Oproep: vertaal een sprookje van Grimm in het Stadsfries

De sprookjes van Grimm komen eraan in het Stadsfries. Eentje is nog niet vertaald: dat mag u doen.

Hieronder staat het sprookje in het Nederlands: dat moet Stadsfries worden. Een deskundige jury onder leiding van Grimm-expert Anne Tjerk Popkema beoordeelt de inzendingen: de beste vertaling komt in het boek.

Dat wordt op 3 november in Franeker gepresenteerd op een speciale Dach fan ut Stadsfrys, met lezingen en activiteiten. ,,Want wy hoopje dat it Grimmprojekt echt in oanfiterjende wurking foar it skriuwen fan it Stedsfrysk ha sil.’’

De inzendingen moeten uiterlijk over 15 juli binnen zijn.

Stuur uw vertaling per post naar Leeuwarder Courant, Postbus 394, 8901 BD in Leeuwarden, onder vermelding van Grimm Stadsfries.

Per mail kan ook: stad@lc.nl, eveneens onder vermelding van Grimm Stadsfries.

De Bremer stadsmuzikanten

,,Een man had een ezel die jarenlang geduldig de zakken naar de molen had gedragen, maar wiens krachten nu afnamen, zodat hij steeds minder hard kon werken. Zijn baas dacht erover hem uit de kost te doen, maar de ezel merkte wel uit welke hoek de wind woei. Hij nam de benen en ging op weg naar Bremen, want hij dacht dat hij daar wel stadsmuzikant kon worden.

Toen hij een tijdje had gelopen, zag hij een jachthond op de weg liggen die hijgde alsof hij doodmoe was van het lopen. ,,Wat lig jij daar te hijgen, Pak-ze?’’, vroeg de ezel. ,,Ach’’, zei de hond, ,,ik ben oud en word met de dag zwakker. Ik kan niet meer goed meekomen als we op jacht zijn. Daarom wilde mijn baas mij doodslaan en ik ben ervandoor gegaan, maar hoe moet ik nu mijn brood verdienen?’’

,,Weet je wat’’, zei de ezel, ,,ik ga naar Bremen en word daar stadsmuzikant. Ga mee en laat je ook als muzikant aanstellen. Ik speel luit en jij slaat op de pauken.’’

De hond vond dat best en ze liepen verder. Het duurde niet lang of ze zagen een kat langs de weg zitten, met een gezicht als een oorwurm. ,,Wat zit jou zo dwars, ouwe Snorrenpoetser?’’ vroeg de ezel. ,,Hoe kan je nou vrolijk zijn als je je leven niet zeker bent’’, antwoordde de kat. ,,Ik word een jaartje ouder, mijn tanden worden stomp en ik zit liever achter de haard te spinnen dan op muizenjacht te gaan, en daarom wilde de vrouw me verzuipen. Ik heb me nog wel uit de voeten kunnen maken, maar nu is goede raad duur. Waar moet ik heen?’’

,,Ga met ons mee naar Bremen! Jij maakt toch ’s nachts zulke mooie muziek, je kunt best stadsmuzikant worden.’’

De kat vond dat een goed idee en ging mee. Daarop kwamen de drie vluchtelingen langs een boerderij waar de huishaan uit alle macht zat te kraaien op het hek. ,,Dat gekraai van jou gaat door merg en been’’, zei de ezel. ,,Wat is er aan de hand?’’

,,Heb ik me daar mooi weer voorspeld’’, zei de haan, ,,omdat het de dag van Onze Lieve Vrouwe is, de dag waarop zij de hemdjes van het kindje Jezus heeft gewassen en te drogen wil hangen. Maar de vrouw des huizes is onverbiddelijk: omdat er morgen gasten komen voor de zondag, heeft ze tegen de kokkin gezegd dat ze mij morgen in de soep wil eten en vanavond moet ik mijn kop eraf laten hakken. Nu kraai ik uit volle borst zolang het nog kan.’’

,,Ach Roodkop’’, zei de ezel, ,,ga liever met ons mee, wij gaan naar Bremen; iets beters dan de dood kun je overal vinden. Je hebt een mooie stem en als wij samen muziek maken, zul je eens wat horen.’’ De haan vond het een goed voorstel en met z’n vieren trokken ze verder.

Maar ze konden de stad Bremen niet in één dag bereiken en ’s avonds kwamen ze in een bos waar ze wilden overnachten. De ezel en de hond gingen onder een grote boom liggen. De kat en de haan zochten een plekje in de takken, en de haan vloog helemaal naar de top van de boom, waar het voor hem het veiligst was.

Voordat hij ging slapen, keek hij nog een keer naar alle vier de windstreken en toen dacht hij in de verte een vonkje te zien. Hij riep zijn makkers toe dat er niet zo ver weg een huis moest staan, want er was een lichtje te zien. ,,Dan moeten we daar maar heen gaan, want het onderdak hier is niet best’’, vond de ezel. En de hond zei dat hij ook geen nee zou zeggen tegen een paar botten met wat vlees eraan. Dus gingen ze op weg in de richting van het lichtje en algauw zagen ze het helderder worden en ook steeds groter, en ten slotte kwamen ze bij een fel verlicht rovershuis.

De ezel, die de grootste was, liep naar het raam en keek naar binnen. ,,Wat zie je, Grauwschimmel?’’ vroeg de haan. ,,Wat ik zie?’’, antwoordde de ezel. ,,Een gedekte tafel met heerlijk eten en drinken, en aan tafel zitten rovers die het er goed van nemen.’’

,,Dat zou iets voor ons zijn’’, zei de haan. ,,Ja ja, ach, zaten wij daar maar!’’ zuchtte de ezel. Toen overlegden de dieren hoe ze de rovers naar buiten konden jagen en ten slotte vonden ze een manier. De ezel moest met zijn voorpoten op de vensterbank gaan staan, de hond sprong op de rug van de ezel, de kat klom boven op de hond en ten slotte vloog de haan omhoog om op de kop van de kat te gaan zitten.

Toen dat gebeurd was, begonnen ze op een teken allemaal tegelijk hun muziek te maken: de ezel balkte, de hond blafte, de kat miauwde en de haan kraaide. Daarna sprongen ze door het raam de kamer binnen zodat de ruiten rinkelden. De rovers vlogen overeind bij dat verschrikkelijke gekrijs. Ze dachten dat er een spook binnenkwam en doodsbang vluchtten ze het bos in. Nu gingen de vier vrienden aan tafel zitten. Ze stelden zich tevreden met de resten van de maaltijd en aten alsof ze vier weken moesten gaan vasten.

Toen de vier speellieden klaar waren, deden ze het licht uit en zochten ze een slaapplaats op, elk naar zijn aard en voorkeur. De ezel ging op de mesthoop liggen, de hond achter de deur, de kat bij de warme as in de haard, en de haan ging op de hanenbalk zitten. En omdat ze moe waren van hun lange tocht, vielen ze algauw in slaap.

Toen het middernacht was geweest en de rovers van verre zagen dat er in het huis geen licht meer brandde en alles rustig leek, zei de hoofdman: ,,We hadden ons toch niet zo de stuipen op het lijf moeten laten jagen’’, en hij droeg een van de rovers op om het huis te gaan verkennen. De verspieder hoorde geen enkel geluid. Hij ging naar de keuken om licht te maken, en omdat hij dacht dat de vurige ogen van de kat gloeiende kooltjes waren, hield hij er een zwavelstokje bij om dat aan te steken.

Maar de kat hield niet van grapjes; hij sprong tegen zijn gezicht op, spuugde en krabde. De rover schrok vreselijk, begon te rennen en wilde door de achterdeur naar buiten, maar daar lag de hond en die sprong op en beet hem in zijn been. En toen hij op het erf langs de mesthoop holde, gaf de ezel hem nog een flinke trap met zijn achterpoot. En de haan, die door het lawaai uit zijn slaap was gewekt, riep vanaf de balk: ,,Kukeleku!’’

Toen rende de rover zo hard hij kon terug naar zijn hoofdman en zei: ,,O, in het huis zit een afschuwelijke heks, die blies tegen mij en krabde mijn gezicht open met haar lange vingers. En bij de deur staat een man met een mes, daarmee stak hij in mijn been. En op het erf ligt een zwart monster dat mij afranselde met een houten knuppel. En boven op het dak zit de rechter, die riep: ‘Hier met die schurk. Toen maakte ik dat ik wegkwam.’’

Nu durfden de rovers het huis niet meer in, maar de vier Bremer muzikanten vonden het er zo fijn dat ze er niet meer uit wilden. En degene die dit het laatst heeft verteld, diens mond is nog warm.''

Toon reacties

Mis niets van het regionale nieuws. Ontvang onze dagelijkse nieuwsupdate, helemaal gratis.

Meer dan 22.249 nieuwsbriefabonnees

Je kunt je op elk moment weer uitschrijven

Lees hier ons privacy statement