Als een patient achteruit gaat en moet worden overgeplaatst naar de IC zie je hoe enorm de betrokkenheid is onder het verplegend personeel. Iedereen loopt met haar mee, als ze van de afdeling af gaat.

Strijd, compassie en onzekerheid bij het gevecht tegen corona in het Wilhelmina Ziekenhuis in Assen

Als een patient achteruit gaat en moet worden overgeplaatst naar de IC zie je hoe enorm de betrokkenheid is onder het verplegend personeel. Iedereen loopt met haar mee, als ze van de afdeling af gaat. Foto: Marcel Jurian de Jong

Verslaggever Bas van Sluis volgde een week lang het gevecht tegen het coronavirus in het Wilhelmina Ziekenhuis Assen. Een verhaal over strijd, compassie en onzekerheid tot het einde van de frontlijn.

Alles klappert op het bed. Zijn linkerhand. Zijn rechterhand. Het hoofd van meneer Kreeft schudt onophoudelijk. Hij lijkt zijn bovenlichaam geen moment onder controle te hebben.

Zijn buik gaat op en neer. En op en neer. Steeds sneller.

,,Ach, mijnheer toch. U trilt helemaal.” Meneer Kreeft zegt niks. Zijn ogen schieten van links naar rechts. Wat gebeurt er toch met hem? Hij is zo moe. Zo ongelooflijk moe. Zijn tenen tikken tegen het voeteneinde van het ziekenhuisbed. Mijnheer Kreeft hapt naar lucht, badend in het zweet. Het mag van hem wel over zijn.

De 81-jarige patiënt voert in kamer 12 van verpleegafdeling B1 in het Wilhelmina Ziekenhuis Assen (WZA) sinds twee dagen strijd tegen het coronavirus. Hij is aan het verliezen, zien de verpleegkundigen op B1. Maar ze leggen zich er niet bij neer.

Meneer Kreeft hapt naar adem. Verpleegkundige Majorie Wieringa (36) hurkt naast zijn bed. Met haar rechterduim, gestoken in een blauwe handschoen, wrijft ze over de bovenkant van zijn hand. ,,Het... lukt… me… niet…”, stamelt hij. Hij ziet tussen mondkap en haarnet alleen haar ogen.

***

,,Ze zijn nog niet van me af”, jubelt een man met Brabantse tongval vanachter zijn mondkapje, terwijl hij in een paarse rolstoel gaat zitten. Na elf dagen op de geïsoleerde verpleegafdeling B1 – ingericht als Covid-19-afdeling van het WZA – mag hij naar huis. Beter is de man nog zeker niet, maar goed genoeg om thuis aan te sterken.

Twee verpleegkundigen, een voedingsassistente en twee schoonmaaksters zwaaien hem uit. Breed glimlachend zien ze een blije man vertrekken. Van B1 komt niet alleen maar slecht nieuws, denkt Saskia Tijms, een 32-jarige verpleegkundige uit Hooghalen. Haar collega Iris Smit (27) uit Meeden steekt haar hand op voor de man. ,,Nog bedankt voor de brief”, zegt ze. ,,Jullie zijn de beste! Houdoe!”, roept de patiënt, terwijl hij richting de lift rolt.

Als de deur dicht is, ploffen de twee verpleegkundigen op een van de paarse banken, ieder tegen een armleuning. Heel even goed nieuws, met koffie en stilte. Dan weer door.

Handen wassen, blauwe beschermende jas aan, met zwarte viltstift de naam ter hoogte van de linkerborst schrijven, mondkapje voor, haarnetje op, de handen nogmaals desinfecteren en dan rubberen handschoenen aan.

Iedereen die de Covid-afdeling B1 op wil, voert dit ritueel uit.

Toen de coronacrisis de ziekenhuizen in het Noorden bereikte, twee weken geleden, werd hier in Assen nog wel een beetje gegiecheld om de beschermende pakken. Nu niet meer. De verpleegkundigen hebben sindsdien te veel gezien. De grilligheid van de ziekte. De onvoorspelbare afloop. En het gevecht dat elke patiënt onder hun ogen voert tegen een virus waar nog geen medicijn voor is. De onzekerheid.

Wat is het verschrikkelijk warm in zo’n pak, denkt de 22-jarige Sandra Nijmeijer uit Westerbork terwijl ze de naam van haar collega Annette Steen (25) uit Assen in zwarte letters op haar borst schrijft. ,,Klaar voor?”, vraagt Saskia Tijms. Haar collega’s knikken. Klaar voor.

,,Ik heb… zo’n hoofdpijn… Zo’n… hoofdpijn.” Meneer Kreeft uit Assen heeft een klein wit washandje op zijn hoofd. Hij heeft het zichtbaar benauwd. Verpleegkundige Tijms knikt naar hem. Ze blijft even op afstand staan, maar voelt de drang om zijn hand vast te pakken. Ze grijpt hem, volledig ingepakt, even bij zijn schouder en hoort hem zeggen dat hij misselijk is. Ze knijpt hem zachtjes. Haar collega Sandra ziet het en snapt het. Afstand bewaren of niet, een verpleegkundige wil verzorgen.

loading

***

Er liggen nu negen Covid-patiënten op de afdeling. Je kunt bij ze weglopen als ze goed lijken, maar 10 minuten later kan de situatie totaal anders zijn. Het is zo grillig, verzucht de 32-jarige Saskia. Vorige week lag de afdeling nog bijna vol. Drie patiënten moesten in de afgelopen twee dagen naar de intensive care (ic), twee andere patiënten overleden. Dat hakt er in bij het team, merkt de verpleegkundige.

Ze steekt de gang over naar de kamer tegenover die van meneer Kreeft, kamer 9, waar de 62-jarige Swannet Perquin uit Assen sinds twee dagen ligt. Perquin heeft te lang met klachten doorgelopen. Dacht dat het wel kon. Na elf dagen, toen ze thuis begon te ijlen, was het genoeg. Ze heeft een venturi-zuurstofmasker op haar gezicht. Dat geeft haar 15 liter zuurstof per minuut extra.

,,Hoe gaat het met u?”, vraagt Tijms.

Perquin kijkt op.

‘Saskia’, leest ze op het blauwe schort van de verpleegkundige.

Iets beter, zegt ze monter. Ze voelt zich eigenlijk wel heel goed. Saskia knikt. De saturatiemeter, die de hoeveelheid zuurstof in het bloed aangeeft, vertelt iets anders.

Saskia hoopt dat Perquin gauw verbetering laat zien, maar eigenlijk weet ze al hoe laat het is. Iedereen op B1 met een ‘venti-masker’ kwam tot dusverre op de intensive care terecht. Maar misschien zij niet, houdt Saskia zichzelf voor. ,,U krijgt nu 15 liter zuurstof hè. Dat is wel het maximale dat we kunnen geven, hoor.”

Perquin knikt.

Ziet ze er heel ziek uit? Corona bedriegt. Haar beide longen zijn aangetast, heeft de longarts haar verteld. Hoe komt ze hier weer uit? Niemand die het haar op dit moment kan zeggen. Die knagende onzekerheid. ,,Ik kom straks weer bij u kijken, oké?”

Ze steekt haar duim omhoog.

***

Ze is er emotioneel van. Verpleegkundige Maruja Reilman (30) heeft net de brief gelezen van de Brabantse patiënt, die een uur geleden is vertrokken. Hij schrijft hoe ‘keigoed’ hij de verpleegkundigen vond en dat ze altijd voor hem klaarstonden als hij weer eens kletsnat van het koortszweet wakker werd. Ze is blij voor hem. Weet hoe anders het had kunnen aflopen.

Maruja heeft de afgelopen twee weken pittige momenten meegemaakt op de afdeling. Heeft patiënten van het ene op het andere moment weg zien zakken.

Dit is een eng virus, niet te vergelijken met een ‘gewone longontsteking’. Besmette patiënten gebruiken amper de ‘hulpademhalingsspieren’ in hun nek. Alsof ze niet beseffen dat ze in ademnood verkeren. Stil zuurstoftekort, waarbij mensen blauw kunnen aanlopen, terwijl ze geen flauw idee hebben hoe slecht het met ze gaat. ,,Je ziet ook minder goed dat iemand ic-behoeftig is”, zegt Maruja.

Niet dat ze echt bang is voor zichzelf. Maar meer voor haar omgeving, zoals haar ouders die er in haar ogen toch wat nonchalant mee omgaan. Gewoon, omdat ze niet weten hoe erg het kan zijn. Hoe angstig de patiënten soms zijn door de ademnood. Het verdriet dat ze zo ver weg zijn van hun man of vrouw. Hun kinderen.

Haar collega Sandra Nijmeijer weet precies wat ze bedoelt. Oeh, wat was ze boos op haar eigen vader die toch even zijn buurman ging helpen met een schuurtje. ,,Hij denkt dat er alleen maar oude mensen bij ons op de afdeling liggen die toch al ziek zijn”, zegt ze met een boze ondertoon.

Niks is minder waar, weet het tweetal. Een kwart van de patiënten op B1 is flink jonger dan Sandra’s vader. Ze moet er niet aan denken.

Maruja tuurt door de gang. Het is 36 stappen van de sluisdeur tot de achterste kamer, vlakbij de nooduitgang. De brandtrap. Een paar dagen geleden stond daar opeens een man. Hij was van buitenaf de brandtrap van het ziekenhuis opgeklommen. En stond tegen alle regels in naar binnen te kijken. Onzeker. Wanhopig. Hij wilde zijn vrouw zien.

,,Dat snijdt door je ziel”, zegt Maruja.

***

Eindelijk mag ze weg. Haar blote benen bungelen over de rand van het ziekenhuisbed. Af en toe kucht ze nog een droge hoest, zoals je die met regelmaat hoort weerkaatsen op de gang van afdeling B1.

Edmee Jongkind (54) kijkt naar beneden, naar haar roodgelakte teennagels. Zo dicht bij de dood is ze nog nooit geweest, denkt ze. Het was eng. Het ene moment voelde ze zich goed, enkele uren later was ze niks meer waard.

Ze kijkt de gang op. Ziet Maruja lopen. En Sandra, Saskia. Ach, al die namen. Ze weet ze niet allemaal meer. Weet niet hoe ze er achter hun brillen en mondkapjes uitzien. Maar god, wat is ze die jonge meiden dankbaar.

Meiden die haar hielpen. Op de rand van haar bed gingen zitten in het midden van de nacht toen ze uit pure angst alleen maar kon janken. De troost boden die ze door haar ziekte van het thuisfront moest missen.

Even friemelt ze aan haar neus, waar dat zuurstofslangetje zat. Toen dat eruit moest, was dat het engste moment van haar leven. Elk moment van de dag zat ze er even aan. Zit het nog goed? Niet verschoven? Dat slangetje betekende leven. ,,Zo lang die zuurstof blijft stromen, blijf ik leven’’, zei ze door de telefoon tegen haar man.

Haar man. En haar zoon. Die ze eindelijk weer mag zien.

Even valt ze stil.

Nog een half uurtje. Dan mag ze, na acht dagen en nachten, weg van B1. En weer biggelen de tranen over haar wangen. Die verpleegkundigen, ze zijn haar allemaal even lief. En de schoonmakers. Schatten zijn het. Nooit te beroerd om een praatje te maken.

Maar och, wat is ze blij dat ze weg kan. Al mag ze haar man en zoon nog steeds niet aanraken. Zeker twee weken niet knuffelen, heeft de dokter gezegd.

Ze veegt een traan van haar wang. Een klein droog kuchje ontsnapt.

***

Het is half vier als de dagdienst erop zit. Vijf verpleegkundigen, drie medewerkers van de facilitaire dienst, inclusief de vrouw die het eten en drinken rondbrengt, zitten nog even in een kring. Een psycholoog schuift aan om de dag door te nemen.

De vrouwen willen net beginnen als Suzanne Kruizinga, lid van de Raad van Bestuur, binnen komt lopen. Ze heeft een blauw operatiepak aan, met daaroverheen een witte doktersjas. Hoe gaat het met iedereen, wil ze weten. ,,En hoe gaat het thuis? Míjn man wil eigenlijk dat ik in de logeerkamer ga slapen.”

Ze hoort de verhalen aan.

Saskia Tijms is samen met haar vriend een rondje over de akkers gaan rijden, op de tractor. Zinnen verzetten. Annette gaat elke dag even langs haar paard, vertelt ze.

Kruizinga knikt en kijkt de kring nog eens rond. Trots op haar mensen. Ze hoort verpleegkundigen vertellen over mensen die het niet hebben gered. Over hun eigen tranen, onzekerheid en schuldgevoelens. Heb ik alles wel goed gezien? Wat heb ik dan gemist? ,,Je weet wel dat je het goed hebt gedaan, maar toch vreet het aan je”, zegt een van de wat oudere verpleegkundigen. ,,Patiënten die binnen een minuut helemaal onderuit kunnen gaan.’’

Niemand zegt wat.

Kruizinga weet wat ze bedoelen. Toen ze zelf nog als spoedarts werkte kwam ze ook wel eens in situaties terecht dat er geen tijd was voor naasten om afscheid te nemen. ,,Maar dat waren uitzonderingen. Bij dit ziektebeeld is het de regel. Dat je alleen ligt, zonder familie. Alleen sterft. Het is zo wezenlijk anders.”

En dan: ,,Hangt de gang van B1 al vol met kaarten trouwens? Ja echt?”

,,Het is geweldig”, zegt Saskia Tijms. ,,De patiënten zijn er heel blij mee. Die zijn trouwens sowieso blij met alles: met ons, het eten, de schoonmaak. Dat doet gewoon goed.”

Kruizinga knikt.

,,Dat zijn de dingen die ons op de been houden toch?”

***

Met zijn gezicht op onweer komt Theodoor Vijfschaft uit de sluis van B1 gestiefeld. De 27-jarige verpleegkundige uit Peize kwakt twee boterhammen op de eettafel van de rustruimte. ,,Hier word ik zo chagrijnig van”, zegt hij tegen niemand in het bijzonder. Hij is een van de vier verpleegkundigen van de avonddienst en heeft in no time twee patiënten achteruit zien gaan.

Op de verpleegafdeling loopt de 44-jarige Erna Ploeger kamer 11 binnen. Een kamer voor vier personen. Alleen Daan van der Meulen ligt er. ,,Hoi, ik ben Erna en ik ben vanavond de verpleegkundige.”

Van der Meulen is een stevig gespierde vent van 45, maar ligt er verloren bij. Zijn imposante borstkas gaat hevig op en neer en hij baadt in het zweet: 41,2 graden koorts. ,,Zal ik uw moeder zo even bellen”, vraagt Ploeger terwijl ze naar zijn kaart kijkt. Het is een vrijwel onbeschreven blad, geen ziektegeschiedenis. Even schrikt ze. Daan van der Meulen is niet veel ouder dan zijzelf. ,,Ik begrijp dat ze wat ongerust is over u.”

Daan knikt. ,,Graag”, stoot hij uit.

Het is 18.40 uur als Ploeger en Vijfschaft samen kamer 12 binnenlopen. Henk Kreeft worstelt nog steeds. Het washandje ligt nog op zijn hoofd en zijn situatie wordt schrijnender. Hij kijkt naar beide verpleegkundigen. Wanhopig. Machteloos. Zijn handen trillen nog steeds. Hij fluistert. ,,Dit… houd ik niet… lang… meer… vol…”.

Vijfschaft belt met de longarts. ,,Hij mag drie liter zuurstof.”

Ploeger drukt een slangetje in de neus van meneer Kreeft en draait aan een knop. Ze weet dat zijn lijf de strijd tegen corona hier, op afdeling B1, moet winnen. Meneer Kreeft wordt níet meer naar de intensive care gebracht, mocht zijn toestand verder verslechteren. Hij heeft een onderliggende aandoening. ,,Zal ik straks even uw dochter bellen”, vraagt Ploeger.

Meneer Kreeft knikt.

loading

***

Theodoor Vijfschaft schudt zijn hoofd als hij hoort wat de saturatie is van Swannet Perquin. Ze zit er kwiek bij, maar haar zuurstofgehalte vertelt iets anders. Een normaal mens heeft een saturatie tussen de 95 en 100 procent. Met hulp van een zuurstofmasker komt Perquin niet hoger dan 92 procent.

Dit komt niet goed, denkt Vijfschaft. Voor het einde van zijn avonddienst zal hij waarschijnlijk de longarts moeten bellen voor een plek op de intensive care. Het is zijn tweede week op B1. Hij heeft zich er speciaal voor opgegeven. ,,Dat doe je gewoon.’’ Het is een roeping. Een soldaat rent niet weg, wanneer het vuurgevecht begint.

***

,,De techniek laat ons in de steek, meneer. Dat gebeurt eigenlijk nooit”, zegt verpleegkundige Majorie Wieringa (36) uit Zuidlaren verontschuldigend tegen Henk Kreeft, de 81-jarige patiënt uit Assen.

Het is donderdagochtend. Het ecg-apparaat, om een hartfilmpje te maken, laat het afweten. Haar ranke vingers in blauwe handschoenen pakken zijn onderbeen even vast. ,,Het is wat, hè. Hoe gaat het met uw vrouw?”

Kreeft kreunt wat. Hij is nog steeds moe. Heeft weer niet geslapen. Bang om zijn ogen dicht te doen. Wat als het voorgoed is?

Over de gang lopen de voedingsassistent en een van de schoonmaaksters rond met het ontbijt en een kopje koffie en thee. ,,Ach, die arme man”, klinkt het. ,,Zijn vrouw lag hier ook al.”

Was ik maar nooit naar Amsterdam gegaan, denkt Daan van der Meulen, in de kamer naast meneer Kreeft. Hij was er voor zijn werk. Pakte ergens heel even een trapleuning vast en friemelde aan zijn neus. Heel even maar.

Verdomme.

Hij heeft de kracht niet om uit bed te komen. ,,Ik heb vannacht alweer niet geslapen”, zegt hij moeizaam. Stevig gespierd, 45 jaar, nog nooit een dag in het ziekenhuis gelegen. En nu ligt ie volledig gesloopt op B1 in het WZA.

Het is iets voor elf uur.

Net als Kreeft is Van der Meulen eigenlijk te bang om zijn ogen dicht te doen. En als hij dan eindelijk die angst heeft overwonnen, wordt hem de zuurstof ontnomen door Covid-19. Hoest hij de hele nacht door. ,,Ik hoop op een slaapmiddel”, zegt hij tegen Majorie, die aan zijn bed staat. ,,Of tenminste iets om meer te ontspannen.”

Zij knikt. Gaat overleggen met de longarts.

Majorie Wieringa, ervaren longverpleegkundige, vertrouwt het niet. Na drie dagen op B1, vertoont Van der Meulen amper vooruitgang. Zijn koorts baart haar zorgen. Op kamers 12, 9 en 11 zijn de patiënten Henk Kreeft, Swannet Perquin en Daan van der Meulen niet helemaal fris, kreeg ze vanochtend tijdens de overdracht te horen.

Terwijl ze over de gang terugloopt naar de balie klinkt gehoest. Eigenlijk klinkt continu gehoest. Maar ze merkt het bijna niet meer op. Vandaag is het rustiger dan dat het de afgelopen twee weken is geweest, denkt ze.

Ze werkt al twaalf jaar op de longafdeling van het WZA, maar dit waren weken waarin ze dingen zag die ze nooit eerder heeft gezien. Mensen die volledig door draaiden. Een man die uit pure wanhoop en ademnood alle infusen uit zijn lijf trok. Overal lag bloed.

***

Na het overleg met de longarts loopt ze kamer 11 weer op.

De patiënt ligt rillend op zijn bed.

,,Daan? Daan?”

Hij kijkt hij op.

,,We gaan je toch een venti-masker geven. Dan krijg je iets beter en meer zuurstof. Oké?” Van der Meulen zegt niks en sluit zijn ogen. Dat Majorie hem nog even over zijn arm wrijft, ontgaat hem.

Nog geen half uur later zit Majorie op het werkblad van de balie. Ze legt haar hand op de pols van een jonge collega. Die heeft geprobeerd zich groot te houden, maar zit hevig snikkend op een bureaustoel. Ze heeft net de moeder van Van der Meulen gebeld.

‘Wil je tegen mijn zoon zeggen dat ik aan hem denk. Dat ik hem mis’. De tranen blijven komen. Iedereen breekt een keer, weet Wieringa inmiddels terwijl ze bij haar collega zit. ,,Jij bent verpleegkundige, maar je bent ook een mens, hè”, zegt ze, terwijl collega Maruja er bij komt staan, de huilende collega bij de schouder pakt en over haar rug wrijft.

,,Weet je wat jij doet? Je gaat even naar buiten. Even tot rust komen.”

Terwijl de jonge collega de afdeling afloopt, wandelt Majorie terug naar kamer 11. Ze hurkt tot op ooghoogte van Van der Meulen en vertelt hem dat zijn moeder is gebeld. ,,We hebben haar alles uitgelegd en we moeten u laten weten dat ze veel aan u denkt en van u houdt.”

Van der Meulen knikt.

Zijn buik gaat op en neer. Steeds sneller. Adem condenseert in zijn venti-masker.

***

Bertha Vianen kan een glimlach niet onderdrukken wanneer ze de twee kantjes leest van de Brabantse patiënt die jubelend vertrok. Zijn brief is een van de vele dank- en steunbetuigingen die de mensen op afdeling B1 hebben gekregen. Aan de lange muren van de gang hangen 1538 kaartjes. Van kinderen van patiënten. Van andere familieleden. En van volwassenen die de patiënten helemaal niet kennen. ‘Beste medemens’ of ‘Lieve onbekende’ staat er op.

Vianen (62) is al 33 jaar werkzaam als schoonmaakster bij het WZA. Al die wensen doen haar goed. Om zelf wat vreugde te brengen draagt ze iedere dag felgekleurde sokken. Vandaag felroze.

Ze weet dat sommige mensen zich schamen voor het schoonmaakwerk dat ze doen. Zeggen dat ze bij facilitair werken. Zij niet. Wat ze doet, vindt ze mooi. Ze maakt schoon. En schoon is belangrijk. Zeker op afdeling B1.

Af en toe kijkt ze naar de kaartjes en moet dan even slikken. Schoonmaak wordt maar zelden genoemd. Ze ligt er niet wakker van, maar ach. Een beetje waardering van de buitenwereld zou geen kwaad kunnen.

Ze vindt het mooi om te zien dat in het hele ziekenhuis mensen de schouders eronder zetten om de crisis te bezweren. Ze ziet jonge meiden op B1 lopen die normaal gesproken op een andere afdeling werken. Een maand geleden hadden die nog gesteigerd als ze te horen hadden gekregen dat ze een dienst moesten draaien op deze afdeling. Maar nu? Nee hoor, eilandjes zijn bijeengedreven op de golven van corona. Zo komt er iets goeds uit deze ellende, denkt Vianen.

***

Het is donderdagmiddag, vijf minuten over drie. Majorie belt met de dienstdoende longarts. Een uur geleden was ze nog bij Daan van der Meulen om te vertellen dat zijn moeder aan hem denkt. Ineens is hij ingezakt. De hoeveelheid extra zuurstof die hij krijgt, is in korte tijd opgeschroefd van 5 naar 15 liter.

Ze weet hoe laat het is. Loopt naar de voorraadkast met cilinderflessen. Die worden aan het bed gehangen zodat de patiënt ook zuurstof heeft op weg naar de intensive care. 6 minuten later gaat de telefoon weer.

,,Met Majorie.”

Het gesprek duurt nog geen 30 seconden.

,,Ik snap het. We maken hem klaar.”

Ze hangt op en buigt even het hoofd.

Een half uur later pleegt Van der Meulen een telefoontje naar zijn kinderen. Majorie hoort hem vertellen dat hij naar de ic moet. Ze hoort de kinderen huilen. Ze kijkt naar haar jonge collega en ziet de nieuwe tranen bij haar. Van der Meulen moet drie tot vier weken op de ic liggen. In coma. Maar dit zou ook zomaar het laatste telefoontje naar zijn kinderen kunnen zijn geweest.

Om twee minuten voor vier duwen ze de 45-jarige Van der Meulen, in zijn bed, naar de ic. Hun dienst is al afgelopen, maar dit willen ze nog doen. Dit moeten ze doen.

Op de intensive care lopen mannen en vrouwen in blauwe pakken als mieren over de afdeling. Gesproken wordt er amper. Iedereen heeft een taak en voert die uit.

De nieuwe patiënt wordt naar achteren gereden. Van der Meulen wordt dadelijk, net als de andere mannen en vrouwen die hier liggen, aangesloten op meerdere infuuspompen en een beademingsapparaat. Hij krijgt net zo’n slang in zijn mond.

,,Hé Majorie. Nu zie ik het pas.”

Een wat oudere ic-verpleegkundige stapt op Majorie af.

,,Druk bij jullie op B1?”

,,Nee, we brengen ze allemaal hier naar toe. Ligt meneer Betering hier nog?”

Haar eerste Covid-patiënt die ze naar de ic bracht. Hij lag ook op kamer 11, net als Van der Meulen. Ze stond naast zijn bed toen hij zijn vrouw en dochter belde. Net als Daan van der Meulen via de luidspreker. Ook misschien voor het laatst. Ze weet nog hoe zij toen moest vechten tegen de tranen. Ze zag hoe de drie kamergenoten van Betering snikkend en naar adem happend in hun eigen bed lagen. Ze zag de angst in hun ogen. Beseffend: straks ben ik de volgende.

,,Mijn eerste. Daar heb ik veel last van gehad”, fluistert ze.

De man knikt. Betering ligt er nog.

,,Verdaanje is trouwens stabiel. Dat is hier al heel wat.” Haar tweede.

,,En Tuurpstra?” Haar derde.

,,Dat gaat niet zo goed.”

Even houdt de man zijn adem in. ,,Net weer een naar de ic gebracht? Tja jongens, het is wat.”

Als Majorie terugloopt naar de uitgang ziet ze meneer Betering liggen. Slang uit zijn mond, zijn buik gaat op en neer door het beademingsapparaat dat met kracht de zuurstof zijn longen inpompt.

,,Ach”, zegt ze verschrikt. Ze bijt even op haar onderlip en loopt door.

loading

***

,,Oranje dit keer, Bertha?”, zegt Majorie de volgende ochtend, kijkend naar de felgekleurde sokken van de schoonmaakster.

De verpleegkundigen waarderen Bertha Vianen en haar collega’s enorm. Vianen is een bindmiddel op de afdeling. Niet eens vanwege haar sokken. Wanneer het rustig is, zoals nu, gaat ze niet op haar gat zitten. Maar loopt ze even een kamer in. Om te babbelen met een Covid-19-patiënt. Waardevol, denkt Majorie, die zelf naar kamer 9 loopt. De kamer van Swannet Perquin.

,,Het gaat een stuk beter, mevrouw. U ziet er goed uit.”

De longarts staat naast Majorie aan het hoofd van het bed. De patiënt zit er monter bij. Perquin krijgt pure zuurstof toegediend via een masker dat geen andere luchtstromen doorlaat. Het laatste middel op afdeling B1.

,,Ik voel me ook... wel... beter dan gisteren.”

Gisteren voelde het alsof ze ademhaalde door een rietje. Amechtig.

Ze heeft haar eigen kussen gekregen. Haar kussen van thuis. De afdeling Infectiepreventie vond dat prima. En een goed idee. Ze ligt beter in haar bed. De longarts knikt naar de 62-jarige vrouw. ,,Ja, het ziet er goed uit.’’

Aan de andere kant van de hal treft Majorie in kamer 12 Henk Kreeft rechtop zittend aan een tafeltje. Hij leest een misdaadthriller van Scott Turow. Dat hij hier zo zit, had hij maandag niet gedacht. Zijn overlevingskansen leken zo klein aan het begin van de week. Af en toe hapt meneer Kreeft nog even naar adem, maar hij voelt zich stukken beter.

,,Met Majorie.” Even valt het stil.

,,Dat meen je niet... Echt? Dan kachelt ze in. Ja. Ik licht mevrouw direct in.”

De 36-jarige verpleegkundige snelt terug naar kamer 9. Ze schuift een stoel naast het bed van Swannet Perquin en vertelt haar wat ze zojuist van de longarts heeft gehoord. Uit de analyse van de bloedgassen blijkt dat het met de patiënt slechter gaat dan ze zich voelt.

,,We gaan zo weg. Wilt u nog even met uw man bellen?”

Zachtjes schuift ze de stoel achteruit en toetst het telefoonnummer in. Op een normale manier bellen met een zuurstofmasker kost te veel moeite. De telefoon gaat op de luidspreker.

,,Ik bel je nog even. Je hoeft je niet druk te maken, hoor. Ik ben er over een paar dagen weer.”

Majorie bijt op haar onderlip, maar houdt zich stil. Ze weet beter. Perquin zal zeker drie weken onder zeil gaan en aan de beademing komen. Misschien komt ze nooit meer thuis. Ze hoort zeggen dat de familie Perquin al op de parkeerplaats naast het ziekenhuis staat.

,,Ik kom er aan”, klinkt het wanhopig. ,,Ik kom er aan.”

,,Maar lieverd. Je kunt hier niet komen. Ik ga nu naar de ic. Weet dat ik veel van jullie hou.” Het gehuil van de andere kant galmt door de kamer, door de gang.

,,Ik ook van jou. Ik ook van jou.’’

Bertha Vianen staat op de gang, met haar bezem. Ze houdt even stil en moet flink slikken. Ze denkt aan de gesprekjes die ze gisteren nog voerde met Perquin, die maar twee dagen ouder is dan zij.

Majorie loopt de kamer uit. Ze gaat een cilindervormige zuurstoffles halen. Als Swannet Perquin van de afdeling gaat, richting de ic, staan Vianen en twee verpleegkundigen bij de sluisdeur op haar te wachten. Ze fluisteren haar nog succes en sterkte toe en blijven bij het raam staan als Perquin door de sluis gaat. Niemand zegt wat.

Een uur nadat Majorie haar ‘vijfde patiënt’ naar de ic heeft gebracht, vindt ze bij de balie twee oranje bakjes met elk twaalf bonbons van Asser banketbakkerij Gosselaar. Voor de verpleging. Voor de schoonmakers. Voor alle medewerkers.

Van meneer Perquin.

***

,,Wij zijn helden? Nu zijn we helden?” Suzanne Kruizinga lijkt zichzelf wat op te blazen. Het is even voor het middaguur. De dagelijkse vergadering van het Crisis Beleidsteam (CBT) van het WZA staat op het punt van beginnen. Kruizinga maakt zich boos over de manier waarop de politiek in Den Haag sinds een paar weken over de zorg praat.

,,Wij zijn helden nu het dichtbij komt. Nu ze zelf de gevolgen in hun omgeving ondervinden. Nu vinden ze de verpleging opeens belangrijk. En het aantal ic-bedden. Maar waar waren ze een paar jaar geleden? Toen de geldkraan alsmaar dichter werd gedraaid?”

Ze laat een stilte vallen.

Niemand aan de grote ovalen tafel zegt iets.

,,Ze waren nergens... Helden…”

Tijd voor breedsprakigheid is er niet in het crisisteam. In het komende uur worden veertig punten afgetikt. ,,We zijn 2 minuten over de tijd heen gegaan’’, zal Kruizinga straks zeggen.

In de vensterbank van de vergaderruimte staat een wit kistje met een rood bordje op de bovenkant. In het kistje liggen een handbijl en een kluwen touw. Lastig besluit, knoop doorhakken, staat op het bordje. Kruizinga draait er niet omheen. ,,De discussie die wij nog meer moeten voeren is: aan wie geven we nou die ic-bedden? Artsen met niet Covid-patiënten beginnen zich te roeren in appgroepen: jongens, mijn patiënten gaan dood. En daar wordt landelijk niet over gesproken. Je ziet dat daar een taboe op rust.”

Het WZA heeft in no-time een verdubbeling van de ic-capaciteit voor elkaar gekregen. Een wereldprestatie, zegt Kruizinga. De reguliere zorg is waar mogelijk afgeschaald. Maar nu? Wie krijgen de bedden? De Covidcurve is een beetje afgebogen. Minder patiënten tegelijk. Maar ze komen nog wel, zo is de verwachting. Ze heeft net nog gehoord van B1 dat er een 62-jarige vrouw naar de ic is gebracht. En deze mensen liggen er niet een paar dagen, maar bijna een maand, zo is de verwachting.

,,Daarna krijgen we een enorme terugslag van onze medewerkers”, schetst Kruizinga de nabije toekomst. ,,En ons ziekteverzuim gaat toenemen. Dan krijgen we een medicijn-crisis daar bovenop, want de productie ligt stil. En dan krijgen we misschien over een jaar of twee ook nog de financiële consequenties van alles wat hier nu gebeurt, met de wetenschap dat er toch weer geknepen wordt op de uitgaven.’’

Een van de leden van het CBT, revalidatiearts John van Loenen, stelt voor om duidelijkheid te scheppen. Een vast aantal ic-bedden voor Covidpatiënten en een vast aantal bedden voor andere patiënten die naar de intensive care moeten. ,,Als je dat niet doet, blijf je continu de discussie houden: wie gaat voor? In een niet-Covid-situatie hebben we ook een bepaalde capaciteit op de ic en zeg je ook: vol is vol.”

Het moeilijke is dat je aantallen moet kiezen, zegt een collega. Op welke verdeling van bedden leg je je vast? Van Loenen: ,,Het gevaar dreigt dat als je alle bedden aan Covidpatiënten geeft, dat de ic-afdeling een maand lang vol ligt en dat andere patiënten doodgaan.”

Kruizinga, strak: ,,Dat gebeurt vandaag de dag al. Mensen worden niet meer wakker, omdat ze niet gebeld hebben voor pijn op de borst.”

Bij het WZA hebben ze de spoedgevallen en semi-spoedgevallen in de afgelopen weken zien teruglopen ten opzichte van wat normaal is in het ziekenhuis. Kruizinga wil actie. Zeker nadat een andere arts heeft benadrukt dat hij ‘schrikt van hoe ver de mogelijkheden van de ic-afdeling moeten worden opgerekt’. ,,Echt, dat griezelt mij toe, wat we daar aan het doen zijn.” Hij vindt een stapje terug bijna onvermijdelijk, om uiteindelijk meer mensen te kunnen redden. Vanuit de apotheek horen ze dat op dit moment nog maar voor twee weken beschermende kleding aanwezig is.

Kruizinga stelt voor om een team van artsen uit te laten werken hoe de capaciteit van de intensive care moet worden benut om er optimaal gebruik van te kunnen maken. Want, benadrukt ze nog een keer: ,,Wij zitten in fase rood, waarin we concessies doen aan onze kwaliteit van zorg. Dit zijn gewoon… onmenselijke vraagstukken.’’

De staf stemt in met haar voorstel.

,,En dan’’, vervolgt ze. ,,Wil ik het even hebben over de toename van onrust bij onze medewerkers. Waardoor ontstaat die en hoe kunnen wij die wegnemen?’’

loading

***

De 44-jarige Servet Duran loopt in rustige pas zijn dagelijkse ritueel tegemoet. Hij trekt zijn Nikes uit, hangt zijn Adidas-trainingsbroek op en stapt in een blauwe operatiejas en -broek en schuift zijn voeten in oranje klompen. Hij wrijft over zijn stoppelbaard van twee dagen en desinfecteert zijn handen. Schort, haarnetje, spatbril. Klaar om de ic op te gaan.

De zogenoemde ‘vieze ic’, daar waar Covidpatiënten liggen, is op de eerste dag van het weekeinde nagenoeg vol, weten Duran en zijn collega Harald Faber. Beiden internist-intensivist op de intensive care van het WZA.

Swannet Perquin is gisteren wegens ruimtegebrek in Assen vrij snel naar het UMCG verplaatst. In Assen gelukkig geen Italiaanse of Brabantse toestanden. Het Noorden lijkt het minst ‘getroffen’. Duran heeft het de laatste tijd wel vaker gedacht: het had net zo goed tijdens de TT-week kunnen gebeuren. Tienduizenden motorsportliefhebbers uit het hele land, uit heel Europa, bij elkaar in Assen.

Sinds het begin van de crisis doen hij en Faber eigenlijk niets anders dan werken. Constant aanwezig zijn. Constant overleggen met het UMCG. Daar wordt vastgesteld hoeveel ic-patiënten er zijn in Drenthe, Groningen en Friesland. En welke patiënt waar moet liggen. ,,We hebben hem weer op zijn buik gedraaid”, hoort Duran zijn collega zeggen. Hij weet dat dit niet oneindig door kan gaan. ,,Gefeliciteerd trouwens met je vaste aanstelling.” Duran glimlacht heel even. Hij heeft drie dagen geleden zijn handtekening gezet.

Zeven van de acht ic-plaatsen zijn bezet. Alle patiënten hebben een slang in hun mond. Alle patiënten worden in slaap gehouden. Om lijf en longen rust te geven.

Hoewel. Het buisje gaat direct de luchtpijp in waar 100 procent zuivere zuurstof onder hoge druk wordt ingeblazen. Om de longblaasjes zo goed als mogelijk is maar open te houden. Alsof je met 100 kilometer per uur zonder helm en met de mond open op een motor rijdt. Een wakkere patiënt die onder deze druk zuurstof krijgt, houdt het nog geen uur vol, weet Duran. Wat er precies gebeurt in de longen van coronapatiënten is onduidelijk.

Hij staat stil bij een van de patiënten. De man over wie zijn collega het net had.

Duran checkt de infuusnaald die onder zijn sleutelbeen is aangebracht. Als in het ergste geval harde keuzes moeten worden gemaakt, als er te weinig ic-capaciteit is, moet deze man van de beademing af worden gehaald. Om plaats te maken voor iemand die meer kansen heeft.

Duran wil er niet aan denken. Hij is dokter. En hij is mens.

De man is al heel vaak op zijn buik gedraaid, wat van tijd tot tijd nou eenmaal moet gebeuren. Een deel van de longblaasjes gaat daardoor beter open. Ook loopt het opgehoopte slijm zo makkelijker weg. Maar draaien kan niet eindeloos en is een precaire handeling waar vaak wel zes verpleegkundigen voor nodig zijn.

‘Reguliere’ patiënten liggen in Assen doorgaans maar een paar dagen op de intensive care. De Covid-patiënten gemiddeld 23 dagen. Bij allen is het lichaam afgemat. De longen te zwak om nog zelf te kunnen ademen. Machines regelen hier de ademhaling. De slangen maken een pompend en zuigend geluid. Af en toe piept een apparaat. Aan het einde van de frontlijn heerst een welhaast onwezenlijke stilte. Niemand komt hier ongeschonden vandaan. Patiënten niet. Verpleegkundigen niet. Artsen niet.

Duran en zijn collega’s willen helpen. Dat is hun roeping. Maar soms is het menselijker om niet te beademen. Of helemaal te stoppen met de behandeling. Hun onzichtbare vijand ontneemt familie de mogelijkheid om nog afscheid te nemen. Mensen sterven alleen op de ic en overleden Covid-patiënten moeten volgens voorschriften in een witte zak naar buiten.

Duran wordt razend als hij hoort dat jonge mensen tegen alle adviezen in hun feestjes vieren. Schijt-aan-coronafeestjes. ,,Dan heb je het echt niet begrepen. En ik mag straks de slang uit de mond trekken van hun vader of moeder. Of opa of oma.”

Het beeldscherm naast de erg vaak gedraaide patiënt laat twee blauw gekleurde longen zien. Bij elke ademteug worden ze groter. En weer kleiner. En weer groter.

Duran groet verpleegkundige Eddy Hollander (47) uit Foxhol. Die maakt zich, net als iedereen hier, zorgen over de collega die sinds een dag thuis zit. Dat ook hij besmet is met het coronavirus is ingeslagen als een bom. Hollander zijn vrouw is ongerust. Hijzelf niet zo, want hij voelt zich goed beschermd hier in het ziekenhuis. Maar hij begrijpt de angst buiten deze muren wel.

Duran knikt.

Hun collega kon plotseling niks meer ruiken. Typisch iets dat wijst op besmetting.

Er is plek voor maximaal twaalf patiënten op de ‘vieze ic’. Zelfs de oude koffiekamer is omgetoverd tot ic-plek. Nederland telt per 100.000 inwoners 6, net geen 7, ic-bedden. Drenthe, Groningen en Friesland hebben in Duitsland de beschikking over 12 extra ic-bedden. Aan de andere kant van de grens zijn 34 ic-bedden voor elke 100.000 inwoners.

Een kwestie van jarenlang bezuinigen, zucht Duran. Komen ze in Assen het weekeinde door? De komende weken? Krijgen ze voldoende materiaal? Blijft het personeel gezond?

***

Maandagochtend. In het Crisis Beleidsteam klinkt een iets ander geluid dan voor het weekeinde. Optimistischer. Er wordt zelfs wat gelachen. Suzanne Kruizinga laat de touwtjes wat vieren. De crisis is nog lang niet voorbij, maar het scenario waarin er meer ic-patiënten komen dan er bedden zijn, kan in de kast. Voorlopig althans.

Op afdeling B1 is het rustig. Van de negen patiënten van afgelopen week is niemand meer hier. Twee, onder wie Daan van der Meulen liggen nu op de intensive care. Zeven Covid-positieve mensen zijn naar huis. Maar inmiddels liggen er twee nieuwe mensen, weet verpleegkundige Saskia Tijms.

Haar collega Mariët Nijwening uit Westerbork kijkt naar het enorme kleurenpalet aan kaartjes aan de muur. Af en toe denkt ze aan de mensen die zomaar een kaartje sturen aan een onbekende. Misschien zijn die inmiddels zelf wel besmet. Een rare gedachte om zomaar in het hoofd te hebben, vindt ze zelf.

Ze leunt achterover in haar stoel.

,,Zal het stilte voor de storm zijn?”, vraagt ze aan Saskia.

Die haalt haar schouders op. ,,Laten we hopen van niet.”

Mariët was een van de eerste WZA-verpleegkundigen die een coronadienst draaide. Ruim twee weken geleden. Het lijkt een eeuwigheid. Het is kwart over elf in de ochtend, zo rustig heeft ze het nog niet gehad. ,,Och, die meneer is net overleden”, hoort ze ineens een collega zeggen. ,,Wat verdrietig. Zo oud was hij ook nog niet. Hij had de leeftijd van mijn moeder. Verdrietig hoor.”

Mariët heeft de man nog binnen zien komen. Hij moest al vrij snel naar A1 worden gebracht, de palliatieve afdeling. Code-C: niet goed genoeg voor de intensive care. Ze denkt aan Henk Kreeft in kamer 12.

,,Hoe gaat het met hem, eigenlijk?”, vraagt Mariët aan Saskia.

Het mondkapje van Saskia beweegt. Haar ogen knijpen samen. Ze stralen. ,,Die is zondag naar huis gegaan.”

Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 4,99 per maand. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct