'Jongelui moeten weten wat het waard is om vrij te zijn'

Willemijn Petroff-van Gurp (97) is een van de laatste overlevenden van de concentratiekampen Dachau en Ravensbrück. Een psalmenboekje, kameraadschap en haar onverzettelijkheid sleepten de ex-verzetsvrouw door de oorlogsjaren heen. ,,Door hard werken vergat ik mijn pijn en verdriet.’’

Het Nationaal Dachau Monument in het Amsterdamse Bos is voor Willemijn Petroff-Van Gurp (7 november 1918) een plek van herinnering en bezinning. Als ze bij de jaarlijkse herdenking door een haag van taxusbomen over het pad van Belgisch blauwsteen loopt, draagt ze een dierbare in gedachten met zich mee.

,,De herdenking is altijd heel emotioneel. Ik zie de gezichten van vrienden en vriendinnen die in de oorlog zijn overleden voor me. En ik denk aan de soldaten die hun leven voor onze vrijheid hebben gegeven. Als The Last Post klinkt, komen de tranen.’’

Petroff is een van de laatste Nederlandse overlevenden van concentratiekamp Dachau die het nog kan navertellen. Lange tijd sprak ze niet over haar oorlogsverleden.

,,Ik kón het niet en wílde het niet. De oorlog was een steen in mijn hart. Tot een journalist van de lokale televisie in Baarn tegen me zei: je moet je verhaal kwijt. Straks ben je er niet meer. Daarna was ik door een barrière heen.’’

Haar verhaal is nu een levend document. Mede dankzij twee vwo-scholieren die haar oorlogsverhaal optekenden voor het herinneringsboek ‘Geen nummers maar namen’. ,,Jongelui moeten weten wat het waard is om vrij te zijn en voor je principes uit te komen.’’

Petroff woont sinds een aantal maanden in een zorgcentrum in ‘Hoog Baarn’. Ze laat trots haar uitzicht op de monumentale villa’s en groen zien. Geregeld schuifelt ze met haar rollator een rondje om de rustieke Wilhelminavijver.

Het zorgcentrum is meestal het laatste station op weg naar de eeuwigheid, zegt ze glimlachend, als buiten een lijkwagen vertrekt met een overleden medebewoner.

Het lichaam van Petroff wil misschien niet meer zo (versleten heup) maar de geest is nog scherp.

,,Kijk wat er nu gebeurt in de wereld. We hebben niets geleerd van het verleden. Toen in Baarn vluchtelingen in een sporthal werden opgevangen, stonden er mensen buiten te schreeuwen. Verschrikkelijk. We hebben allemaal recht om te leven en met respect behandeld te worden.’’

Met haar verhaal wil ze jongeren wijzen op het gevaar van dictatuur en discriminatie, en op het belang van vrijheid van meningsuiting. Dat was in de Tweede Wereldoorlog haar drijfveer om zich aan te sluiten bij het verzet.

,,Ik kan niet tegen onrecht. Als op basis van zwarte of blonde krullen gezegd wordt dat iemand anders is, kom ik op voor de underdog. Ik weet hoe het is om vogelvrij te zijn, en hoe het is als je niet vrijuit kunt praten. Dat is een heel naar gevoel.’’

Petroff ontvluchtte in de oorlog als 24-jarige de strenge opvoeding in een gereformeerd gezin en ging op kamers wonen in Den Haag. Haar buurjongen was Joods en gebruikte een schuilnaam.

,,Toen hij hoorde dat zijn ouders waren opgepakt, heeft hij zich vrijwillig bij de Duitsers gemeld. Hij zei: ik ga niet vluchten. Als mijn ouders zijn opgepakt, ga ik ook. Ik vind het jammer dat ik nooit zijn echte naam heb geweten. Ik kan niet nagaan hoe het hem vergaan is.’’

Bij het verzet was Petroff koerierster voor de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) en de Landelijke Knokploegen (LKP). Ze bezorgde bonkaarten, vervalste persoonsbewijzen en reisde een keer met dynamiet op haar buik naar Utrecht om het daar af te leveren.

,,Je begint aan iets waarvan je weet dat het risico’s met zich meebrengt. Als je gepakt wordt, ga je de gevangenis in of je krijgt de doodstraf. Maar ik wilde levens redden.’’

Op 10 juni 1944 werd ze thuis opgepakt. Op het hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst (SD) op het Binnenhof kwam ze twee verzetskameraden tegen, die bijna onherkenbaar waren door de martelingen. Dat laatste bleef Petroff bespaard.

Via het ‘Oranjehotel’, de Duitse strafgevangenis in Scheveningen, kwam ze in Kamp Vught. In de Scheveningse Barak zat ze met andere politieke gevangenen die nog niet veroordeeld waren.

Ondertussen rukten de geallieerden op tot aan de Nederlandse grens. Vanuit het kamp hoorde ze de vrijheid naderen. ,,We hoorden het schieten van de kanonnen en dachten dat ze zouden komen. Maar ze kwamen niet.’’

In plaats daarvan klonken in die dagen herhaaldelijk genadeschoten vanaf de schietbaan, waar willekeurig mannen uit de Scheveningse Barak werden gefusilleerd. Onder de slachtoffers was haar verzetskameraad Piet Krol.

,,Wij moesten de volgende dag de kleren van de gefusilleerden wassen, zodat de Aufseherinnen stoffen konden uitzoeken voor eigen gebruik.’’

De dag na Dolle Dinsdag werd Petroff getransporteerd naar vrouwenkamp Ravensbrück. Twee dagen in een benauwde, donkere, stinkende wagon, zonder frisse lucht en drinken, met wat brood en soep, die snel zuur was.

Nooit zal ze de aankomst in Ravensbrück vergeten. ,,De vrouwen uit het kamp stormden op ons af. Ze vroegen of we nog eten over hadden. We gooiden hen wat toe, zoals je dat in de dierentuin ook doet. Ze vochten als beesten om een stukje uitgedroogd brood. Het was onmenselijk. Dat staat op mijn netvlies gebrand.’’

Dagelijks werden vrouwen aangewezen om zware arbeid te verrichten. ,,Iedere ochtend moesten we op appèl. We stonden in de bittere kou, met dunne kleding. Eén keer had ik het zo koud, dat een vrouw die achter me stond me beetpakte. Die menselijke warmte was een godsgeschenk.’’

,,We liepen allemaal met de dood in de schoenen. Een vrouw werd zo hard geknuppeld dat ze bewusteloos op de grond viel. Ik ben ontzettend bang geweest.’’

Petroff putte moed uit haar eigen ‘liedjes- en psalmenboek’ en uit haar medegevangenen. ,,Ik probeerde aan vrolijke dingen te denken en schreef in een schrift christelijke versjes. Ik sliep met mijn vriendin Jopie in één bed onder één deken. Zachtjes zongen we ‘Laat me slapend op U wachten, o dan slaap ik zo gerust’. Want je wist nooit of je nog wakker zou worden.’’

Jaren later is Petroff geregeld langs geweest bij Jopie, op haar sterfbed. En elke keer als ze wegging, zong ze zachtjes in haar oor dat liedje uit de oorlog. ,,Ze is slapend doodgegaan. Op haar rouwkaart stond het versje.’’

Na een maand in Ravensbrück werd Petroff met 200 Nederlandse vrouwen naar concentratiekamp Dachau getransporteerd. Van die reis herinnert ze zich bijna niets. ,,Ik had dysenterie en was half bewusteloos. Voor vertrek keek de dokter alleen tussen mijn vingers of ik schurft had,’’ vertelt ze.

,,Mijn vriendinnen hebben me meer dood dan levend meegesleept naar de trein. Zij hebben mijn leven gered. Als ik was achtergebleven, had ik naar de ziekenboeg gemoeten. Dan was ik zeker snel doodgegaan.’’

De Nederlandse vrouwen werden overgebracht naar een buitenkamp, waar ze te werk werden gesteld bij Agfa Kamerawerke. Iedere ochtend liepen ze door de kou of sneeuw naar de fabriek, waar ze aan de lopende band klokjes voor luchtafweergeschut produceerden.

De vrouwen sliepen in een flatgebouw dat tijdens een geallieerd bombardement beschadigd was. Ze leden onder de kou en slechte voeding. Door zich ziek te melden of langzamer te werken ‘saboteerden’ de vrouwen het productieproces.

Op 12 januari 1945 gingen ze spontaan massaal in staking. ,,We doen het niet meer, riepen we. Dat ging als een lopend vuurtje rond. Alle Nederlandse vrouwen deden mee.’’

Er volgden urenlange strafappèls buiten in de kou. Een van de vrouwen, Mary Vaders, werd voor straf 7 weken alleen in een bunker opgesloten. Haar terugkomst werd als een overwinning gevierd.

,,We leunden op elkaar, vertelden verhalen over vroeger en wisten alles van elkaar. De warme vriendschappen die voor het leven gesloten werden, zijn me dierbaar. Ik kan niet vaak genoeg tegen jonge mensen zeggen hoe belangrijk dat is.’’

Eind april 1945, enkele dagen voor de bevrijding, moesten de vrouwen het kamp verlaten. Ze sjokten vele kilometers in weer en wind door de Beierese Alpen. ,,Tijdens onze dodenmars stonden Duitse vrouwen en kinderen langs de kant van de weg. Ze gooiden rotte tomaten naar ons toe.’’

De mars eindigde voor Petroff in Wolfratshausen. De uitgeputte vrouwen weigerden om verder te lopen. ,,Schiet ons maar dood, we kunnen niet meer, zeiden we gezamenlijk.’’ De Duitse commandant legde zich erbij neer.

Een dag later werd de groep bevrijd door Amerikaanse militairen. Via een omweg kwam Petroff uiteindelijk pas op 21 mei 1945 terug in bevrijd Nederland, waar ze herenigd werd met haar familie.

,,Eenmaal terug in Nederland was ik teleurgesteld in de mentaliteit. Iedereen maakte zich druk om onbelangrijke dingen. Ze maakten ruzie, er was jaloezie, zelfs in de kerk. Niemand had belangstelling voor mijn verhaal. Iedereen was druk met zichzelf.’’

Petroff ging met ondervoede en gedemoraliseerde Nederlandse oorlogskinderen naar Engeland en Schotland voor een heropvoedingsproject. Daarna kreeg ze een baan op het passagekantoor van KLM in Rome.

Nog altijd kan ze een hekel hebben aan Duitse arrogantie. ,,De eerste jaren ben ik nooit door Duitsland gereden. Later ben ik er op wintersport geweest. De Duitsers van nu hebben geen schuld. Ze hebben het niet meegemaakt en hebben zelf ook geleden onder de geschiedenis.’’

Vorig jaar, bij een tentoonstelling in het Verzetsmuseum in Amsterdam, vroeg koning Willem-Alexander hoe het haar lukte om het leven weer op te pakken na alles wat ze had meegemaakt.

,,Mijn antwoord? Positief blijven en hard werken. Dat is de beste afleiding, want dan vergeet ik mijn pijn en verdriet.’’

Concentratiekamp Dachau

Dachau, nabij München, is het eerste grootschalig opgezette concentratiekamp in nazi-Duitsland. Het deed dienst van 1933 tot de bevrijding op 29 april 1945. Het was de eerste plek waar de SS de vrije hand kreeg. Het kamp diende als voorbeeld bij de opzet van andere concentratiekampen.

Aanvankelijk was Dachau vooral een interneringskamp voor politieke tegenstanders van het regime. Later werden er ook verzetsstrijders, Joden en geestelijken vastgehouden. In totaal hebben er zo’n 200.000 gevangenen gezeten, onder wie 2000 Nederlanders. Enkele bekende gevangenen waren de Curaçaose verzetsman George Maduro (Madurodam is naar hem vernoemd), priester Titus Brandsma en politicus Wiardi Beckman.

De meeste gevangenen werden als dwangarbeider ingezet. Dachau had bijna 170 buitencommando’s waar gevangenen werkten voor bijna 200 bedrijven als BMW en Messerschmitt. Hoewel Dachau geen vernietigingskamp was, vonden naar schatting 41.500 gevangenen er de dood. Een aantal van hen kwam om door gruwelijke medische experimenten van de nazi’s.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Binnenland
Plus artikel gelezen
Je las zojuist een artikel.
Onbeperkt PREMIUM-artikelen lezen?

Lees nu PREMIUM vanaf € 1,15 per week. Je krijgt dan onbeperkt toegang tot al onze artikelen, video’s, columns en meer.

Probeer PREMIUM direct