Fotograaf, schilder, socioloog en econoom Hans Abbing in zijn atelier.

Arme kunstenaars: groot wint, klein verliest

Fotograaf, schilder, socioloog en econoom Hans Abbing in zijn atelier. FOTO JEAN-PIERRE JANS

Kunstenaars zijn bereid een laag inkomen voor lief te nemen. Fotograaf, schilder, socioloog en econoom Hans Abbing schreef er in 2002 een boek over: Waarom zijn kunstenaars arm? ,,Na vijf tot tien jaar komt de teleurstelling.’’

Om maar met de deur in huis te vallen: kunstenaars zijn bereid om tegen een laag inkomen te werken. Ze nemen een leven in armoede voor lief, zolang ze maar kunnen doen wat ze het liefste doen: schilderen, schrijven, dansen, ontwerpen. Zo simpel is het. Kunstenaars hebben een roeping die sterker is dan de zucht naar financiële welvaart. En vooruit, het volgende is ook waar: de maatschappelijke status die aan het kunstenaarschap kleeft, is ontzettend verleidelijk. Het geeft je aanzien, het heeft iets magisch. En dan die vrijheid. Daarom wordt een jong mens kunstenaar, daarom probeert een kunstenaar uit alle macht, met hart en ziel, ook kunstenaar te blijven. Zelfs wanneer er een pandemie over de aarde woedt.

De loopbaan van de gemiddelde kunstenaar kan heel mooi zijn, maar is ook geplaveid met teleurstellingen en armoede. Dat komt omdat er disproportioneel veel geld en aandacht naar de gevestigde kunsten gaat. Dat betoogt Hans Abbing, beeldend kunstenaar, fotograaf, econoom en emeritus professor kunstsociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Kunstenaars zijn altijd al arm geweest, maar in deze corona-crisis wordt dat extra hard gevoeld.

Kapitalisme

Het zijn vooral de minder bekende, iets kleinere en niet-gesubsidieerde instellingen en gezelschappen die harde klappen krijgen. ,,Groot wint en klein verliest’’, stelt Abbing. Economen noemen dit het ‘winner take all-principe’. De sterken worden sterker, de kleintjes delven het onderspit. De ongelijkheid wordt groter. Zo werkt het kapitalisme nu eenmaal. En daarom, betoogt Abbing, moet een nog groter deel van het geld èn van het respect dat nu naar de topinstellingen gaat, naar instellingen die zich daar net onder bevinden.

Grote, gerenommeerde gezelschappen zoals het Concertgebouworkest of Het Nationale Toneel worden door de overheid royaal gesteund omdat ze voor een grote (internationale) economische waarde staan èn omdat hun kunst als ‘hoog van kwaliteit’ wordt gezien. Met andere woorden; daar ‘excelleert’ men en is er sprake van ‘perfectie’. Abbing: ,,Terwijl er maar heel weinig mensen zijn die dát kunnen horen.’’

Een groot en befaamd gezelschap trekt ook niet automatisch een groot publiek. Kijk naar festivals, zegt de kunstsocioloog, kijk naar het clubcircuit, naar dance en hiphop - daar komen veel meer mensen op af. Maar het zijn juist die sectoren die nu op omvallen staan. ,,Iedere sociale groep heeft zijn eigen kunst’’, zegt Abbing herhaaldelijk. ,,En de ene kunst is niet beter of heeft meer bestaansrecht dan de andere.’’

Wat dit allemaal extra wrang maakt, is dat ongesubsidieerde gezelschappen en instellingen juist de plekken zijn waar innovatie ontstaat en die in de tijd vóórdat corona uitbrak wel degelijk op eigen benen konden staan. ,,Een kaartje voor de opera wordt zwaar gesubsidieerd, maar er is geen groot publiek voor. Voorstellingen die daar net onder zitten, zijn vaak leuker en trekken meer mensen.’’ Dat vermogen, om mensen aan je te binden, om ze aan het dansen te krijgen, om ze van cultuur te laten genieten, zou de overheid rijkelijker moeten belonen, vindt Abbing. Dat heeft alles met respect te maken en niet eens direct met heel veel meer geld. Meer geld leidt niet automatisch tot beter verdienende kunstenaars. ,,Meer subsidie zorgt vooral voor méér kunstenaars. En die zijn niet nodig.’’

Geknakte droom

Dat brengt de hoogleraar bij de wildgroei aan mbo- en hbo-popopleidingen die studenten geen realistisch beeld van de toekomst voorhouden. Studenten dromen van roem en van een ‘doorbraak’, maar meestal gebeurt dat niet. ,,Na vijf tot tien jaar komt de teleurstelling. Slechts een kleine groep ‘maakt het’, de rest valt buiten de boot. Dat is vooral schrijnend in de popmuziek.’’ Want, zegt Abbing, het is ook nog eens zo dat de meest succesvolle artiesten autodidacten zijn en van elkaar leren, in plaats van op een academie.

Dat levert groot menselijk leed op. Een leven in de bijstand en vooral: een geknakte droom. ,,Als je merkt dat je niet van je kunstenaarschap kunt bestaan, voel je je een mislukkeling.’’ Na een jaar of vijftien houden de meesten er gedesillusioneerd mee op. Dat fenomeen wordt nu versterkt door corona. ,,En het is zo’n prachtig beroep’’, zegt Abbing, die anderhalve dag per week op de universiteit werkt en zich voor de rest met zijn schilderkunst bezighoudt. ,,Eigenlijk heb je een goed verdienende partner nodig of een tweede baan. Op kunstacademies en conservatoria worden studenten daar tegenwoordig gelukkig op voorbereid. Ze moeten een plan-B hebben.’’

Ja, er zullen gezelschappen en instellingen omvallen. Maar er gloort hoop. ,,Tegenslag kan tot grote creativiteit leiden. Dat is altijd al zo geweest. Dat zal ook nu weer het geval zijn.’’

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct