Klaske Karstkarel (links): ,,Dat heb jij meer met dingen. Eerst ga je over de top, en daarna interesseert het je niet meer.’’ Peter Karstkarel: ,,O ja?’’

Architectuurkenner Peter Karstkarel blikt terug op zijn leven: Genieten en ‘wat an grieme’

Klaske Karstkarel (links): ,,Dat heb jij meer met dingen. Eerst ga je over de top, en daarna interesseert het je niet meer.’’ Peter Karstkarel: ,,O ja?’’ FOTO NIELS WESTRA

Al jong hield architectuurkenner Peter Karstkarel van muziek, ,,de drager van je gevoel’’. Die kracht ervoer hij extra na het overlijden van zijn zoon. Hij schreef een terugblik op zijn leven.

Architectuurkenner Peter Karstkarel beschreef alle dorpen van Friesland en Groningen, middeleeuwse kerken langs de kust, Friese grafcultuur in Dag mijn lieve moeder , dat hij met zijn vrouw Klaske maakte. Vrijdag verscheen een boek met ‘autobiografische schetsen’, met als titel Wel aardig, nou?

,,De titel heb ik van Gerrit Benner’’, zegt hij thuis in Leeuwarden. ,,Benner zei dat, als wij een van zijn schilderijen bewonderden. Nou ja, hij zei natuurlijk ‘Wel aardig, hee?’, want een echte Leeuwarder zegt ‘hee’. Maar een Sneker zegt ‘nou’, en ik ben een Sneker. Als Klas en ik tegen elkaar zeggen: ‘Wel aardig nou’, bedoelen we dat we het mooi vinden.’’

We zitten in de voorkamer. Klaske, zijn vrouw, leest in de achterkamer de krant maar mengt zich al snel in het gesprek. Voor de duidelijkheid gebruiken we hier hun voornamen. ,,Het is een skat, hè?’’, zegt Peter af en toe, als ze hem verbetert.

Voor we los kunnen begint Peter zelf. ,,Heb je het gelezen? Wat vond je ervan?’’

Meestal vertel je zoiets een schrijver niet aan het begin van een interview, maar ik doe het nu toch. Ik mis dat autobiografische, zeg ik, dat me al op het omslag is beloofd. Het boek gaat vooral over de kunstenaars en componisten met wie Karstkarel door de jaren heen contact heeft gehad, die hij op zijn minst uit de verte heeft gezien. Het had ook ‘Ontmoetingen met uitzonderlijke mannen’ als ondertitel kunnen hebben. Of, minder deftig: ‘Wij waren erbij’.

Peter knikt. ,,Eigenlijk bestaat het boek uit gebeurtenissen die leuk zijn om in gezelschap te vertellen, zo heb ik het ook willen schrijven. Een dagboek hou ik niet bij, ik heb een dagboek in mijn kop. Klaske en Huub Mous hebben me omgepraat om het op te schrijven. Het is wel een beetje aanmatigend, zoiets wordt gauw een beetje opschepperij. Ik kan heel goed opscheppen, maar liever niet in zo’n boek. Dit moest niet ‘Kijk mij eens’ worden, maar: ‘Kijk eens wat ik allemaal heb mogen genieten’.’’

Klaske: ,,Peter kan niet meer zo veel doen, omdat hij COPD heeft. En met zo’n boek is hij weer even bezig.’’

Zodoende gaan we in het boek langs bij graficus Maurits Escher (,,Hij wilde me binnenlaten, maar daar is ook alles mee gezegd’’), ontwerper Piet Zwart (,,beroemd van de Bruynzeelkeukens, maar hij is ook leraar geweest aan de Eerste Huishoud- en Industrieschool in Leeuwarden, in de Speelmanstraat’’), en naïeve schilder Ruurd Wiersma. Van hem kreeg Karstkarel ontwapenende brieven: ,,Ik ben geen schrijver maar kan beter schilderen u kan weer beter schrijven en misschien niet schilderen.’’

Ook toparchitect Norman Foster (van de Rijksdagkoepel in Berlijn) komt voorbij, in wiens gezelschap Peter in een Londense herenclub belandt voor de lunch. Zo’n club waar elke eter een eigen kelner krijgt. In die statige omgeving probeert Peter zich te redden met de broodjes, die zo kruimelen dat zijn tafelkleed eronder zit. Steeds komt de kelner het wegvegen, met het handvat van een mes. Tot Peter er genoeg van heeft en in het stadsfries zegt: ,,Ach, ik griem ok mar wat an.’’ Waarop de kelner onverstoorbaar antwoordt: ,,Geeft niet meneer, griemt u maar.’’ Hij bleek uit Beetsterzwaag te komen.

Ontroostbaar huilen

Alleen het eerste hoofdstuk is puur autobiografisch. Peter werd in 1945 geboren in Sneek. Zijn moeder was een Poiesz, van de winkelfamilie, vader was inspecteur van de Raad van Arbeid: hij stierf aan leukemie toen Peter 6 was. Tientallen jaren later, toen Peter een praatje voorbereidde over het Sneker ziekenhuis, moest hij er ineens om huilen, ,,langdurig, onbedaarlijk en ontroostbaar’’.

Hij leek voorbestemd voor het modevak, haalde diploma’s onder-, boven- en overkleding, werkte in Amsterdam, ontwierp een textielpatroon en een supermini-jurk (,,met een rits van de hals tot de navel met zo’n grote ring eraan en met een capuchon’’) die zo goed liep dat C&A hem in de collectie opnam.

Het liep anders. Peter kwam in Leeuwarden aan het werk bij het gemeente-archief (nu: Historisch Centrum Leeuwarden), leerde Klaske Valk (Hindeloopen, 1946) kennen in een dancing, ze kregen vier kinderen, Nanka, Karst, Anthimus en Maurits. ,,In maart zijn we allebei jarig, dus straks zijn we drie weken lang samen 150 jaar. En afgelopen december waren we vijftig jaar getrouwd.’’

Hij was monumentenambtenaar van de gemeente Leeuwarden, hij schreef voor het Friesch Dagblad , Trouw , Leeuwarder Courant , NRC Handelsblad , was redacteur bij de Friese Pers Boekerij. Bovendien was hij een fikse roker, een veelgevraagd spreker en werd, omdat hij als monumentenambtenaar oude gebouwen liever een kleur gaf dan ze saai wit te laten, een bepaalde tint Karstkarelgeel genoemd.

Daarnaast was hij (mede-)organisator en bedenker van evenementen, als de Slachte-marathon, het Monument van de Maand, concerten op ongewone plaatsen van UniConsort. Zijn inspanningen om Utrecht, een bijzonder pand aan de Tweebaksmarkt in Leeuwarden als rijksmonument geregistreerd te krijgen leidde tot een stichting tot behoud van monumenten. In 2001 kreeg hij voor dat alles een Zilveren Anjer van Prins Bernhard. ,,Potverdorie, die speld wil er niet in’’, zei die bij het opspelden.

Dat staat niet allemaal in het boek, maar wel hoe de liefde voor de kunst ontstond. En hoe die is aangewakkerd door tante Janke uit Den Haag. Als hij en zijn zussen daar als kind logeerden, moesten ze mee naar het Gemeentemuseum. Daar zette tante Janke ze voor de Mondriaans en sprak de wijze woorden: ,,Goed kijken, kinderen, want de mensen die het kunnen weten, zeggen dat dit heel belangrijke kunst is.’’

Onneembaar fort

Af en toe duikt het Fries Museum op, als een gesloten, onneembaar fort. Peter deed een paar keer vergeefse pogingen om bij het museum te komen werken. ,,Zelfs als koffiejuffrouw willen ze me daar niet.’’

Klaske: ,,Ze zijn bang voor Peter’’

Peter: ,,Ik heb altijd gezegd, als ik daar de baas was, dan ging de zweep erover.’’ Het zit diep, hij loopt de verschillende directeuren langs, zijn teleurstelling over tentoonstellingen, om dan vast te stellen: ,,Ik vind het niet erg hoor, dat het niet doorgegaan is. Echt niet. Ik was er misschien wel in de lethargie verzopen.’’

En nu? Het museum zit in een nieuw, open gebouw, het heeft publiekstrekkers georganiseerd. ,,Ik volg het niet meer. Ik vind het niet zo spannend. Weet je, ik heb verder altijd wel goed contact met ze gehad, ik kon goed met mensen overweg die er werkten en foto’s en dergelijke lenen. Maar het is het museum zelf.’’

Klaske, spottend: ,,Daar gaat Peter nog een apart boek over schrijven.’’

Naast de beeldende kunst, daarboven zelfs, staat de muziek. De ,,ernstige muziek’’, zoals Peter het noemt. Hedendaags klassiek, middeleeuwen, renaissance. En opera. Voor UniConsort benaderde hij componisten, hij had het telefoonnummer van Arvo Pärt (,,die was toen nog bezig een cultfiguur te worden’’), Maurizio Kagel kon uiteindelijk niet naar Leeuwarden komen om de uitvoering van zijn 10 Marsche um den Sieg zu verfehlen bij te wonen, Peter hoopte op Alfred Schnittke, die tot zijn dood in Hamburg woonde. Het gewone klassieke repertoire heeft hij als jongeman zo vaak gehoord, daar is hij klaar mee, vertelt hij.

Klaske: ,,Dat heb jij meer met dingen. Eerst ga je over de top, en daarna interesseert het je niet meer.’’

Peter: ,,O ja?’’

Klaske: ,,Dat zag je toen ook bij UniConsort. Het was de bedoeling om dat drie keer per jaar te organiseren. Maar dan komen anderen ook met leuke ideeën voor concerten en dan loopt het uit de hand. Dan zijn er niet drie, maar acht concerten, en zaten we hier elke keer folders te maken. Ik kreeg daar op het laatst schoon genoeg van. Peter kocht ook de ene cd na de andere. En dan is UniConsort afgelopen en dan denk ik…

Peter: ,,Wat denk je dan? Waar was dat allemaal voor nodig?’’

Klaske: ,,Ja.’’

Messiaen zelf

Peter: ,,Olivier Messiaen, dat was ongelooflijk. Die zagen we op het Holland Festival. We zaten wel wat ongelukkig op een zijbalkon van het Concertgebouw, maar hadden het zicht op Messiaen zelf, die hadden ze op de zesde rij drie stoelen gegeven, zodat hij de partituur van La Transfiguration de Notre Seigneur Jésus Christ neer kon leggen. Een paar maanden later is hij overleden.’’

,, Die Soldaten van Bernd Zimmermann is wel een van de mooiste voorstellingen die ik gezien heb. Niet alleen vanwege de muziek, maar ook de enscenering, een enorm toneel, een soort catwalk, en op een gegeven moment ging de tribune daar langs rijden. Heb jij dat ook Klaske?’’

Klaske: ,,Nee, dat heb ik niet. Ik heb dat meer met die voorstelling van die Belg, met al die bloemen.

Peter: ,,Jan Fabre. Requiem für eine Metamorfose . Dat zat tegen de kitsch aan, het hele toneel was bezaaid met gladiolen en daar kwamen prachtige naakte vrouwen uit tevoorschijn. Het is effectbejag, maar het maakt ook indruk.’’

,,Ik heb hem nog een keer geschreven, toen we die andere voorstelling van hem hadden gezien in Bochum, weet je nog? Hetzelfde jaar dat we die tentoonstelling van hem hebben gezien in dat palazzo in Venetië.’’

Klaske: ,,Met die baden.’’

Peter: ,,Met die gouden baden. Ik heb hem geschreven, maar nooit antwoord gekregen.’’

Klaske, lachend: ,,Wat had je dan verwacht? ‘Nou, meneer Karstkarel, wat leuk dat u het leuk vindt’?’’

‘Ik word niet ouder dan veertig’

Peter: ,,Je denkt er niet elke dag aan, maar leeftijdgenoten, Beb Mulder, Sjoerd de Vries, Harmen Abma, allemaal zeventigers, zijn wel overleden.’’

De vader van Peter stierf jong, de moeder van Klaske is 97 geworden. Daar vertellen ze gemakkelijk over – zo gaat het. Maar een jaar geleden overleed hun zoon Anthimus. Hij was net 41 geworden. ,,Ik word niet ouder dan 40, zei hij altijd’’, vertelt Peter.

Ze hebben vroeger veel met hem te stellen gehad. Hij worstelde met het leven, verslavingen brachten hem in de problemen. Maar de relatie was verder goed, hij woonde op zichzelf, zijn vader zag hem elke dag. Ook op de dag waarop hij aan een hartstilstand overleed.

Klaske: ,,Als zoiets gebeurt geeft dat realiteit. Pluk de dag, we gaan allemaal een keer, je moet accepteren dat het vroeger of later afgelopen kan zijn. Ik ben hervormd, en bij zulke dingen krijg ik heel veel troost uit het geloof, ondanks ons verdriet.’’

Peter: ,,Van huis uit ben ik wel gelovig opgevoed, ik heb daar iets vaags van meegekregen, een wereldbeeld. Maar ik had daar niet veel steun aan. Anthimus had het, vreemd genoeg, wel over ‘zijn vader hierboven’.’’

Als Klaske nog meer vertelt over hun zoon zegt Peter ineens: ,,Klaske, zullen we hierover ophouden alsjeblieft?’’

Klaske: ,,Peter praat hier niet graag over.’’

Peter: ,,Nu en dan zit ik ineens aan Anthimus te denken. Dan scheurt hier een brommer of scooter door de straat en steeds als ik dat hoor, dan zie ik hem echt. Mijn lieve jongen.’’

Na de dood van hun zoon kwam hun eerste lockdown, gevolgd door de huidige, gedeeltelijke lockdown. Heb je in zo’n somber jaar 2020 iets aan liefde voor en genot van kunst?

Peter: ,,Ja echt wel. Ondanks ons verdriet zijn we daarna naar de opera gegaan, Dido and Aeneas van Purcell. We zaten helemaal achterin, in dat kleine theater van Oldenburg.’’

,,En bij die beroemde aria When I am laid down in earth , met die zin ‘Remember me, remember me, but ah! forget my fate’ hebben we daar wel heel erg zitten snotteren. Muziek is toch de drager van je gevoel.’’

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct