Waarom zou je donderdag gaan stemmen? Nou, hierom

FOTO ANP

De meeste Nederlanders die donderdag mogen stemmen voor het Europees Parlement hebben moeite met de verkiezingen. De kennis over ‘Brussel’ is gebrekkig en het Europese gevoel ver te zoeken. We gidsen u door de Unie.

Hoeveel invloed heeft uw stem?

Dat is meteen een ingewikkelde. Het gaat in Europa om heel veel stemmen: 373.457.888, om precies te zijn (deze verkiezingen behoren tot de grootste ter wereld). Al die mensen kunnen naar de stembus om 751 Europarlementariërs te kiezen. Voor Nederland zijn er 26 zetels, zo is in 2009 vastgesteld. Er is een systeem waarbij de stem van kleinere landen zwaarder weegt dan die van grote. Lidstaten als Malta en Cyprus zouden anders helemaal niks te vertellen hebben. Het omgekeerde geldt natuurlijk voor Duitsland en Frankrijk. Er is nu een minimumaantal zetels van 6 (Malta) en een maximum van 96 (Duitsland). Nederland zit daar een beetje tussenin.

Voor ons betekent dit dat er minder stemmen nodig zijn voor een zetel dan in Duitsland: 645.000 tegen 887.000. In Malta is dat 70.000. Wat het ook betekent is dat Nederland relatief oververtegenwoordigd is in het Europarlement. Maar dat wil nog niet automatisch zeggen dat we ook meer invloed hebben. Dat hangt af van de parlementariërs en de dossierkennis die ze meebrengen.

Ligt de macht wel bij het parlement?

Het parlement is niet het enige belangrijke instituut in de EU. Zo is er de Europese Commissie, die nog even onder leiding staat van de Luxemburger Jean-Claude Juncker. Hij en zijn commissarissen (uit elke lidstaat één, voor Nederland is dat Frans Timmermans) doen wetsvoorstellen en beheren het geld. De Europese Raad, onder leiding van de Pool Donald Tusk, is ook belangrijk. Hierin zitten de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten, dus ook premier Mark Rutte. De raad bepaalt de richting van de Unie.

Er is niet één enkel instituut of individu dat belangrijker is dan de rest: de macht wordt gedeeld. Zonder gezamenlijke instemming gebeurt er niks. Zo moet bijna alle wetgeving worden goedgekeurd door de parlementariërs. Sterker: het parlement is in de loop der tijd machtiger geworden. Maar hoewel het parlement een van de machtigste in de wereld is, kan het één ding niet: de regering (lees: Europese Commissie) naar huis sturen. Daarvoor is de Europese Unie nog niet klaar.

Waarom worden leiders benoemd en niet gekozen?

Het antwoord op de vraag waarom de voorzitters van de Europese Commissie en de Europese Raad niet rechtstreeks gekozen worden, is eigenlijk heel simpel: de verzamelde regeringsleiders wilden dit nooit. Het is ook ingewikkeld. De Europese landen hebben daarvoor te weinig met elkaar gemeen. Daar komt bij dat bijvoorbeeld de Duitsers vijf keer zoveel stemmers hebben dan de Nederlanders, en bijna tweehonderd keer meer dan de Maltezers. Niet zo eerlijk, dus.

Dit wil allemaal niet zeggen dat de leiders niet democratisch worden gekozen. Het gebeurt nu op indirecte wijze, net zoals bijvoorbeeld de burgemeester van Amsterdam. De Europese Raad, de club van regeringsleiders dus, stelt een kandidaat-Commissievoorzitter voor. Dat kan een zogenoemde Spitzenkandidat zijn (een lijsttrekker), maar ook iemand anders. Vervolgens moet het Europees Parlement deze persoon ook nog goedkeuren. De leider van de Europese Raad wordt gekozen door de 28 premiers. En dan is er ook nog de voorzitter van het Europees Parlement. Die zit de vergaderingen voor en is het officiële gezicht van het parlement. Hij heeft een zittingstermijn van 2,5 jaar, dus zijn er twee voorzitters per regeerperiode. Zij worden gekozen door het parlement en komen meestal uit de twee grootste fracties.

Als u op D66 stemt, krijgt u er de VVD bij. Waarom?

Dat heeft in essentie te maken met de omvang van het parlement. Er zitten meer dan honderd partijen bij elkaar, en als die allemaal voor zichzelf gaan praten komt er geen eind aan. Daarom zitten de gelijkgezinde partijen bij elkaar in een fractie. Dat verklaart waarom VVD en D66, in Nederland toch echt twee verschillende partijen, bij elkaar zitten in de ALDE-fractie. Ze zijn tenslotte wel beide liberaal. Binnen deze Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa zit de VVD veel meer op rechts dan D66.

Op dit moment telt het Europarlement acht fracties. Het is mogelijk dat het er de komende vijf jaar meer zijn. Zo bekijken de populisten of ze kunnen gaan samenwerken. Een nieuwe fractie moet minstens 25 leden tellen en minimaal een kwart van de lidstaten vertegenwoordigen (zeven). Het kan ook zijn dat fracties uitgedund worden. De christendemocratische EVP-fractie, met daarin het CDA, zit in haar maag met de Hongaarse Fidesz-partij. Die is nu tijdelijk geschorst, omdat ze herhaaldelijk is ingegaan tegen de ‘christendemocratische waarden en ideologie’. Een interne commissie kijkt nu of de Hongaren nog te handhaven zijn als lid. Of de CDA-stemmer straks ook Fidesz erbij krijgt, is dus nog niet duidelijk.

Wanneer speelt het parlement een rol?

De leden van het Europees Parlement spelen op heel veel momenten een rol. Ze hebben bijna overal wat over te zeggen. Zo kunnen ze bijvoorbeeld ja of nee zeggen tegen wetsvoorstellen van de Europese Commissie. Dit doen ze samen met de vakministers uit de lidstaten, die bij elkaar komen in de Raad van de Europese Unie, zeg maar de ministerraad. Deze voorstellen kunnen over van alles en nog wat gaan: van landbouw en milieu tot energie, migratie en consumentenbescherming. Een wet is pas geldig als het parlement en de Raad beide akkoord zijn.

De parlementariërs hebben géén doorslaggevende stem als het gaat over belastingen of het buitenlands beleid. Ze mogen alleen adviseren. De lidstaten hebben hier een veto.

Het parlement gaat, alweer samen met de lidstaten, ook over de centen. De bestemming van die enorme bak met geld wordt door hen bepaald. Als het gaat over de langetermijnbegroting (vijf jaar vooruit) mogen de volksvertegenwoordigers alleen maar het eindresultaat goedkeuren. Dan gaat het bijvoorbeeld over de subsidies, zoals voor de landbouw.

Zoals gezegd komen de wetsvoorstellen van de Commissie, die heeft het initiatiefrecht , maar dat wil niet zeggen dat de rol van parlementariërs daarmee uitgespeeld is. Zij mogen de Commissie vragen een bepaalde wet te initiëren, in de steigers te zetten. Die gaat daar vaak op in (niet altijd). Zo kan het parlement ook mee bepalen welke kant het op gaat.

En natuurlijk moet het parlement controleren of de lidstaten doen wat ze met elkaar afspreken. Ook houdt het in de gaten of de regels worden nageleefd. De parlementariërs kunnen hierover de Commissie op het matje roepen. Dat deden ze voor het eerst luid en duidelijk in 1999, toen de geur van fraude in de toenmalige Commissie iets te sterk werd. De commissarissen, onder leiding van Luxemburger Jacques Santer, stapten met z’n allen op.

Dat verbod op plastic bekertjes, waarom heeft dat zo lang geduurd?

In feite duurt de totstandkoming van een Europese wet (want daarover hebben we het hier) ongeveer net zo lang als een Nederlandse. Het begint allemaal met een voorstel van de Europese Commissie. De verantwoordelijke commissaris, in dit geval de Nederlander Frans Timmermans, schrijft dat niet zelf, dat doen zijn ambtenaren. Die bereiden zich goed voor door te praten met deskundigen en belanghebbenden. Soms, zoals ook hier, mag het publiek meepraten: iedereen die dat wil kan online zijn zegje doen. Als het voorstel gepubliceerd is, kijken het parlement en de ministers van de lidstaten ernaar. Ze kunnen dan wijzigingen voorstellen. In het parlement gaat dat in twee stappen: eerst de specialisten (voor het plastic zitten die in de commissie Milieu en Volksgezondheid), daarna het voltallige parlement.

Het gebeurt zelden dat beide partijen op één lijn zitten, en daarom wordt er onderhandeld. Dat duurt meestal een paar maanden. Daar rolt dan als het goed is uiteindelijk een compromis uit, dat door beide zijden moet worden goedgekeurd. En dan hebben we een wet. In het geval van de plastic rietjes, bekertjes en ander wegwerpmateriaal heeft het hele proces 1,5 jaar geduurd. Dat is iets korter dan de gemiddelde doorlooptijd van twee jaar. Dat valt dus reuze mee, met die stroperigheid. Maar dan zijn we nog niet klaar! Europese wetten moeten vaak nog worden omgezet in nationale wetgeving. Dat mag iedere lidstaat op zijn eigen manier doen. Het plasticverbod gaat voor de meeste producten bijvoorbeeld pas gelden in 2021. Sommige doelstellingen uit de Europese wet hoeven zelfs pas over tien jaar, in 2029 gerealiseerd te zijn.

Betalen we als Nederland niet te veel aan de EU?

De sterkste schouders dragen de zwaarste lasten in Europa. Dat betekent dat welvarende landen zoals Nederland meer bijdragen aan de EU-begroting dan ze terugkrijgen aan bijvoorbeeld landbouwsubsidies of geld voor regionale ontwikkeling. Hoe rijker je bent, hoe meer je betaalt. Zo wil de EU bereiken dat de verschillen in rijkdom tussen de lidstaten niet te groot worden. Tussen 2000 en 2015 was Nederland de grootste nettobetaler: gemiddeld droegen we netto ruim 0,4 procent van het bruto nationaal inkomen (bni) af. In 2015 kwam dat neer op 2,5 miljard euro, bijna 150 euro per Nederlander. Nederland is overigens niet altijd nettobetaler geweest: tussen 1981 en 1990 kregen we meer terug dan we betaalden.

Daarnaast krijgen we ook geld terug. De jaarlijkse uitgaven van de EU kennen een plafond. In 2019 was dat 165,8 miljard euro (ter vergelijking: Nederland begroot 295 miljard aan uitgaven). Blijft daarvan geld over, dan hoeven lidstaten minder bij te dragen. Omdat wij relatief weinig EU-gelden ontvangen krijgt ons land nog tot en met 2020 een jaarlijkse korting van een slordige 1 miljard. De Europese Commissie wil hier echter vanaf. Het politieke gevecht over deze kwestie is volop gaande.

Is alles door de euro duurder geworden?

En óf hier alles duurder is geworden. Maar om nou te zeggen dat dit door de euro komt … Sinds de invoering van de euro zijn de prijzen jaarlijks gemiddeld met 1,89 procent toegenomen. Let op: dat percentage is lager dan in de tien jaar daarvoor. Toen kwam het inflatiecijfer gemiddeld uit op 2,61 procent.

Dat neemt niet weg dat er sinds 2002 voor sommige boodschappen veel meer moet worden betaald. Kostte een doosje eieren bij de invoering van de munt nog gemiddeld 1,40 euro, inmiddels is dat 2,47; ofwel 76 procent meer. In de horeca is de prijs van een glas bier ook flink opgeschroefd: van 1,54 naar 2,58 euro. Daar staat tegenover dat supermarktbier sindsdien met 7 procent amper in prijs is gestegen. En etenswaren als champignons, hamlappen en komkommers kostten in 2018 zelfs minder dan zestien jaar eerder.

Wat verdient een Europarlementariër eigenlijk?

Het is een favoriet onderwerp op feestjes, merken parlementariërs. Hoeveel verdienen jullie eigenlijk? En hoe zit het met die declaraties? Dat is allemaal niet geheim, het is zelfs tot in de details geregeld. Een parlementslid verdient per maand een brutosalaris van 8.757,70 euro. Na aftrek van Europese belastingen en andere bijdragen blijft hiervan 6.824,85 euro over.

De meeste lidstaten, ook Nederland, heffen aanvullende belastingen. Ze vinden dat Europarlementariërs niet meer mogen verdienen dan hun collega’s in het nationale parlement. De Nederlanders in Brussel houden na die heffing hetzelfde salaris over als een Tweede Kamerlid.

Verder krijgt een Europarlementariër een maandelijkse, aanvullende onkostenvergoeding van 4.513 euro. Deze is onder meer bedoeld voor het aanhouden van een kantoor en medewerkers in het thuisland. Het wordt belangrijk gevonden dat leden van het parlement voeling houden met de basis, zoals dat heet.

Het is geen geheim dat veel politici zo’n kantoor niet hebben. Ze kunnen dit geld gebruiken voor representatie, telefoonkosten en krantenabonnementen. Ze hoeven echter niet te melden waaraan ze het uitgeven (veel Nederlanders doen dat wel). Ondanks herhaalde kritiek blijft een meerderheid van het parlement meer transparantie tegenhouden.

Als er vergaderd wordt in Brussel of Straatsburg hebben de parlementsleden recht op 320 euro voor een hotel, maaltijden en overige kosten. Ook worden de reiskosten van en naar deze vergaderplekken vergoed. En nee, een parlementariër heeft geen recht op een eigen auto met chauffeur. Op officiële werkdagen in Brussel en Straatsburg kan er wel eentje worden aangevraagd bij het Europees Parlement.

Moet dat nou, elke maand vergaderen in Straatsburg?

Ja, da t moet. Althans, dat hebben we zo met elkaar afgesproken. Het is een overblijfsel uit het verleden. Toen in 1952 de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) werd opgericht (door Frankrijk, West-Duitsland, Italië, Nederland, België en Luxemburg), was er dringend behoefte aan een vergaderplek. De Raad van Europa zat toen al in Straatsburg en was zo vriendelijk de zaal uit te lenen aan de EGKS, zodat die daar haar Gemeenschappelijke Vergadering kon houden.

Maar toen een paar jaar later de Europese Economische Gemeenschap het levenslicht zag en neerstreek in Brussel, bleef Straatsburg de locatie voor de plenaire vergaderingen van het parlement.

De Franse stad heeft namelijk ook een symbolische betekenis: ze staat voor de verzoening tussen Frankrijk en Duitsland, de grote aartsrivalen uit de Europese geschiedenis. En hoewel iedereen erkent dat die verzoening reden is tot vreugde, en de vergaderlocatie in 1992 officieel werd vastgelegd, is er wel degelijk verzet tegen ‘Straatsburg’. Het is namelijk a) niet functioneel om daar te vergaderen en b) het kost heel veel geld. Ook de meeste parlementariërs hebben genoeg van het maandelijkse gesjouw met dossiers en koffers. Maar helaas gaan ze er niet over: dit is een zaak van de lidstaten. Die kunnen alleen in unanimiteit besluiten om te vertrekken uit Straatsburg. En er is één land dat blijft dwarsliggen: Frankrijk. ,,Het is goed dat niet alles in Brussel is’’, zeggen ze daar.

Waarover beslissen Europese politici?

Het E uropees Parlement debatteert over heel veel onderwerpen, maar mag niet over alles beslissen. Meestal is wel instemming van het parlement nodig: van het vaststellen van de EU-begroting tot beslissingen over bijvoorbeeld de stekkers voor elektrische apparaten. De Europese Commissie komt dan met een voorstel en daarmee moet dan zowel het parlement als de ministerraad instemmen. Maar over sommige belangrijke terreinen, zoals gemeenschappelijk buitenlandbeleid en veiligheid, mag het parlement alleen een oordeel vellen. Dat mag de Raad vervolgens naast zich neerleggen.

Heeft onze Tweede Kamer dan niks meer te zeggen? Toch wel. Over veel zaken, zoals onderwijs, openbare orde, volksgezondheid, belastingen of regels voor sociale zekerheid gaan we zelf. Hoewel die vrijheid wel beperkt is, omdat regels moeten voldoen aan Europese voorwaarden. Zo hebben ook Polen die hier werken bij ontslag recht op WW. Momenteel ruziën we in Brussel over een voorstel over hoe lang andere EU-onderdanen die teruggaan naar hun land die uitkering mogen meenemen. Nu is dat drie maanden, dat worden er waarschijnlijk zes. Ook al is onze eigen Tweede Kamer daarop tegen.

Kan Nederland nog wel iets zelf bepalen?

Ov er heel veel dingen heeft onze Tweede Kamer gewoon het laatste woord. Maar naarmate we meer samenwerken met andere landen wordt de invloed van Brussel wel groter. Dat heeft twee oorzaken. Ten eerste vertrouwen de lidstaten elkaar niet altijd. Daardoor worden afspraken steeds gedetailleerder. Beslissingen over handel, douane en bescherming van visbestanden worden zelfs alleen nog op Europees niveau genomen.

Ten tweede neemt de invloed van de Tweede Kamer af doordat de EU steeds groter wordt. Ons parlement gaat immers niet over wat het Europarlement doet; het heeft alleen invloed op wat onze minister in de ministerraad stemt. Met 28 lidstaten heeft onze minister (en daarmee ook de Tweede Kamer) 3,4 procent stemgewicht. Alleen bij een beperkt aantal zaken hebben we een vetorecht, zoals bij het goedkeuren van de Europese begroting. Bij heel veel andere voorstellen kan een Nederlands ja of nee worden verworpen door een afgesproken meerderheid.

Waarom maakt de EU zich druk over kromme komkommers?

De komkommerregel staat nog steeds symbool voor Brusselse bemoeizucht. Per 10 centimeter komkommer mocht er maximaal 10 millimeter kromming zijn. Vooropgesteld: deze bureaucratische bepaling bestaat al jaren niet meer. ‘Te kromme’ komkommers mogen gewoon in de schappen. Hoe de regel tot stand kwam, geeft wel aan dat de waarheid soms een stuk genuanceerder ligt dan ze aanvankelijk lijkt. Eurosceptici – de Britse pers voorop – maakten zich jarenlang boos over de komkommerregel. Terecht. Maar de Europese bureaucratie was vóór invoering van die regel nog veel groter.

Alle landen hadden eigen regels voor wat er onder de naam komkommer mocht worden verkocht. Best lastig voor komkommertelers die hun waar in een ander land wilden afzetten. Dus wilden de lidstaten zelf een standaard afspreken zodat vrachtwagens met komkommers aan de grens niet hoefden te worden nagemeten. Zo bezien was de komkommerregel dus een verbetering. Toegegeven: Brussel kent inderdaad veel regeldrift. Veel Europarlementariërs en Europese ambtenaren hebben het gevoel dat Brussel het voortouw moet nemen, omdat de lidstaten het zelf niet kunnen. Maar net zo vaak komt de roep om een regel ook uit de lidstaten zelf.

Wat zijn de grote actuele thema’s?

Heeft u even? Dat is een hele rits. Zo zijn er de gevolgen van globalisering waartegen de EU een vuist wil maken. De vraag is alleen hoe. Zo weten multinationals door slimme constructies vaak onder het betalen van belasting uit te komen. Een oplossing kan zijn dat de EU een minimumtarief voor vennootschapsbelasting invoert. Maar belastingen zijn een zaak van de lidstaten. Willen zij die zeggenschap opgeven? Hetzelfde speelt met rechten voor werknemers. Om hun rechten te verstevigen, moeten er algemene voorwaarden worden opgelegd. Zoals met de ruzie over WW-rechten voor Oost-Europeanen die in Nederland hebben gewerkt. Dergelijke discussies zullen vaker terugkeren. De discussie over de landbouwsubsidies duurt voort: een kleine 40 procent van de EU-begroting gaat op aan subsidies aan boeren. Er liggen plannen om daar het mes in te zetten, maar dat ligt zeer gevoelig. En ook het klimaat zal terugkeren. Europa heeft zich gecommitteerd aan het fors terugdringen van de CO2-uitstoot. Maar houden de landen dat vol, nu in steeds meer lidstaten partijen opkomen die vraagtekens daarbij zetten?

Wat doet de EU tegen de vluchtelingenstroom?

Er was succes met het sluiten van de zogeheten Turkijedeal: een afspraak over het tegenhouden van migranten. Iets soortgelijks wil de EU doen met Noord-Afrikaanse landen. Minder succesvol zijn alle plannen voor een gezamenlijke grens- en kustwacht. Iedereen is daar voor, maar dan wel bij de buurman. Niemand wil dat Brussel bepaalt wat er in zijn eigen land gebeurt. Hetzelfde probleem hebben we met het verdelen van vluchtelingen. De meesten komen aan in Griekenland, Italië en Spanje. Afgesproken is de problemen van die landen te verlichten door de vluchtelingen eerlijk te verdelen over de EU. Maar een land als Tsjechië weigert mee te doen.

Hoe zit het met ‘nexit’?

Daa rvoor is niet heel veel steun. In de Tweede Kamer is alleen de PVV uitgesproken voor uittreding uit de EU. Forum voor Democratie is ook voorstander, maar zwakte het standpunt onlangs af: eerst moet de bevolking zich over een eventuele nexit uitspreken. Als dat zou gebeuren, lijkt zo’n Alleingang voor Nederland op weinig steun te kunnen rekenen. Volgens een recente peiling van de zogeheten Eurobarometer zou 86 procent van de stemmers bij zo’n referendum tegen uittreding van ons land uit de Europese Unie stemmen.

Overigens is dit onderzoek gedaan in opdracht van de Europese Commissie en is in die onderzoeken de steun voor Brussel altijd hoger dan in andere onderzoeken. Maar ook uit andere polls blijkt dat een nexit niet populair is. Nog even over de brexit: de Britten zijn nog niet weg. Vanwege het uitblijven van een vertrekscenario doen ze mee aan deze Europese verkiezingen, maar zo gauw ze het pand verlaten hebben, worden hun zetels verdeeld. Mogelijk krijgt Nederland er dan drie bij.

Is de grens met 28 leden bereikt?

Er zijn op dit moment vijf kandidaat-lidstaten van de EU: Albanië, Montenegro, Noord-Macedonië, Servië en Turkije. Zeker de toetreding van het laatste land is omstreden. Met de vier Balkanlanden ligt het anders. In Oost-Europa proberen regeringen de rest van de Unie warm te krijgen voor deze landen. Ook omdat ze bang zijn dat de regio anders onder invloed van Moskou komt. De huidige Commissie wilde de Balkanlanden een streefdatum voorstellen: toetreding in 2025, mits ze aan alle voorwaarden voldeden. Dat plan sneuvelde, mede onder druk van Nederland.

Uitbreiding is niet van de baan. Vorig jaar beloofden de regeringsleiders van de EU de Balkankandidaten dat ze ‘zicht zouden houden op toetreding’. Ook Bosnië en Herzegovina en zelfs Kosovo (hoewel nog niet formeel erkend door alle Europese landen) kloppen aan de Brusselse deur. Nederland is tegen uitbreiding. Maar Nederland bindt wel vaker in, zo waren we ook ooit tegen de kandidatuur van Albanië. Als een kandidaat voldoet aan alle voorwaarden, dan moet elke lidstaat afzonderlijk de toetreding goedkeuren. De Tweede Kamer kan dan nog nee zeggen.

Komen hier straks meer auto’s met buitenlandse nummerborden?

Zeker, veel Oost-Europeanen zullen naar ons land komen, komt omdat de lonen hier hoger liggen. Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt dat in 2017 180.000 Polen in Nederland een baan hadden. Daarnaast waren er ruim 23.000 Roemenen, bijna 13.000 Hongaren en ruim 12.000 Bulgaren. Zij doen hier vaak laagbetaalde arbeid, bijvoorbeeld in de tuinbouw.

Bijna 80 procent van deze Oost-Europese werknemers heeft een baan waarmee ze minder dan 15 euro per uur verdienen; veel meer dan thuis. Zo is het gemiddelde maandloon in Polen 1116 euro per maand. Dat ligt fors onder het minimumloon dat we in Nederland hebben: 1615 euro. Daarop hebben andere werknemers uit de EU ook recht. Hoewel veel inwoners uit toekomstige Balkanlidstaten eerder een baan zullen zoeken in een land in de buurt, zoals Italië, zullen velen afreizen naar Nederland. Schattingen zijn lastig te maken.

Wordt Nederland een deel van de ‘Verenigde staten van Europa’?

Ja, z eggen eurosceptici. Kijk naar alle plannen die de Franse president Macron ontvouwt over verdere samenwerking in de EU tot een Europees leger aan toe. Ja, zeggen ook voorstanders van dat idee. Zo heeft D66 gepleit voor zo’n verregaande federatie. Maar dat gaat nooit gebeuren, zeggen de meeste deskundigen. De EU zal nooit een superstaat worden waar alles wordt beslist in Brussel. Niet alleen omdat dat in de praktijk onuitvoerbaar is, maar bovenal omdat de lidstaten dat nooit zullen toestaan. De Europese samenwerking is een keuze van de lidstaten zelf. Die keuze hebben ze niet gemaakt omdat ze zichzelf willen opheffen. Wel omdat ze geloven dat ze door samenwerking sterker staan in een snel veranderende wereld. Ooit waren individuele Europese landen supermachten. Nu zijn ze stuk voor stuk kleine spelers in een wereld waarin de VS, Rusland en China de lakens uitdelen.

Eigenlijk is de samenwerking dus vooral een manier om als land het hoofd boven water te houden. Toch is de angst dat we steeds minder te zeggen krijgen niet onterecht. De samenwerking gaat immers steeds verder. En in Brussel zijn veel politici ook vaak wat Eurofieler dan hun collega’s in hun thuisland. Nederland is altijd tegen al te veel macht in Brussel geweest. Handel drijven: ja graag! Maar verder alleen samenwerken waar nodig. Onlangs stemde de Tweede Kamer daarom voor een motie waarin ze het kabinet opriep uit het Europees verdrag te schrappen dat we streven naar een ever closer union , een steeds inniger samenwerking.

De EU zorgt voor langdurige vrede in Europa. Klopt dat?

Samenwerking voorkomt een nieuwe oorlog tussen Duitsland en Frankrijk. Dat was in 1952 een van de redenen voor de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. Wie de geschiedenisboekjes erop naslaat ziet dat West-Europa inderdaad nooit zo’n lange aaneengesloten periode van vrede heeft gekend. Of dat zonder de Europese Unie ook zo zou zijn geweest valt niet te bewijzen. Met even veel recht kun je in dat verband wijzen naar de oprichting van de NAVO. Wel biedt de Europese Unie landen een instrument om meningsverschillen in de politieke arena uit te praten. Dat heeft er toe geleid dat het onderlinge wantrouwen is afgenomen.

Konden Duitsland en Frankrijk het in het begin bijvoorbeeld niet eens worden over samenwerking tussen beide legers, inmiddels werken ze samen en willen daarin zelfs verder gaan dan andere lidstaten. Sinds het Frans-Duitse vriendschapsverdrag in 1963 komen beide landen voor elke Eurotop samen om de problemen eerst met elkaar door te nemen. Dat heeft geleid tot verzoening tussen de twee grootste kemphanen uit de Europese geschiedenis.