvorm uit in een oplage van vijftig genummerde exemplaren. Het grootste deel daarvan stuurde hij naar vrienden en geleerden met wie hij correspondeerde. De meeste daarvan zijn nog te traceren in universiteiten en openbare bibiotheken. En niet alleen in Nederlandse, ook de bibliotheek van New York en de universiteiten van Cambridge, Cleveland en Viriginia hebben een exemplaar in hun collectie.

'Neffens him is in elk frij om it leauwen nei eigen ynsjoch yn te kleurjen'

Hoewel zelf predikant, was het in eerste instantie zijn werk als taalkundig onderzoeker dat Halbert-sma op het idee bracht zich serieus in het boeddhisme te verdiepen. Zo had hij in het werk van de Engelse taalonderzoeker Houghton Hodgson gelezen dat er in het noordelijke deel van de Himalaya naast de officiële schrijftaal Sanskriet nog tien volkstalen hadden bestaan. In een daarvan, het Newari, was ook geschreven.

Dat laatste was koren op de molen van de buitengewoon in volkstalen geïnteresseerde Joost Halbertsma. Nieuwsgierig naar de verwantschap tussen oosterse en westerse talen als hij was, probeerde hij relaties tussen het Sanskriet, het Latijn en Grieks, de Germaanse talen en de Friese dialecten te ontrafelen.

Met het lezen van Hodgson verdiepte Halbertsma zich tegelijkertijd in de aan die talen gelieerde godsdiensten en kwam hij tot het inzicht dat de oorspronkelijke leer van Boeddha een reactie was op de gecorrumpeerde godsdienst van de zeer op hun macht gestelde brahmaanse priesters. ,,Het boeddhisme’’, vat Alpita de Jong het werk van Halbertsma samen, ,,was daarmee net als het christendom een volksgeloof, waarvan de kern was dat het zich aanhoudend moest verhouden tot aardse woelingen. Juist dat gaf het geloof zijn vitaliteit.’’

Halbertsma is altijd op zoek naar verbanden tussen godsdiensten, talen en culturen. Soms zijn zijn conclusies ronduit verrassend, zoals wanneer hij een relatie legt tussen de oosterse lotus en de Friese gele plomp. ‘Toen de Friezen uit Asien oprukten en hier aankwamen zagen zij de lotus nergens in eenige wateren bloeijen, maar zij bragten den ouden eerbied over op eene waterplant, die in onze meren groeit met soortgelijke bladen en bloemen, ik meen, de plompen.’

S eminarie

D at het Joost Halbertsma was die als eerste in het Nederlands over het boeddhisme schreef, heeft volgens Alpita de Jong alles met zijn doopsgezinde opvoeding in Grou te maken. Doopsgezinden waren lange tijd uitgesloten van allerlei beroepen en bestuursfuncties, voor hem werd het geloof mede daardoor bij uitstek de plek voor individuele vrijheid. Hij was wars van dogma’s en dat is hij ook altijd gebleven.

Tot het begin van de Bataafse Republiek in 1795 leidden de doopsgezinden, net als de katholieken en de luthersen, een min of meer ondergronds bestaan. Toen in dat jaar alle gezindten dezelfde rechten kregen als de hervormde kerk, werd een strakkere organisatie onmisbaar. Belangrijke doopsgezinde instellingen waren de Algemene Doopsgezinde Sociëteit en het seminarie in Amsterdam.

Een centrale rol daarin was weggelegd voor Samuel Muller. Hij was voorzitter van de sociëteit en hoogleraar aan het seminarie. Muller en de zijnen waren bevreesd dat al te veel vrijzinnigheid wel eens op gespannen voet zou kunnen komen te staan mei de pas verkregen status van officiële godsdienst. Hij zal dan ook niet blij zijn geweest met het boekje van Halbertsma over het boeddhisme.

Een recensie over Het buddhisme en zijn stichter schreef hij niet. Alpita de Jong vermoedt dat het hem, wegens gebrek aan kennis van het onderwerp, verstandig leek het zwijgen ertoe te doen. Maar toen Halbertsma in hetzelfde jaar De Doopsgezinden en hunne herkomst: eene ruwe schets publiceerde zweeg Muller niet. In een negentig bladzijden tellende kritiek brandde hij het boek tot de grond toe af, zonder ook maar een detail ongemoeid te laten.

Buitenstaander

Ni ets wijst erop dat Halbert-sma ooit spijt heeft gehad van zijn boek over het boeddhisme. Halbertsma hield volgens Alpita de Jong van het publieke debat. ,,Hy sil der altyd foar soargje dat syn wurd net it evangeelje wurdt. Yn De Doopsgezinden en hunne herkomst besiket er de oarsprong fan de doperse begjinsels te trasearjen. Neffens him is de frijheid it liedende begjinsel en is in elk frij om it leauwen nei eigen ynsjoch yn te kleurjen. Dat sil Samuel Muller net oanstien ha.’’

Alpita denkt dat Halbertsma’s onafhankelijke opstelling in het religieuze en wetenschappelijke debat mede het gevolg is van zijn jeugd in Grou. Tijdens zijn studie in Amsterdam werden de doopsgezinde uitgangspunten die hij van jongsaf had meegekregen en zijn Friese afkomst hem des te dierbaarder. Ze versterkten zijn ambitie iets te doen aan de heersende orde.

,,As er yn Hollân, yn it sintrum fan de macht, opgroeid wie, is it mar de fraach oft er dyselde iepen, frije blik ûntwikkele hie. As Fries en as lid fan in lytse tsjerke wie er wat in bûtensteander yn it yntellektuele fermidden en dy posysje hat er brûkt. Dat er wat oars wie, makke him net lytsman. Hy hie boppedat in grut ferantwurdlikheidsbesef en in sterke driuw om by te dragen oan herfoarmingen yn de tsjerke en de maatskippij.’’

,,De minsken hoegden net te tinken wat hy tocht, hy woe se sels oan it tinken sette en yn beweging krije. Neat lei by him fêst, in minske moat him neffens Halbertsma hieltyd opnij ferhâlde ta de ûntjouwingen om him hinne.’’

Opmerkelijk is volgens Alpita de Jong dat de gedrevenheid van Joost Halbertsma samenging met een groot gevoel voor humor. ,,Wa hellet it yn dy tiid oars yn ’e holle om Frysk te skriuwen?’’

Titel: De predikant en de Boeddha, Beschouwingen en heruitgave van Joost Halbertsma’s Het buddhisme en zijn stichter uit 1843. Ingeleid door: Alpita de Jong, Barend J. ter Haar en Tjalling H. F. Halbertsma Uitgever: Noordboek Prijs: 17,50 (208 blz.)

Je kunt deze onderwerpen volgen
Cultuur
Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct