Boer én manager

In Dronten zijn twintig jonge agrariërs als Internationaal Bedrijfsleider afgestudeerd. De Christelijke Agrarische Hogeschool is een van de weinige die grond- en veespecialisten opleidt tot managers voor (zeer) grote landbouwbedrijven met personeel. In landen als Rusland en Oekraïne staan ze om ze te springen.

PETRA JANBROERS

In Nederland bestaat een boerenbedrijf uit pa, moe en zestig koeien. Of 50 hectare, een paar tractors en wat handen. In Rusland heb je beursgenoteerde bedrijven van honderdduizend hectare en tienduizend stuks vee.

„Een bedrijf zo groot als de provincie Flevoland. Hier ben je boer, daar ondernemer", vertelt Rien van Bruchem (23) uit Dronten met glinsterende ogen.

Hij is er geweest, op die giga-grote boerderijen ‘in the middle of nowhere', in Polen, in Siberië. Plekken waar je je handen mag dichtknijpen als er internet is. Waar oude vrouwtjes zitten te breien met een scharrelvarken aan hun voeten. Waar ambitieuze jongeren zijn weggetrokken en je je soms van handen en voeten moet bedienen omdat niemand een woord Engels of Duits spreekt.

Maar ook waar Zweden, Duitsers, Amerikanen en Britten tientallen miljoenen euro's investeren in agro-holdings op een schaal die doet duizelen. Waar de boer niet even een rondje door het veld kan maken om de boel te peilen, maar waar sinds een jaar of twee, drie, tractoren van kilometers hoogte via gps worden aangestuurd. Waar de tractor-TomTom meldt: de komende 50 meter twee maal de normale dosis mest dumpen, want de grond is te schraal. Op 2 centimeter nauwkeurig werkt dat.

Voor wie de Nederlandse boerderij te klein of de poldergrond te duur is, of wie avontuur en ervaring zoekt tot vader de boel over een aantal jaar overdraagt, bieden opkomende economieën in Oost-Europa, Zuid-Amerika en Azië kansen. De behoefte aan hoogopgeleide agrariërs met verstand van zowel akkerbouw en veeteelt als organisatie, in- en verkoop en het managen van personeel, is er groot. De combinatie van boer en manager blijkt niet voor de hand te liggen.

„Wereldwijd zijn er maar weinig scholen waar studenten agrarische kennis én managementvaardigheden opdoen. Men is óf boer óf manager zonder een landbouwachtergrond", zegt docent Albert Canrinus in de spectaculaire, net geopende nieuwe vestiging van de Christelijke Agrarische Hogeschool (CAH) in Dronten.

De school staat in een gigantische kas van ruim 16 meter hoog, de hoogste kasconstructie van Europa, en is volledig duurzaam. Zon en water regelen het klimaat binnen. In de kantine zijn lokale producten te koop.

Canrinus was vier jaar geleden een van de initiatiefnemers van de opleiding Internationaal Bedrijfsleider. Eerst bekwamen de studenten zich drie jaar breed in akker-, tuinbouw of veehouderij, daarna volgt de ‘minor' van een jaar, in het Engels en met twee keer tien weken stage in het buitenland.

„Daar leer je snel genoeg of het wat voor je is", heeft Van Bruchem ervaren. Hij is door het virus besmet en wil graag terug naar Rusland. Het cyrillische alfabet is hem al niet vreemd meer, de taal leren staat hoog op zijn prioriteitenlijst. Niet alleen om instructies in het Russisch te kunnen geven maar ook om computergegevens te kunnen lezen.

De opkomende landen worden stilaan welvarender. Het volk wil meer vlees en ander eiwitrijk voedsel. In Rusland worden in hoog tempo voormalige kolchozen en sovchozen, de landbouwbedrijven uit het communistische tijdperk, gemoderniseerd. Dat is goed voor de groei en werkgelegenheid, maar bij veel Russen zit de communistische cultuur nog in de genen. Eigen initiatief, buiten vertrouwde kaders denken, is decennialang afgeleerd.

„Als een Rus al eens zelf iets bedenkt, dan wil hij toch graag aangestuurd worden", ontdekte Van Bruchem.

Dat kan Martin Franssen (23) uit Borculo beamen. Hij liep stages in Amerika, het oosten van Duitsland en in de Russische regio Voronezh, zo'n 600 kilometer ten zuiden van Moskou. Franssen is ‘een echte koeienman', zegt hij. Hij onderhoudt de hoeven van het dier. „Ik ben van de pedicure."

Grootschaligheid zit kennelijk in zijn bloed, want zijn oom emigreerde vier jaar geleden naar de Amerikaanse staat Indiana om er een grote veehouderij te beginnen.

In Nederland zit dat er niet in. Franssen werkte in Voronezh met ongeveer 1600 koeien. Ook hij ontdekte dat een cultuuromslag nodig is. „Dan moest er geïnsemineerd worden maar was het sperma op, en niemand nam het heft in handen om het op te lossen."

Van de jaarlijkse twintig tot vijfentwintig studenten belandt lang niet iedereen uiteindelijk in het buitenland. Sommigen krijgen het al tijdens hun stage te kwaad, zo ver van Nederland.

Niet Daniëlle Hagenbeek. Sterker nog, de 23-jarige Doetinchemse heeft direct na de diploma-uitreiking vorige week haar boeltje gepakt, en zit nu in oost-Duitsland. Daar liep ze eerder haar twee stages.

„Bij de tweede heb ik zieke koeien behandeld, geïnsemineerd, koeien van zeven maanden drachtig gevoeld en drooggezet, kalveren onthoornd, klauwen bekapt en tochtdetectie gedaan. Ik heb alle behandelingen in een managementprogramma ingevoerd, zodat voor iedereen duidelijk is wat er met de koe is gebeurd."

Zulke aanpakkers, die komen er wel.

 

Advertentie

Stuur dit artikel door

voornaam
*
achternaam
e-mailadres ontvanger:
*

Reacties